9. Met deze natuur der engelen komt hun dienst en werkzaamheid overeen. Duidelijk maakt de Schrift daarbij onderscheid tusschen een buitengewonen en een gewonen dienst der engelen. De buitengewone dienst neemt eerst een aanvang na den val, en is noodzakelijk geworden door de zonde. Hij is een belangrijk element in de bijzondere openbaring. Wij zien de engelen het eerst optreden tot bewaking van den hof, Gen. 3 : 24, maar dan verschijnen ze en brengen openbaringen over, treden zegenend of straffend op in de geschiedenis der aartsvaders en der profeten, en door heel het O. Test. heen. Zij verschijnen aan Abraham, Gen. 18, Lot, Gen. 19, Jakob, Gen. 28 : 12, 32 : 1; zij dienen bij de wetgeving, Hebr. 2 : 2, Gal. 3 : 19, Hd. 7 : 53; zij nemen deel in den strijd van Israel, 2 Kon. 19 : 35, Dan. 10 vs. 13, 20; zij verkondigen Gods raad aan Elia en Eliza, aan Ezechiel, Daniel en Zacharia. Als om te weerleggen, dat ze geen overblijfsels uit het polytheisme zijn en niet tot een praehistorisch tijdperk behooren, neemt hun buitengewone dienst in de dagen des N.T. nog toe. Zij komen voor bij de geboorte van, Jezus, Luk. 1 : 13, 30, 2 : 10, bij zijne verzoeking, Mt. 4 : 11, vergezellen hem gedurende heel zijn aardsche leven, Joh. 1 : 52, en verschijnen vooral bij zijn lijden, Luk. 22 : 43., opstanding, Mt. 28 en hemelvaart, Hd. 1 : 10. Daarna treden zij nog enkele malen op in de geschiedenis der apostelen, Hd. 5 : 19, 12 : 7, 13, |446| 8 : 26, 27 : 23, Op. 1 : 1, om dan den buitengewonen dienst te staken en eerst weer op te treden bij de wederkomst van Christus, Mt. 16 : 27, 25 : 31, Mk. 8 : 38, Luk. 9 : 26, 2 Thess. 1 : 7, Judas 14, Openb. 5 : 2 enz., waarbij zij strijd voeren tegen Gods vijanden, Op. 12 : 7, 1 Thess. 4 : 16, Judas 9, de uitverkorenen verzamelen, Mt. 24 : 31, en de goddeloozen in het vuur werpen, Mt. 13 : 41, 49. De buitengewone dienst der engelen bestaat dus daarin, dat zij de heilsgeschiedenis in haar keerpunten begeleiden. Zij brengen dat heil niet zelven tot stand, maar zij nemen toch deel aan de historie van dat heil. Zij brengen openbaringen over, beschermen Gods volk, bestrijden zijne vijanden, en doen allerlei dienst in het rijk Gods. Altijd zijn ze daarbij werkzaam op het terrein der gemeente; ook waar ze macht krijgen over de natuurkrachten, Op. 14 : 18, 16 : 5, of in de lotgevallen der volken ingrijpen, geschiedt dit in het belang der gemeente. Daarbij verdringen zij nooit de souvereiniteit Gods, noch ook zijn ze bemiddelaars der gemeenschap Gods met den mensch. Maar zij zijn gedienstige geesten in het belang van hen, die de zaligheid beërven zullen. Zij dienen God in het rijk der genade, niet in dat der natuur. Deze buitengewone dienst is daarom vanzelf ook opgehouden met de voltooiing der openbaring. Terwijl zij vroeger telkens bijzondere openbaringen hadden over te brengen en tot de aarde nederdaalden, zijn ze nu veeleer ons ten voorbeeld en klimmen wij tot hen op. Zoolang de bijzondere openbaring nog niet was voltooid, naderde de hemel de aarde en daalde Gods Zoon tot ons neder. Nu is Christus verschenen, en het woord Gods is volkomen tot ons gesproken. Zoo zien de engelen dan naar de aarde heen, om van de gemeente te leeren de veelvuldige wijsheid Gods. Wat zouden engelen ons nog geven kunnen, nu God zelf zijn eigen Zoon ons schonk?

Maar de Schrift spreekt ook nog van een gewonen dienst der engelen. Allereerst behoort daartoe dat zij God loven dag en nacht, Job 38 : 7, Jes. 6, Ps. 103 : 20, 148 : 2, Op. 5 : 11; en de Schrift geeft den indruk, dat zo. dat doen in hoorbare klanken, al is het ook, dat wij van het spreken en zingen der engelen ons geen voorstelling kunnen maken. Maar tot dien gewonen dienst behoort ook, dat zij zich verheugen over de bekeering van den zondaar, Luk. 15 : 10, waken over de geloovigen, Ps. 34 : 8, 91 : 11, de kleinen beschermen, Mt. 18 : 10, in de gemeente |447| tegenwoordig zijn, 1 Cor. 11 : 10, 1 Tim. 5 : 21, haar volgen op hare gangen door de geschiedenis, Ef. 3 : 10, door haar zich laten onderwijzen, Ef. 3 : 10, 1 Petr. 1 : 12 en de geloovigen dragen in Abrahams schoot, Luk. 16 : 22. Zij zijn alzoo werkzaam coram Deo consistendo, hominibus piis assistendo, atque diabolis et hominibus malis resistendo, Hollaz, p. 390. De Schrift blijft doorgaans bij deze algemeene beschrijving van den gewonen dienst der engelen staan en daalt niet in bijzonderheden af. Maar de theologie heeft zich daarmede niet tevreden gesteld; ze heeft dien op allerlei wijze gespecialiseerd. Vooral geschiedde dit in de leer der beschermengelen. De Grieken en Romeinen hadden iets dergelijks in hunne daimonev en genii; niet alleen schreef men aan iederen mensch een goeden en een kwaden genius toe, maar men had ook geniën van huizen, familiën, genootschappen, steden, landen, volken, van aarde, zee, wereld enz., De Joden namen zeventig volken-engelen aan met beroep op Deut. 32 : 8 en Dan. 10 : 13, en gaven voorts aan elken Israëliet een engel tot geleide, Weber, System 161 f. De christelijke theologie nam dit spoedig over. De Pastor. van Hermas, Mand. VI 2 kent aan iederen mensch twee engelen toe, e³v tjv dikaiosunjv kai e³v tjv ponjriav en stelde voorts ook heel de schepping en den ganschen bouw der kerk onder de hoede der engelen, Vis. III 4. Met voorliefde werd deze leer der beschermengelen ontwikkeld door Origenes. Soms heeft ieder mensch bij hem een goeden en een kwaden engel; soms voegt hij er aan toe, dat alleen de goede engelen van de gedoopte Christenen het aangezicht Gods zien; of ook zegt hij, dat alleen de Christenen en de deugdzamen een beschermengel hebben, en dat ze al naar gelang van hun verdienste een lageren of hoogeren engel tot leidsman ontvangen. Maar voorts neemt hij ook bijzondere engelen aan voor kerken, landen, volken, voor kunsten en wetenschappen, voor planten en dieren; zoo is Raphael de engel der genezing, Gabriel van den oorlog, Michael van het gebed enz., cf. de princ. I 8. III 3. c. Cels. V 29. VIII 31 enz. En zoo leerden zakelijk alle kerkvaders, al was er verschil over, of alle menschen dan wel alleen de Christenen een beschermengel hadden; of ieder mensch alleen een goeden of ook een kwaden engel had; wanneer de beschermengel aan den mensch geschonken werd, bij de geboorte of bij den doop, en wanneer hij van hem genomen werd, bij het bereiken der volmaaktheid |448| of eerst bij den dood. Bij allen stond ook vast, dat er niet alleen beschermengelen der menschen zijn maar ook van landen, volken, kerken, diocesen, provinciën enz., Schwane, D.G. II2 244. Later werd deze bescherming der engelen ten deele beperkt en ten deele nog uitgebreid. Beperkt, in zoover sommigen op het voetspoor van Pseudodionysius, de coel. hier. c. 13 leerden, dat de drie hoofdklassen der engelen, cherubim, serafim en tronen, God alleen dienden in den hemel, Thomas, S. Theol. I qu. 112. Uitgebreid, inzoover de scholastiek heel de voorzienigheid Gods in natuur en geschiedenis, inzonderheid in de beweging der sterren, door engelen bemiddeld dacht, Thomas, S. Theol. I qu. 70 art. 3. qu. 110 art. 1. S. c. Gent. III 78 sq. Bonaventura, Sent. II dist. 14 p. 1 art. 3 qu. 2. Beschermengelen van menschen worden door de Roomsche theologen algemeen aangenomen en worden ook in den Catech. Rom. IV c. 9 qu. 4 en 5 erkend. Maar overigens is er over al de bovengenoemde punten onder hen groot verschil van gevoelen, cf. Petavius, de ang. II c. 6-8. Becanus, Theol. schol. tract. III de angelis c. 6. Theol. Wirceb. Paris. 1880 III 480. C. Pesch, Prael. dogm. III 210. Oswald, Angelologie 120 f. enz. Dezelfde leer vinden wij bij Luther, cf. Köstlin, Luthers Theol. II 345; maar de Luthersche theologen waren meest voorzichtiger, Gerhard, Loci theol. V cap. 4 sect. 15. Quenstedt, Theol. did. pol. I 450. Hollaz, Syst. theol. p. 390. Calvijn verwierp de angeli tutelares, Inst. I 14, 7. Comm. op Ps. 91, Mt. 18 : 10 en de meeste Geref. volgden hem, zie vooral Voetius, Disp. I 897 sq.; slechts enkelen namen beschermengelen van menschen aan, Zanchius, Op. III 142 sq. Bucanus, Inst. theol. VI 28. Maccovius, Loci Comm. p. 394. Rivetus, Alsted, Vossius, ook Hugo Grotius op Mt. 18 : 10, cf. Heppe, Dogm. der ev. ref. K. 155. M. Vitringa II 117. In den nieuweren tijd heeft de leer der beschermengelen weer steun gevonden bij Hahn, Weiss, Bibl. Theol. des N.T. 594. Ebrard, Dogm. § 239. Vilmar, Dogm. I 310. Martensen, Dogm. § 69 e.a. Voorts word de gewone dienst der engelen ook nog daarin nader bepaald, dat zij met hunne voorbede voor de geloovigen op aarde ten goede werkzaam waren in den hemel. Ook dit werd reeds door de Joden, en ook door Philo geleerd, en dan door Origenes, c. Cels VIII 64 en de kerkvaders overgenomen en in de Roomsche symbolen vastgesteld, Catech. Rom. III c. 2 qu. 5 n. 2. Ook de Luthersche belijdenisschriften spreken |449| nog van deze voorbede, Apol. Conf. art. 21. Art. Smalc. II 2, en evenzoo de Luth. dogmatici, Philippi, Kirchl. Gl. II 324. Daarentegen werd ze door de Gereformeerden eenparig verworpen.

Voor dezen specialen dienst van bescherming en voorbede beroept men zich op enkele plaatsen der Schrift, vooral Deut. 32 : 8, Dan. 10 : 13, 20, Mt. 18 : 10, Op. 1 : 20, 2 : 1 enz., Job 33 : 23, Zach. 1 : 12, Luk. 15 : 7, Op. 18 : 3, en vooral ook op Tobias 12 : 12-15. Op zichzelve is deze leer van de bescherming en van de voorbede der engelen niet verwerpelijk. Dat God evenals in de bijzondere, zoo ook in de algemeene openbaring zich dikwerf of zelfs geregeld van engelen bedient, is op zichzelf niet onmogelijk; en evenmin is het ongerijmd, dat de engelen voor de menschen hunne gebeden opzenden tot God, daar zij toch belang stellen in hun lot en de gangen van het koninkrijk Gods in de geschiedenis der menschheid nagaan. Maar, hoe weinig er op zichzelf tegen in te brengen zij, de Schrift neemt in betrekking tot bescherming en voorbede der engelen eene soberheid in acht, welke ons ten regel moet zijn. In Deut. 32 : 8 lezen we, dat God bij de scheiding der volken reeds gedacht heeft aan zijn volk Israel en hunne woning bepaalde l'rHy-ynb rpsml, naar het getal der kinderen Israels, d.i. zoo, dat Israel naar zijn getal eene genoegzame erve ontving: De LXX heeft echter deze woorden vertaald door kata ‡riqmon ‡ggelwn en gaf daardoor aanleiding tot de leer der volkenengelen. De oorspronkelijke tekst leert hier echter niets van en valt dus als bewijsplaats geheel weg. Iets anders is het met Daniel 10 : 13, 20, Daar wordt gezegd, dat de in vs. 5 aan Daniel verschijnende gestalte stond tegenover den vorst van Perzie en, geholpen door Michael, die een der eerste vorsten vs. 13, de groote vorst voor de kinderen Israels 12 : 1, 10 : 21 genoemd wordt, dien vorst van Perzie verdreef en bij de koningen van Perzie zijne plaats innam. Calvijn en de Geref. dachten bij dien vorst van Perzie gewoonlijk aan de Perzische koningen. Maar het schijnt, dat onder dien vorst toch iets anders, nl. de beschermgeest van Perzie moet worden verstaan. Want vooreerst is er geen twijfel aan, of Israel heeft zulk een beschermengel in Michael, die zijn vorst heet, 10 : 13, 21, 12 : 1; ten tweede worden de koningen van Perzie in 10 : 13 duidelijk van dien vorst onderscheiden; en ten derde eischt de analogie, dat de geestelijke macht aan de eene zijde strijd voert tegen eene |450| geestelijke macht aan den anderen kant. Het boek Daniel geeft ons dus werkelijk de voorstelling, dat de strijd tusschen het rijk Gods en de koninkrijken der wereld niet alleen hier op aarde maar ook in het rijk der geesten tusschen de engelen gestreden wordt. Meer mag en kan er niet uit worden afgeleid. Er ligt volstrekt niet in, dat elk land en volk zijn eigen engel heeft. Maar bij den geweldigen kamp, die er tusschen Israel en Perzie, dat is hier wezenlijk tusschen ’t rijk Gods en dat van Satan gestreden wordt, treden er aan weerszijde engelen op, die deelnemen aan den kamp en de volken ondersteunen. Nog veel minder kan uit Op. 1 : 20 enz. worden afgeleid, dat iedere gemeente haar engel heeft, want onder de ‡ggeloi der zeven gemeenten zijn niets anders dan hare leeraren te verstaan; ze worden toch geheel beschouwd als representanten der gemeenten; het zijn hunne werken, die geprezen of gelaakt worden; aan hen worden de brieven geschreven. Den meesten steun vindt de leer der beschermengelen in Mt. 18 : 10, welke tekst ongetwijfeld inhoudt, dat eene bepaalde klasse der engelen belast is met de bescherming der kleinen, maar waar toch in het minst niet staat, dat aan elken uitverkorene een engel is toegevoegd. Dit wordt alleen gevonden in het apocriefe boek Tobias. Maar daarmede verraadt deze leer der beschermengelen ook haren oorsprong. Zij is wezenlijk van heidensche afkomst. Zij leidt bovendien tot allerlei spitsvondige vragen en ijdele kwestiën. Zij weet niet, of aan iederen mensch b.v. zelfs nog aan den antichrist, gelijk Thomas meende, I qu. 113 art. 4, of alleen aan de uitverkorenen een engel wordt toegevoegd., of alleen een goede of ook een kwade engel allen vergezelt, wanneer hij aan iemand geschonken en van hemgenomen wordt, wat zijn dienst is enz. Daarom mogen wij niet verder gaan, dan dat aan bepaalde klassen der engelen ook de behartiging van bepaalde belangen op aarde is opgedragen. En evenzoo is het met de voorbede der engelen; ze wordt geleerd in Tobias 12 : 16, maar komt in de Schrift niet voor. In Job 33 : 23 is van den Angelus increatus sprake. Luk. 15 : 7 leert wel, dat de engelen zich over de bekeering eens zondaars verheugen en onderstelt dus ook wel, dat zij die wenschen, maar spreekt toch van geen voorbede in eigenlijken zin. En in Op. 8 : 3 ontvangt een engel wel een wierookvat met reukwerk, om de in zichzelf zondige gebeden der heiligen liefelijk en aangenaam te maken voor den Heere; |451| maar van voorbede wordt ook hier met geen woord melding gemaakt. De engel is eenvoudig dienaar, hij richt het altaar niet op, hij bereidt het reukwerk zelf niet maar ontvangt het, en laat alleen de gebeden met dat reukwerk opstijgen tot God. Hij verricht een dergelijken dienst als de serafim in Jes. 6 : 6, 7.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004