10. Met deze opvatting van het scheppingsverhaal zijn de |482| uitkomsten van het geologisch onderzoek zeer wel in overeenstemming te brengen. Maar men dient dan zeker te weten, welke die uitkomsten zijn. Zoodra men daarnaar echter een eenigszins nauwkeurig onderzoek instelt, stuit men op allerlei bezwaren en wordt alles te meer onzeker, naarmate men dieper onderzoekt en verder doordringt. Natuurlijk heeft niemand en kan niemand eenig bezwaar hebben tegen de feiten, welke de geologie aan het licht brengt. Die feiten zijn evengoed woorden Gods als de inhoud der H. Schrift, en dus door ieder geloovig te aanvaarden. Maar van die feiten moet zeer streng de exegese onderscheiden worden, welke de geologen daarvan voordragen. Iets anders zijn de verschijnselen, welke de aarde vertoont; iets anders de combinaties, hypothesen, conclusies, welke door de onderzoekers der aarde daarmede verbonden zijn. Ongerekend nu de volstrekt niet denkbeeldige mogelijkheid, dat ook de waarneming, constateering en beschrijving van de geologische feiten en verschijnselen soms wel ter dege onder den invloed eener apriorische wereldbeschouwing staat, leert de geologie tegenwoordig eenparig, dat de aardoppervlakte uit verschillende lagen is samengesteld, die alle duidelijk de kenmerken dragen van in het water bezonken te zijn; dat deze aardlagen, waar en inzoover zij ergens aanwezig zijn, altijd in eene zekere orde voorkomen, zoodat b.v. eene lagere formatie nooit tusschen hoogere inligt; en eindelijk dat deze aardlagen eene groote massa van fossilen bevatten, die wederom niet bont dooreen in alle lagen verstrooid zijn, maar te lager van soort zijn naarmate zij in lagere sedimenten voorkomen. Dat zijn de feiten; en daarop zijn dan door de geologen al die langdurige geologische perioden gebouwd, welke vroeger reeds werden opgesomd. Maar juist tegen deze geologische perioden bestaan zeer ernstige bezwaren. 1º. Vooreerst verdient het overweging, dat de geologie nog eene jonge wetenschap is. Zij is nog geen honderd jaren oud. In de eerste helft van haar bestaan was zij bij mannen als von Buch, de Saussure enz. volstrekt niet vijandig aan de Schrift; eerst toen Lyell e.a. haar in dienst van de evolutieleer stelden, werd zij een wapen ter bestrijding van het bijbelsch scheppingsverhaal. Reeds deze overweging maant tot voorzichtigheid; als de geologische wetenschap ouder en rijker wordt, zal zij op dit punt waarschijnlijk zichzelve herzien. 2º. De geologie kan men noemen de archaeologie der aarde. Zij leert ons |483| toestanden kennen, waarin de aarde vroeger verkeerd heeft. Maar zij zegt ons natuurlijk over de oorzaak, het ontstaan, den duur enz van die toestanden zoo goed als niets. Uit de verschijnselen der aarde eene geschiedenis der aarde te willen construeeren, lijkt apriori een even hachelijk ondernemen, als om uit de archaeologische overblijfselen van een volk zijne geschiedenis te willen opmaken. Als hulpmiddel moge de archaeologie zeer nuttig zijn; zij kan de historie niet vervangen. De geologie biedt belangrijke gegevens, maar zij kan uitteraard nooit eene Schöpfungsgeschichte leveren. Wie dat beproeft, moet ieder oogenblik tot gissingen de toevlucht nemen. Alle geboorte, zeide Schelling, is uit duisternis tot licht. Alle oorsprongen liggen in het duister. Als men ons niet zegt, wie onze ouders en voorouders waren, dan weten wij het niet. Indien er geen scheppingsverhaal is, is en blijft ons de geschiedenis der aarde onbekend. 3º. De geologie kan dan ook nooit tot aan het scheppingsverhaal toekomen; zij staat vanzelf op den grondslag van het geschapene en nadert Gen. 1 niet; zij kan constateeren wat zij waarneemt, maar de oorsprongen er van niet anders dan vermoeden. Zeer juist en schoon zegt de geoloog Ritter von Holger: Wir haben das Unangenehme, dass wir erst ins Theater gekommen sind, nachdem bereits der Vorhang gefallen ist. Wir müssen das Schauspiel das gegeben wurde, aus dem auf der Bühne zurückgebliebenen Dekorationen, Versatzstücken, Waffen u.s.w. (das sind namentlich die paläontologischen Entdeckungen oder die Versteinerungen) zu erraten suchen, daherist es sehr verzeihlich, wenn wir uns irren, bij Trissl, Das bibl. Sechstagewerk 1894 S. 73. 4º. Ofschoon de aardlagen, waar en voorzoover zij ergens voorkomen, in zekere orde gelegen zijn, toch is het evenzeer een feit, dat zij nergens alle bij elkaar en compleet voorkomen, maar sommige worden hier, andere elders gevonden. Wir haben nirgends ein vollständiges Exemplar des Buches der Erde, sondern verstreut über dieselbe eine grosse Menge von defecten Exemplaren von dem verschiedensten Formate und auf sehr verschiedenem Materiale, Pfaff, Schöpf. 5. De reeks en de orde der aardlagen en dus ook van de daarop gebouwde geologische perioden wordt daarom niet onmiddellijk door de feiten aan de hand gedaan, maar rust op eene combinatie van feiten, die aan allerlei gissing en dwaling blootstaat. Er behoort naar de erkentenis der geologen zelven veel geduld en moeite toe, |484| om de juiste orde der aardlagen vast te stellen, Geikie, Geologie, deutsch von O. Schmidt, Strassburg 1886 S. 55. Pfaf, Schöpf. 5. 5º. Van de oppervlakte der aarde is nog maar een zeer klein gedeelte onderzocht, vooral Engeland, Duitschland en Frankrijk. Van de andere deelen van Europa is nog weinig, van het grootste deel van Azie, Afrika, Nieuw-Holland enz. is nog zoo goed als niets bekend. Zelfs Häckel geeft toe, dat nauwelijks het duizendste gedeelte van de aardoppervlakte palaeontologisch is onderzocht, Nat. Schöpf. 1874 S. 355. En deze berekening is zeker niet te laag geraamd. Latere onderzoekingen kunnen dus nog allerlei andere feiten aan het licht brengen. De hypothesen en conclusies der geologie zijn dus in elk geval op een onvoldoend getal gegevens gebouwd. 6º. Het is een feit, hetwelk hoe langer hoe meer van den kant der geologie erkenning vindt, dat de tijd van de formatie der aardlagen volstrekt niet kan bepaald worden uit den aard en de hoedanigheid dier lagen. Die Beschaffenheit der Schichten, zegt Pfaff, t.a.p. 5, giebt durchaus keinen Anhaltspunkt an die Hand, um über die Zeit ihrer Bildung einen Aufschluss zu erhalten. Onder invloed van het darwinisme, dat alles verklaren wilde door oneindig kleine veranderingen in oneindig groote tijdsruimten, heeft men wel van millioenen van jaren gesproken. Maar dat zijn eenvoudig mythologische getallen, waarvoor alle grond ontbreekt, Schelling, Werke, II 1 S. 229. De geologen weten nog volstrekt niet, of vroeger dezelfde dan wel andere omstandigheden hebben geheerscht. En zelfs bij gelijke omstandigheden groeit alles in de jeugd veel sneller en sterker dan in latere jaren. Bovendien zijn al de gronden, waarop de geologen tot dusver hun getallen bouwden, onhoudbaar gebleken. De deltavormingen, de heffingen en dalingen van het vasteland, de steenkoolformaties enz. zijn alle als grondslag van berekening weer prijsgegeven. Bezadigde natuurvorschers spreken tegenwoordig dan ook geheel anders. Es fehlet uns jeder exacte Massstab zur Berechnung vorhistorischer Ereignisse, Zittel, Aus der Urzeit, 2e Aufl. 1875 S. 556. 7º. Ook de orde, waarin de aardlagen voorkomen, kan geen maatstaf ter berekening van den tijd en den duur harer formatie zijn. Natuurlijk is op eene bepaalde plaats de onderste laag ouder dan de bovenste, maar alle recht ontbreekt, om de verschillende aardlagen van verschillende plaatsen bijeen te voegen en alzoo eene reeks van formaties en perioden |485| te vormen. Wie jetzt in unseren Meeren au einer Stelle sich Kalkniederschläge bilden, während zu derselben Zeit an anderen Orten sich Lagen von Sand oder Lehm übereinander absetzen, so haben sich auch in früheren Zeiten an verschiedenen Orten gleichzeitig verschiedenartige Schichten gebildet, und wieder gleichartige zu verschiedenen Zeiten, Pfaff, ib. De lagen uit zoogenaamd verschillende perioden zijn niet constant verschillend, en degene, die voor even oud worden gehouden, zijn niet altijd qüalitatief gelijk, Trissl 61. In denzelfden tijd kunnen in verschillende deelen der aarde gelijke formaties hebben plaats gehad, gelijk dat nog tegenwoordig menigmaal geschiedt. 8º. De tijd van de formatie der aardlagen en de orde van hare ligging wordt dan ook tegenwoordig bijna uitsluitend bepaald naar de petrefacten, die erin aangetroffen worden, cf. art. Geognosie bij Brockhaus. De geologie is afhankelijk geworden van de palaeontologie, en deze staat heden ten dage bijna schier geheel in dienst van de evolutieleer. Van te voren wordt als bewezen aangenomen, dat de organische wezens van de lagere tot de hoogere zich hebben ontwikkeld; en daarop wordt dan de orde en de duur van de sedimentformaties gebouwd. Omgekeerd gebruikte men dan de orde der sedimenten weer als een bewijs voor de evolutietheorie en maakte zich alzoo aan een circulus vitiosus schuldig. Nu wordt echter de evolutieleer door de palaeontologie veelmeer weerlegd dan begunstigd. Want in de verschillende lagen komen verschillende fossilen van planten en dieren niet voor in eenige weinige exemplaren en soorten. Maar bij iedere laag staat de geologie ineens en plotseling voor eene onoverzienbaar rijke wereld van organisch leven, in soorten onderscheiden en door geen overgangsvormen aangevuld. Zelfs worden er petrefacten van planten en dieren aangetroffen, welke sedert uitgestorven zijn, alle latere formaties in grootte en sterkte overtreffen en de natuur als het ware doen kennen in hare eerste scheppende kracht, in hare weelderige vruchtbaarheid, Pfaff, Schöpf. 667-709. 9º. Nu is het wel waar, dat de fossilen niet in alle lagen bont dooreen verspreid zijn, maar dat in bepaalde lagen ook in den regel bepaalde planten en dieren voorkomen. Doch ook hieruit is noch voor de evolutieleer noch voor de geologische perioden iets met zekerheid af te leiden. Immers, de verschillende soorten van planten en dieren waren en zijn overeenkomstig haar aard en levensvoorwaarden |486| over de oppervlakte der aarde verspreid; ze leefden in verschillende plaatsen en zonen, en ze moesten dus ook versteenen in de verschillende sedimenten, die er op verschillende plaatsen gevormd werden. De petrefacten zijn daarom geen representanten van den tijd van ontstaan der organische wezens, maar van de hoogere of diepere zonen, in welke zij leefden. Onderstel toch, dat de thans levende planten en dieren over geheel de aarde heen plotseling in aardlagen begraven werden en versteenden, dan zou noch uit de onderscheidene soorten van fossilen noch uit de verschillende lagen, waarin zij voorkwamen, eenig besluit te trokken zijn ten aanzien van den tijd van hun ontstaan. En daarbij komen dan nog allerlei andere omstandigheden, die de indeeling en berekening der geologische perioden schier onmogelijk maken, zooals bijv., dat de onderscheidene soorten van planten en dieren in den eersten tijd niet zoo over de gansche aarde verbreid waren als later; dat van tal van planten en dieren in de verschillende lagen geen petrefacten zijn bewaard; dat velerlei oorzaken sommige planten en dieren kunnen gebracht hebben in plaatsen en zonen, waarin zij van nature niet leefden; dat dezelfde aardlagen wel doorgaans maar lang niet altijd dezelfde soorten van fossilen bevatten, en dat daarom aardlagen, die qualitatief gelijk zijn en eerst in denzelfden tijd waren geplaatst, later weer elders werden thuisgebracht, omdat men er nieuwe en andere petrefacten in vond, enz. 10º. De geologen erkennen zelf menigmaal, dat de geologische perioden niet streng te scheiden zijn. Vooral bij de tertiaire en quaternaire periode komt dit uit. Hier is schier alles onzeker. Onzeker is de grens, de aanvang, het einde, de duur dier beide tijdperken. Onzeker is de oorzaak, de uitgebreidheid, de duur der zoogenaamde ijsperiode; er is verschil over, of er één of meer ijstijden moeten aangenomen worden; en zelfs is heel het bestaan van een ijstijd nog aan ernstigen twijfel onderworpen. Onzeker is de oorzaak, de tijd en de wijze, waarop de groote voorhistorische dieren zijn omgekomen, wier fossilen soms nog geheel ongeschonden zijn bewaard. Onzeker is het optreden van den mensch, vóór of na den ijstijd, in de tertiaire of quaternaire periode, tegelijk met of na den mammuth, mastodon en rhinoceros. Onzeker is de oorzaak van de diluviale formatiën en van hare uitbreiding over heel de aarde heen. Onzeker is de oorzaak en de tijd van de berg- en |487| gletschervormingen, waarbij alleen het feit, dat de verschuivingen der gletschers uit het Noorden naar het midden van Europa voor de Scandinavische bergen eene hoogte zouden vereischen van 44000 meter, een bijna onoverkomelijk bezwaar oplevert enz. 11º. Daarbij komt nog ten slotte, dat de Schrift en de eenparige traditie van bijna alle volken van een ontzaglijken vloed verhaalt, die een geweldigen omkeer heeft gebracht in heel den toestand der aarde. Volgens de Schrift treedt er na den zondvloed een gansch andere toestand in voor mensch en aarde. De menschheid vóór den zondvloed onderscheidde zich door groot verstand, krachtigen ondernemingsgeest, titanischen moed, langen levensduur, sterke lichamelijke ontwikkeling, schrikkelijke goddeloosheid. En zonder twijfel was de natuur, het planten- en dierenrijk, daarmede in overeenstemming. Maar in den zondvloed komen bijna alle menschen om, vele soorten van planten en dieren sterven uit, de natuur wordt aan banden gelegd, een zachter bedeeling treedt in, de bedeeling, in welke wij leven. Deze getuigenissen der Schrift worden van allen kant door de geologie bevestigd. De mensch uit de tertiaire periode is nog niet gevonden, en het is niet waarschijnlijk, dat hij ooit gevonden zal worden; de menschheid was toen vóór den zondvloed waarschijnlijk nog niet over de aarde verspreid; de zondvloed verklaart, dat er van de menschen vóór dien tijd geen fossilen over zijn; de schedels en beenderen, die van menschen hier en daar gevonden zijn, waren allen afkomstig uit den quaternairen tijd en van de onze niet verschillend. Voorts leert de geologie duidelijk, dat de mensch nog gelijktijdig met den mammuth, het hebr. behemoth, Job 40 vs. 10, heeft geleefd en dat de mammuth dus nog thuis hoort in den historischen tijd. De algemeenheid der diluviale formaties bewijst, dat de zondvloed over heel de aarde zich moet hebben uitgestrekt. De bergen zijn voor een groot gedeelte in den historischen tijd ontstaan. De oorzaken der ijsperiode, indien ze al bestaan heeft, zijn volkomen onbekend en kunnen dus zeer goed gelegen hebben in den zondvloed en in de daling der temperatuur, die daarna allerwege intrad. Eerst door en na het diluvium heeft de aarde hare tegenwoordige gedaante gekregen. Tegen de vereenzelviging van diluvium en zondvloed is eigenlijk maar één ernstig bezwaar, en dat is de tijd. De geologie plaatst den ijstijd en het diluvium gewoonlijk eenige duizenden jaren vóór Christus. |488| Maar eenerzijds is daartegen op te merken, dat de chronologie der Schrift ook nog geenszins vast staat. Men behoeft nog niet zoo ver te gaan als de Sacy, die zeide: il n’y a pas de chronologie biblique, om toch Voetius toe te stemmen, als hij verklaarde: ex S. Scriptura exacta supputatio haberi non potest, Disp. V 153. Het is niet onmogelijk, dat soms geslachten zijn overgesprongen en persoonsmannen als volksnamen zijn bedoeld. En andererzijds zijn de geologische berekeningen, gelijk boven gezegd is, veel te onzeker, dan dat daaraan een bezwaar tegen bovenstaande opvatting kan worden ontleend. 12º. Wanneer wij dit alles saamvatten en in rekening brengen, dan biedt de Schrift van het oogenblik der schepping af aan in Gen. 1 : 1 tot den zondvloed toe eene meer dan genoegzame tijdsruimte aan voor de plaatsing van al die feiten en verschijnselen, welke de geologie en palaeontologie in deze eeuw aan liet licht hebben gebracht. Het is niet in te zien, waarom deze alle niet in dien tijd eene plaats zouden kunnen vinden. Meer heeft de theologie nu ook niet te doen; zij heeft zich niet in te laten met de oorzaken dier verschijnselen; de verklaring der feiten verblijve aan de geologie! Maar misschien kan de Schrift daarbij toch beteren dienst bewijzen, dan de natuurwetenschap gewoonlijk vermoedt. Immers, zij wijst er ons op, dat de schepping een Goddelijk werk bij uitnemendheid is. Er hebben bij het ontstaan en de formatie der dingen krachten gewerkt, er hebben tot den zondvloed toe toestanden bestaan, en er heeft in dien vloed eene catastrophe plaats gehad, gelijk die na dezen tijd niet meer zijn voorgekomen. De wording wordt altijd door andere wetten beheerscht dan de ontwikkeling. De wetten van het creatuur zijn niet de regel der creatie en veel minder die van den Creator. Voorts houde zich de theologie alleen aan de onbetwistbare feiten, welke de geologie doet kennen, maar wachte zich voor de hypothesen en conclusies, die de geologen daaraan toevoegen. Daarom zie ze af van elke poging, om de zoogenaamde geologische perioden met de zes scheppingsdagen te vereenzelvigen. Immers is het niet anders dan eene onbewijsbare meening, dat die perioden successief en in die orde op elkander gevolgd zijn. Daarmede wordt niet ontkend, dat b.v. de azoische formaties reeds van het oogenblik der schepping af begonnen zijn. Veeleer wijst alles er op, dat ze toen onder de werking van allerlei mechanische en chemische krachten reeds een aanvang |489| hebben genomen. Maar de geologie weet er niets van, dat ze niet ook later tegelijk met de palaeozoische enz. hebben plaats gehad, en gist beide naar de oorzaken en naar de wijze van haar ontstaan. En zoo is het met alle andere perioden. Het is zeer waarschijnlijk, dat het zoogenaamde tertiaire tijdperk nog tot aan den zondvloed reikt, en dat diluvium en ijstijd met deze catastropbe samenvallen. Vervolgens wordt door het gelijktijdig voorkomen van plant- en dierfossilen in de zoogenaamde palaeozoische periode niets voor de orde van hun ontstaan beslist. De geologie weet toch van het ontstaan van die organische wezens niets af; zij vindt ze maar dringt tot hun oorsprong niet door. En ook zij moet aannemen, dat het plantenrijk vóór het dierenrijk is ontstaan, om de eenvoudige reden, dat de dieren van de planten leven. Voorzoover de geologie iets over de orde van ontstaan der dingen zeggen kan, stemt zij met de Schrift volkomen overeen. Eerst de anorganische schepping; dan de organische, beginnende met het plantenrijk; daarna het dierenrijk en ook dit weder in dezelfde orde, eerst de water-, dan de landdieren, en daaronder vooral de zoogdieren, Pfaff, Schöpf. 742. Zoo wachten wij als Christenen en als theologen de zekere resultaten der natuurwetenschap met eenig vertrouwen af. Voor diepgaand en alzijdig onderzoek behoeft de theologie niet bevreesd te zijn. Zij wachte zich slechts, om al te groote waarde te hechten aan een onderzoek, dat nog geheel nieuw, onnauwkeurig en onvolledig is en daarom telkens door gissingen en vermoedens, wordt aangevuld. Ze zij op hare hoede, om al te voorbarig concessies te doen aan en overeenstemming te zoeken met zoogenaamde wetenschappelijke resultaten, die iederen dag omvergestooten en door dieper onderzoek in hunne onhoudbaarheid kunnen worden aangetoond. En zij hebbe als wetenschap van de Goddelijke en eeuwige dingen geduld, totdat de wetenschap, die haar bestrijdt, dieper en breeder hebbe onderzocht en, gelijk het in de meeste gevallen gaat en gegaan is, zichzelve corrigeere. Zoo houdt de theologie beter hare waardigheid en eere op, dan door onophoudelijkzich te plooien naar de meeningen van den dag. Cf. Howorth, The mammoth and the flood 1887. Bosizio, Das Hexaemeron und die Geologie, Mainz 1865. Trissl, Das bibl. Sechstagewerk vom Standp. der kath. Exegese u. v. Standp. der Naturw. 2e Aufl. Regensburg 1894. Id. Sündfluth oder Gletscher 1894. Hahn, Die Entstehung der Weltkörper, Regensburg 1895. |490|







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004