9. Wanneer deze voorloopige opmerkingen nu ter harte genomen worden, dan is het in de eerste plaats waarschijnlijk, dat de schepping van hemel en aarde in Gen. 1 : 1 korter of langer tijd aan het werk der zes dagen in vers 3 v. is voorafgegaan. De restitutietheorie is zeker aan het dwalen geraakt, als zij in Gen. 1 : 2 den val der engelen en de verwoesting der aarde plaatste. Hiervan is toch met geen woord sprake; er staat ook niet dat de aarde woest en ledig werd, maar dat zij dat was en dat ze zóó werd geschapen; en de woestheid en ledigheid houdt geenszins in, dat de aarde verwoest was maar dat zij, ofschoon reeds aarde, toch nog ongevormd, zonder gedaante of gestalte was. Maar overigens is het juist, dat de schepping van hemel en aarde en de woeste en ledige toestand der aarde niet geplaatst kunnen worden binnen den eersten dag; deze begon eerst en kon uit den aard zaak eerst beginnen met het licht. De eerste dag wordt niet gevormd door de oorspronkelijke duisternis en door het daarna geschapene licht, maar hij wordt gevormd door de eerste wisseling van avond en morgen, welke na de schepping van het licht is ingetreden. De duisternis, waarvan Gen. 1 : 2 spreekt, was niet de eerste avond; maar eerst, nadat het licht was geschapen, werd het avond en daarna morgen. En met dien morgen was de eerste dag afgeloopen, die met de schepping van het licht begonnen was; de dag in Genesis begint en eindigt met den morgen, cf. Keil, Delitzsch e.a. op Genesis. Ook Augustinus, Conf. XII, 8, Lombardus, Sent II dist. 12, 1. 2, Thomas, S. Theol. I qu. 74 art. 2, Petavius, de sex dier. opif. I c. 9 n. 2 e.a. oordeelden daarom terecht, dat de schepping van hemel en aarde en de woeste toestand der aarde plaats hadden ante omnem diem. Zoo komt ook alleen tot zijn recht, dat de schepping in Gen. 1 : 1 eenvoudig als een feit wordt verhaald zonder eenige nadere omschrijving, maar dat de toebereiding van de aarde, Gen. 1 : 3 v. in den breede wordt verhaald. Gen. 1 : 1 zegt alleen, dat God de Schepper is van alle dingen, maar maakt er geen melding van dat God ze schiep door zijn Woord en Geest. Natuurlijk wordt dit niet ontkend; maar het staat er toch niet; en evenmin staat er, in hoeveel |479| tijd en op wat wijze God hemel en aarde schiep, en hoelang de ongevormde toestand der aarde duurde. Eerst als het zesdaagsch werk een aanvang neemt, wordt gezegd, dat ook die ongevormde aarde in stand gehouden en vruchtbaar gemaakt werd door Gods Geest, Gen. 1 : 2, en dat alle dingen op en in die aarde tot stand gebracht zijn door het Woord Gods, Gen. 1 : 3v.; in de distinctio en ornatus der aarde gedurende de zes dagen komt Gods wijsheid uit, Calvijn op Gen. 1 : 3. Maar ook al wilde men, met het oog op Ex. 20 : 11, 31 : 17, het verhaalde in Gen. 1 : 1 en 2 brengen binnen den eersten dag, dan zou daarmede alleen verkregen zijn, dat de eerste dag een gansch ongewone ware geweest. Hij zou dan begonnen zijn in het moment der schepping, en zou eerst een tijd lang duister zijn geweest, Gen. 1 : 2. In elk geval doet deze exegese het ware erkennen, dat er in de boven in de tweede plaats genoemde, concordistische theorie ligt opgesloten. Volmondig zij toegeven, dat de opvatting der scheppingsdagen als tijdperken naar aanleiding van de geologie is opgekomen. Daarmede is zij echter volstrekt niet geoordeeld; de vraag is alleen, of de Schrift, zonder dat aan haar zin geweld wordt aangedaan, deze opvatting toelaat. Vroeger achtte men Jos. 10 : 12 met de ptolemeische wereldbeschouwing onvereenigbaar, thans wordt ze op dien grond door niemand meer verworpen; elk erkent, dat de woorden der Schrift eene andere opvatting toelaten, dan die vroeger voor de eenig ware werd gehouden. De profetische verwachtingen blijken in de werkelijkheid over veel langer tijdsruimten zich uit te strekken, dan de woorden waarin zij gekleed zijn, bij het eerste lezen doen vermoeden. De dag van Ihvh omvat een veel langer tijdperk, dan het woord zelf inhoudt. De apostelen spraken van een weinig tijds, het einde, den laatsten tijd, de laatste ure enz., en toch zijn sedert hun woord achttien eeuwen voorbijgesneld. Met het oog op dezen geheel eigenaardigen maatstaf, dien de H. Schrift telkens bij tijdsbepalingen aanlegt, is het apriori niet onmogelijk, dat ook de dagen in Gen. 1 als tijdperken zijn op te vatten. Maar er zijn ook positieve gegevens, die deze exegese niet noodzakelijk maar toch mogelijk maken. Op de telkens in de Schrift voorkomende uitdrukkingen: in de dagen van, ten einde van dagen (= na vele jaren), heel den dag (= altijd), ten dage dat (= toen) enz., wordt daarbij dikwerf te veel nadruk gelegd; de overdrachtelijke beteekenis van |480| het woord dag in Oud en Nieuw Test. b.v. Jes. 2 : 2, 11, 13 : 6 enz., Mt. 24 : 22, Luk. 10 : 12, Joh. 9 : 4, Hd. 2: 20, 17 : 31, Rom. 2 : 16, 1 Cor. 3 : 13, 1 Thess. 5 : 2, 4, heeft evenmin genoegzame bewijskracht; en het beroep op Ps. 90 : 4 en 2 Petr. 3 : 8 doet ook weinig ter zake. Maar wel is het volgende van belang. Vooreerst is het, gelijk boven werd aangetoond, in strijd met Gen. 1, om de creatio prima in den ongevormden toestand der aarde te brengen tot den eersten dag.. Indien men dat echter toch doet, wordt deze eerste dag toch in elk geval een geheel ongewone, die met de duisternis begint en welks duur niet te berekenen is. Ten tweede worden de eerste drie dagen van de creatio secunda ook volgens de bedoeling van Genesis naar een gansch anderen maatstaf berekend dan de volgende drie. Het wezen van dag en nacht bestaat niet in een korter of langer duur maar in de wisseling van licht en duisternis. Deze wisseling is voor de eerste drie dagen niet door de zon bewerkt, welke eerst op den vierden dag werd geschapen, maar is op eene andere wijze door het in vers 3 geschapen licht tot stand gekomen. Indien dit echter het geval is, is de lengte van die eerste drie dagen ook niet te bepalen. Ten derde vloeit daaruit voort, dat ook de volgende drie dagen op dezelfde wijze en in overeenstemming met de eerste drie dagen als tijdperken kunnen worden opgevat. Want wel zijn op den vierden dag zon, maan en sterren geschapen en is het op zichzelf dus mogelijk, dat het tweede drietal dagen door de rotatie der aarde is bepaald. Maar het scheppingsverhaal zegt wel, dat zon, maan en sterren toen gemaakt zijn en hunne bestemming voor de aarde hebben verkregen, maar het zegt met geen woord, dat die bestemming op dienzelfden dag terstond ten volle is bereikt. De scheppingsperiode zelve verkeerde in geheel andere omstandigheden, dan die na afloop van het scheppingswerk intraden. Eerst toen was alles afgeloopen en bepaald. Ten vierde is het zeer moeilijk, om op den zesden dag te plaatsen alwat Gen. 1 en 2 daarop laten geschieden. Op dien dag moet dan vallen de schepping der dieren, Gen. 1 : 24, 25, de formeering van Adam, Gen. 1 ; 26, 2 : 7, de planting van den hof, Gen. 1 : 8-14, de afkondiging van het proefgebod, Gen. 2 : 16, 17, de leiding der dieren tot en hunne naamgeving door Adam, Gen. 2 : 18-20, de slaap van Adam en de schepping van Eva, Gen. 2 : 21-23. Dit moge nu niet onmogelijk zijn, |481| waarschijnlijk is het toch niet. Ja, als de Schrift in Gen. 1 : 26-31 de schepping van Adam en Eva in éénen adem vermeldt en van alwat het tweede scheppingsverhaal daartusschen voegt, niet het minste gewag maakt en dan toch dat alles plaatst op den zesden dag, Gen. 1 : 31, is daarmede de mogelijkheid, dat de dagen tijdperken zijn, voldoende bewezen. Ten vijfde is het de bedoeling van Genesis niet, om aan te toonen, dat de schepping aller dingen juist in 6 x 24 uren, geen minuut korter of langer, heeft plaats gehad. Maar dag duidt in het scheppingsverhaal den tijd aan, waarin God scheppende werkzaam was. Met iederen morgen geeft Hij aan een nieuwe wereld het aanzijn; de avond treedt in, als Hij deze heeft tot stand gebracht. De scheppingsdagen zijn werkdagen Gods. Door een zesmaal vernieuwden arbeid heeft Hij de gansche aarde toebereid en den chaos in een kosmos veranderd. Dit wordt in het sabbatsgebod ons ten voorbeeld gesteld. Gelijk voor God, treedt ook voor den mensch na zesdaagschen arbeid de ruste in. Bij Israel was die scheppingstijd ook de grondslag voor de indeeling van het kerkelijk jaar. En voor heel de wereld blijft hij type van de aeonen dezer bedeeling, die eens in den wereldsabbat, in de eeuwige ruste eindigt, Hebr. 4. Ten zesde eindelijk is er op iederen scheppingsdag veel meer geschied, dan de sobere woorden van Genesis ons vermoeden doen. Gelijk in den dekaloog ééne enkele zonde vele andere onder zich begrijpt, zoo wordt ook in het scheppingsverhaal van iederen dag slechts het voornaamste genoemd, datgene, wat voor den mensch het bekendste en het belangrijkste is. De Schrift zelve bewijst dat, want het eerste scheppingsverhaal bevat niets van het paradijs, de naamgeving der dieren, Adams slaap enz., welke eerst in het tweede scheppingsverhaal worden vermeld. En voorts leert het natuuronderzoek ons allerlei schepselen kennen, waaraan de schrijver van Genesis geen oogenblik heeft gedacht; allerlei chemische elementen, vele delfstoffen en planten, en onderscheidene soorten van dieren, insecten, infusiediertjes, bacteriën, worden in Genesis niet genoemd. Zij moeten echter toch geschapen zijn, en dus in het hexaemeron eene plaats vinden. Op iederen dag is het scheppingswerk zeker veel grooter en rijker geweest, dan Genesis ons in zijn eenvoudig verheven verhaal bericht.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004