7. Natuurlijk zijn er verschillende pogingen tot verzoening beproefd. Eerst zij de ideale theorie genoemd, zoo geheeten, wijl ze alleen aan de idee, niet aan de letter van het scheppingsverhaal zich houdt. Zij ziet in Gen. 1 geen historisch verhaal |472| maar eene poetische beschrijving van de scheppende daad Gods. De zes dagen zijn geen chronologisch geordende tijdperken van langer of korter duur, maar alleen verschillende gezichtspunten van waaruit de ééne geschapene wereld telkens beschouwd wordt, om zoo aan den beperkten blik des menschen een beter overzicht te geven van het geheel. Aan de palaeontologie blijft het dus geheel overgelaten, om den tijd, de wijze en de orde van het ontstaan der verschillende perioden vast te stellen. Men kan zeggen, dat deze theorie voorbereid is door de allegorische exegese, die van oude tijden in de christelijke kerk ten aanzien van Gen. 1 gebruikelijk was. Op voorgang van Philo en met beroep op Sir. 18 : 1, Deus omnia simul creavit, leerden Origenes, Augustinus en vele anderen, dat God alle dingen in eens en tegelijk had geschapen; de zes dagen zijn geen werkelijk op elkaar volgende tijdperken maar ze duiden alleen den causalen samenhang, de logische orde der schepselen aan, en beschrijven, hoe de engelen successief van het geheel der schepping kennis hebben gekregen. En ook bij hen, die den letterlijken zin van het scheppingsverhaal vasthielden, speelde de allegorie toch telkens nog eene groote rol; de chaos, het licht, de term één dag in plaats van eerste dag; het ontbreken der Goddelijke goedkeuring aan het einde van den tweeden dag, het paradijs, de schepping van Eva enz. gaven aanleiding tot vernuftige vergeestelijkingen. Dergelijke allegoriseerende, mythologiseerende en rationaliseerende verklaringen van het scheppingsverhaal kwamen vooral in eere na de ontwaking der natuurwetenschap en werden toegepast door Hobbes, Spinoza, Beverland, Burnet, Bekker, Tindal, Edelmann, J.L. Schmidt, Reimarus e.a. Herder, Aelteste Urkunde des Menschengeschlechts, zag in Gen. 1 een schoon gedicht der oudste menschheid, dat, van den wordenden dag uitgaande, de zevendaagsche week bezong. De moderne philosophie en theologie is nog verder voortgeschreden, heeft met het scheppingsverhaal ook zelfs het scheppingsbegrip verworpen, en ziet in Gen. 1 eene mythe, die hoogstens nog een religieusen kern bevat. Christelijke theologen zijn zoover niet gegaan maar zijn toch dikwerf om religie en wetenschap te verzoenen, tot de allegorische opvatting van Augustinus teruggekeerd en geven de letterlijke en historische opvatting van Genesis 1 prijs. Daartoe behooren zeer veel Roomsche Godgeleerden, Michelis, Entw. der beiden ersten Kapitel der Genesis 1845 en verschillende |473| opstellen in zijn tijdschrift Natur u. Offenbarung 1855 f. Reusch, Bibel u. Natur S. 251 f. Schanz, Apol. des Christ. I 293 f. Scheeben, Dogm. II 105 f. H. Lüken, Die Stiftungsurkunde des Menschengeschl. 1876. Güttler, Naturforschung u. Bibel 1877. Hummelauer, B. Schäfer e.a. cf. Hettinger, Apol. III7 S. 206 enz.; maar ook tal van Protestantsche theologen zooals Zollmann, Bibel u. Natur in der Harmonie ihrer Offenbarungen 1869 S. 52 f. Dillmann, Comm. op Genesis. Riehm, Christ. und Naturwiss. Leipzig, Hinrich 1896. Steudel, Christ. u. Naturw. Gütersloh 1895. Vuilleumier, La première page de la Bible, Revue de théol. et de philos. Juillet 1896 p. 362-377. Sept. p. 393-418.

Eene tweede poging tot verzoening is de restitutietheorie. Deze zoekt tusschen openbaring en wetenschap daardoor overeenstemming, dat zij Gen. 1 : 2 en 3 vaneenscheidt, aan den chaos een langen duur van bestaan toeschrijft en daarin al die verschijnselen plaatst, welke de geologie aan de hand geeft. Het hexaemeron, dat met vers 3 begint, verhaalt alleen de herstelling en toebereiding der aarde voor den mensch. Zulk een vrij lange tijdruimte tusschen Gen. 1 : 1 en 2 werd reeds aangenomen door Episcopius, Instit.. theol. IV sect. 3 c. 3, Limborch, Theol. Christ. II c. 19-21 e.a., om alzoo plaats te krijgen voor den val der engelen. Ze werd in de vorige eeuw overgenomen door de rationalisten J.G. Rosenmüller, J.D. Michaelis, Reinhard; vond vooral in deze eeuw ingang bij de theosophen Oetinger, Hahn, St. Martin, Baader, Schelling, Fr. v. Meyer, Steffens, Schubert, Keerl, die daarin den val der engelen en de daardoor veroorzaakte verwoesting der schepping plaatsten; en is dan ook geleerd door Chalmers, kardinaal Wisemann, Zusammenhang zw. Wiss. u. Offenb., deutsch von Haneberg, 3te Aufl. 1866 S. 263 f. Vigouroux, Les livres saints III 442. Shedd, Dogm. Theol. I 474 enz.

Eene derde theorie, de concordistische, zoekt harmonie van Schrift en wetenschap te verkrijgen door de scheppingsdagen op te vatten als tijdperken van langeren duur. De exegese van de zes dagen leverde reeds vroeg bezwaar. Zon, maan en sterren waren eerst geschapen op den vierden dag; de drie daaraan voorafgaande dagen moesten dus in elk geval van een anderen aard zijn dan de laatste drie. Basilius verklaarde het zoo, dat God de drie eerste dagen bewerkte door eene emissie en contractie |474| van het op den eersten dag geschapen licht, Strauss, I 621. Maar deze verklaring bevredigde niet allen, b.v. niet Augustinus, die soms van zijne eigene Simultan-theorie afwijkt, de Gen. ad lit. I 16. Bovendien was er nog verschil over, of het scheppingswerk op iederen dag in één moment was voltooid, dan wel eerst in den loop van iederen dag successief tot stand kwam. Cartesius had nl. gezegd, dat uit den chaos zonder eenige scheppingsdaad Gods de res pure naturales zouden hebben kunnen voortkomen. Het denkbeeld van ontwikkeling was daarmede aan de hand gedaan. Enkele Cartesiaansche theologen, zooals Wittichius, Allinga, Braun leerden daarom, dat elk scheppingswerk een dag in beslag nam, cf. M. Vitringa II 95. Moor II 212. En Whiston zei reeds, dat de dagen moesten opgevat worden als jaren, en werd daarin door anderen gevolgd. Maar vader van de concordistische theorie is de abt Jerusalem geweest. Ze werd overgenomen door natuurkundigen als de Luc, Cuvier, Hugh Miller, Pfaff enz., door theologen als Lange, Delitzsch, Rougemont, Godet, Ebrard, Der Glaube au die H. Schrift und die Ergebnisse der Naturforschung 1861. Luthardt, Apol. Vorträge, 8 Aufl. 1878. Zöckler o.a. in Herzog2 13, 647, Brandt in Bew. d. Gl. 1867 S. 339 f., Hengstenberg, cf. Bew. d. Gl. 1867 S. 400 f., ook Roomschen als Heinrich, Palmieri, Simar, Dogm. 249, Pesch, Prael. III 40 enz. Dikwerf hebben velen deze theorie met de restitutie-theorie verbonden, en dan nog met eene overeenstemming in hoofdzaken zich tevreden gesteld. Hugh Miller b.v. liet de azoische periode samenvallen met Gen. 1 : 3, de palaeozoische met Gen. 1 : 6-13, de mesozoische met Gen. 1 : 14-23, de kainozoische met Gen. 1 : 24, Zöckler, Gesch. II 544.

De vierde theorie, eindelijk, die wel de antigeologische is genoemd, houdt de letterlijke en historische opvatting van Genesis 1 vast, en zoekt de resultaten der geologie ten deele te plaatsen in de zes scheppingsdagen, ten deele ook daarna in den tijd van Adam tot Noach, vooral ook in den zondvloed. Reeds van ouds werd de zondvloed van groote beteekenis geacht. Men redeneerde over het totale of partieele, dat altijd in discussie is geweest, over den bouw van de ark, over de hoogte van den vloed enz. Zöckler II 122 f. Maar geologische beteekenis kreeg de zondvloed eerst na Newton; Thomas Burnet gaf in 1682 zijne Theoria sacra telluris uit en nam daarin een zeer groot onderscheid aan |475| tusschen den tijd vóór en na den zondvloed; deze wordt bij hem de ondergang van eene oude en de geboorte van eene geheel nieuwe wereld. Het was een geweldige catastrophe, die heel de aardoppervlakte veranderde, oceanen en bergen het aanzijn gaf, aan het zachte lenteklimaat, aan de weelderige vruchtbaarheid, aan den buitengewonen levensduur der menschen vóór dien tijd een einde maakte en vooral bewerkte, dat de aardas, die voorheen parallel met de as der zon stond, schuin op de aardbaan kwam te staan. Deze geheel nieuwe theorie werd heftig bestreden, o.a. door Spanheim en Leydecker, maar werd toch ook verder ontwikkeld door Whiston, Clüver en vele anderen, Zöckler II 143-192. Tegen het einde der vorige eeuw werd deze diluvialistische theorie meer en meer prijsgegeven, maar ze bleef toch nog in eere bij vele rechtzinnige, beide Roomsche en Protestantsche theologen, cf. Keil, op Genesis, en voorts anderen bij Zöckler, II 470-482, 788 f. De voorstanders van deze poging tot verzoening blijven den zondvloed des bijbels vereenzelvigen met het diluvium of den ijstijd der geologie en oordeelen in verband daarmede, dat de vloed universeel was en over de gansche aarde zich uitstrekte. De meeste geologen en theologen, zooals Sedgwick, Greenough, Buckland, Hitchcock, Hugh Miller, Barry, Dawson, Diestel, Dillmann, Pfaff, Kurtz, Michelis, Reusch, Guttler, ook Kuyper, Heraut 929. 930. 962, zijn nu in den laatsten tijd wel van oordeel, dat de zondvloed des bijbels een geheel andere is geweest dan het diluvium der geologie en daarom ook als partieel moet worden opgevat; universeel kan hij slechts heeten, inzoover heel het menschelijk geslacht er door omkwam, ofschoon ook dit laatste door sommigen, zooals Cuvier, nog wordt ontkend. Maar het debat over dit belangrijk en moeilijk vraagstuk is nog lang niet ten voordeele van deze laatste meening beslist; de jongste studie over den zondvloed, van Martin Gander, is een krachtig pleidooi voor de diluvialistische opvatting. Cf. Zöckler, Gesch. der Bez. II 784-791. Id. in Herzog2 13, 645 f. Diestel, Die Sintflut, Deutsche Zeit- u. Streitfragen, n. 137. Kosters, De Bijb. Zontvloedsverhalen met de Babyl. vergeleken, Theol. Tijdschr. 1885 bl. 161v. 321v. Reusch, Bibel u. Natur 289 f. Schanz, Apol. I 341 f. Vigouroux, Les livres saints IV 239. Suess, Die Sintifluth, Leipzig 1883. Jürgens, War die Sintflut eine Erdbebenwelle? St. aus Maria Laach 1884. Howorth, Das Mammut und die Fluth, 1893. |476| Girard, Etudes de géologie biblique. Le déluge devant la critique histor. I Freiburg 1893. Schwarz, Sintflut und Völkerwanderungen, Stuttgart 1894. C. Schmidt, Das Naturereigniss der Sintfluth, Basel 1895. Zöckler, Neue Jahrb. f. deutsche Theol. 1895, Heft 3 en 4. Martin Gander, Die Sündflut in ibrer Bedeutung für die Erdgeschichte, Münster 1896.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004