8. Deze vier pogingen, om Schrift en wetenschap in overeenstemming te brengen, zijn niet in elk opzicht aan elkander tegenovergesteld. Zelfs in de eerstgenoemde ideale theorie ligt nog eenige waarheid. Door allen toch wordt toegestemd dat de Schrift niet de taal der wetenschap maar der dagelijksche ervaring spreekt, dat zij ook bij het verhaal der schepping op geo- of anthropocentrisch standpunt staat, en dat zij daarbij geen les wil geven in geologie of eenige andere wetenschap, maar ook bij het verhaal van den oorsprong en de wording aller schepselen het boek der religie, der openbaring, der kennisse Gods blijft. Non legitur in Evangelio dominum dixisse: mitto vobis paracletum qui vos doceat de cursu solis et lunae; christianos enim facere volebat, non mathematicos, August. de actis c. Felice Man. I 10. Moses rudi populo condescendens secutus est, quae sensibiliter apparent, Thomas, S. Theol. I qu. 70 art. 4. S. Scriptura ex professo non tractat eas res, quas in philosophia cognoscimus, Alsted, Praecognita 181, cf. Voetius, Disp. V 131. Hettinger, Apol. III 196. Maar als de Schrift dan toch van haar standpunt uit, juist als boek der religie, met andere wetenschappen in aanraking komt en ook daarover haar licht laat schijnen, dan houdt ze niet eensklaps op Gods woord te zijn maar blijft dat. Ook als ze over de wording van hemel en aarde spreekt, geeft ze geen sage ot mythe of dichterlijke phantasie, maar ook dan geeft zij naar hare duidelijke bedoeling historie, die geloof en vertrouwen verdient. En daarom hield de christelijke theologie dan ook, op slechts enkele uitzonderingen na, aan de letterlijke, historische opvatting van het scheppingverhaal vast. Toch is het opmerkelijk, dat geene enkele confessie over het hexaemeron iets vaststelde en dat ook in de theologie allerlei uitleggingen naast elkander worden geduld. Augustinus vermaande reeds, om op dit terrein niet te spoedig iets met de Schrift in strijd te achten, om over deze moeilijke onderwerpen niet dan na ernstige studie mede te |477| spreken en om niet door onkunde zich belachelijk te maken in de oogen der ongeloovige wetenschap, de Gen. ad lit. I 18. 19. 20. 21, cf. ook Thomas, S. Th. I qu. 68 art. 1. De waarschuwing is door de theologen niet altijd trouw ter harte genomen. En toch kan de geologie ons uitnemenden dienst bewijzen bij de verklaring van het scheppingsverhaal. Gelijk de ptolemeische wereldbeschouwing de theologie gedrongen heeft tot eene andere en betere verklaring van den zonnestilstand in Jos. 10; gelijk Assyriologie en Egyptologie kostelijke bijdragen zijn voor de uitlegging der Schrift; gelijk de historie menigmaal de profetie eerst in hare ware beteekenis kennen doet; zoo dienen ook de geologische en palaeontologische onderzoekingen in deze eeuw tot beter verstand van het scheppingsverhaal. Men bedenke toch wel, dat de schepping en toebereiding van hemel en aarde een Goddelijk werk bij uitnemendheid is, een wonder in volstrekten zin, vol verborgenheden en geheimenissen. En toch wordt in Genesis dit werk op zoo eenvoudige en sobere wijze verhaald, dat er haast eene disharmonie schijnt te bestaan tusschen het feit zelf en de beschrijving ervan. Achter elken trek in het scheppingsverhaal ligt eene wereld van wonderen en machtsdaden Gods, die door de geologie in eene onoverzienbare reeks van verschijnselen voor onze oogen worden uitgestald. Van de feiten, door geologie en palaeontologie aan het licht gebracht, heeft de Schrift en de theologie dan ook niets te vreezen. Ook de wereld is een boek waarvan alle bladzijden door Gods almachtige hand zijn geschreven. De strijd ontstaat alleen daardoor, dat zoowel de tekst van het boek der Schriftuur als van dat der natuur dikwijls zoo slecht gelezen en verstaan wordt. De theologen gaan hier niet vrij uit, en hebben dikwerf in naam niet van de Schrift maar van hun eigen onjuiste opvatting de wetenschap veroordeeld. En de natuurvorschers hebben telkens de feiten en verschijnselen, die zij ontdekten, op eene wijze uitgelegd en in dienst van eene wereldbeschouwing gesteld, die noch door de Schrift noch door de wetenschap werd gerechtvaardigd. Voorshands zou het aanbeveling verdienen, dat de geologie, die betrekkelijk nog zulk eene jonge wetenschap is en wel reeds veel onderzocht heeft maar toch nog zoo eindeloos veel te onderzoeken heeft, zich bepaalde tot het verzamelen van materiaal en van het bouwen van conclusies en het opstellen van hypothesen afzag. Zij is daartoe nog |478| volstrekt niet in staat en moet nog langen tijd geduld oefenen, eer zij daartoe bevoegd en bekwaam is.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004