6. Een zelfde verschil, als bij de vorming van ons wereldstelsel, doet zich voor bij de ontwikkelingsgeschiedenis der aarde. De geologie heeft op grond van de aardlagen en van de daarin gevonden fossilen van planten, dieren en menschen eene hypothese gebouwd over de ontwikkelingsperioden der aarde. Daarnaar is de oudste periode de azoische of die der Urformatie, waarin vooral de eruptieve steensoorten gevormd zijn en nog geen spoor van organisch leven gevonden wordt. Daarop is gevolgd de palaeozoische periode of die der primaire formatie, waarin behalve allerlei steensoorten vooral ook de steenkool gevormd wordt en ook reeds planten van de laagste soort en alle klassen van dieren |470| behalve vogels en zoogdieren worden aangetroffen. In de derde, mesozoische periode of die der secundaire formatie valt o.a. de krijtformatie en worden allerlei planten en dieren, ook de eerste eierleggende en zoogdieren, gevonden. De daaropvolgende tertiaire of kainozoische formatie loopt van de krijtformatie tot den ijstijd toe en doet behalve planten en land- en zoetwaterdieren vooral ook optreden de roofdieren en vele van de uitgestorven zoogdieren. Volgens een enkele, b.v. Burmeister, Gesch. der Schöpfung 7te Aufl. 1872 S. 612 leefde gelijktijdig met deze ook reeds de mensch in de tertiaire periode; maar volgens de meesten is de mensch eerst opgetreden aan het einde van dit tijdperk, na den ijstijd, in de quaternaire periode, Pfaff, Schöpfungsgesch. S. 485 f. Ulrici, Gott u. die Natur S. 353 f. Reusch, Bibel u Natur 184 f. Zittel, Aus der Urzeit, 2e Aufl. 1875 S. 537. Deze leer van de geologische perioden staat ongetwijfeld op veel vasteren bodem dan de hypothese van Kant; zij berust op gegevens, welke het onderzoek der aardlagen aan de hand doet. Hier draagt de strijd tusschen openbaring en wetenschap dan ook een veel ernstiger karakter. Op vele punten is er verschil en tegenspraak. Ten eerste in den tijd, en ten tweede in de orde, waarin de verschillende schepselen zijn ontstaan. Wat den tijd betreft, is het verschil zeer groot. De chronologie der LXX wijkt aanmerkelijk af van die van den hebr. tekst. De kerkvaders hielden zich dikwerf aan de grieksche vertaling en berekenden dan den tijd van de schepping der wereld tot de inneming van Rome door de Gothen op 5611 jaren, Eusebius, Augustinus de civ. XII 10. In later tijd, vooral sedert de Hervorming, gaf men algemeen aan de chronologie van den hebr. tekst de voorkeur en berekende dan, dat de schepping der wereld plaats gehad had in 3950 v.C. (Scaliger), of 3984 (Kepler, Petavius), 3943 (Bengel), 4004 (Usher); de Joden tellen thans het jaar 5658, cf. Zöckler, Die Lehre vom Urstand des Menschen 1879 S. 289 f. Schanz, Das Alter des Menschengeschlechts, Freiburg 1896 S. 1 f. Maar men beproefde nog nauwkeuriger berekening. Er was ernstige strijd over, of de schepping plaats had gehad in de lente of in den herfst; het eerste was het gevoelen van Cyrillus, Basilius, Beda, Cajetanus, Molina, Lapide, Luther, Melanchton, Gerhard, Alsted, Polanus, G.J. Vossius enz.; het tweede werd verdedigd door Petavius, Calvisius, Calov, |471| Danaeus, Zanchius, Voetius, Maresius, Heidegger, Turretinus e.a. Soms werd de datum nog nader bepaald, op 25 Maart of op 6 October, Voetius Disp. I 587. Hagenbach, D.G. 630 noot. Daartegenover plaatsen de geologen en natuurkundigen van dezen tijd hunne berekeningen, die gebouwd zijn op de rotatie der aarde in verband met hare afplatting aan de polen, de naar de oppervlakte steeds gestadig afnemende warmte der aarde, de vorming van de delta’s aan Nijl en Mississippi, de formatie van de aardlagen, van de verschillende steensoorten, vooral van de steenkool enz. Het zijn fabelachtige getallen, evenals bij sommige heidensche volken, die alzoo voor den ouderdom der aarde worden aangenomen. Cotta spreekt van eene onbegrensde tijdruimte, Lyell van 560 millioen, Klein van 2000 millioen, Helmholtz van 80 millioen, en zelfs Pfaff van minstens 20 millioen jaren, Pfaff, Schöpf. 640-666, Id. Das Alter der Erde, in de Zeitfr. des chr. Volkslebens VII. Peschel, Völkerkunde, 5te Aufl. S. 42-52. Haeckel, Nat. Schöpf. S. 340 f. Maar in de tweede plaats is er ook zeer groot verschil tusschen het scheppingsverhaal in Genesis en de meeningen van vele geleerden ten aanzien van de orde, waarin de geschapene wezens zijn ontstaan. Om slechts enkele punten te noemen: volgens de Schrift is wel het licht reeds geschapen op den eersten dag, maar ons zonnestelsel is eerst gevormd op den vierden dag, nadat op den tweeden en derden dag de aarde al toebereid en met een weelderigen plantengroei overdekt was; volgens de geologen is de orde juist omgekeerd. Volgens Genesis is op den derden dag wel het plantenrijk geschapen, maar dieren worden eerst geschapen op den vijfden dag; de geologie echter leert, dat in de primaire of palaeozoische periode ook reeds dieren van lagere soort en visschen voorkomen. Genesis verhaalt, dat alle waterdieren en alle vogelen geschapen worden op den vijfden, en alle landdieren met den mensch op den zesden dag, maar volgens de geologie behooren enkele zoogdieren ook reeds tot de secundaire of mosozoische periode. Zoo blijkt er dus op vele gewichtige punten verschil te bestaan.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004