Gereformeerde Dogmatiek

door Dr. H. Bavinck

Derde deel

Kampen (J.H. Bos) 1898

a



Onder de bewerking der uitgebreide stof is het mij onmogelijk gebleken, om de belofte te houden, welke ik in de voorrede van het eerste deel afgelegd had. b Deze „Gereformeerde Dogmatiek” is niet in drie, maar wordt in vier deelen compleet. Het vierde deel zal van gelijken omvang als de vorige zijn, en waarschijnlijk na verloop van een jaar verschijnen kunnen. Ik hoop, dat deze uitbreiding voor de inteekenaren en lezers van dit werk geen teleurstelling zal zijn.


B.




Inhoud.

VI. Over de wereld in haar gevallen staat

§ 35. De voorzienigheid.

1. Het werk der schepping gaat in het werk der voorzienigheid over, dat in de H.S. duidelijk geleerd wordt maar ook ten deele uit de natuur bekend is.

2. Toch is de christelijke leer der voorzienigheid eene andere dan die der wijsbegeerte, al ontleende zij daaraan ook den in de H.S. niet gebruikelijken naam. Want de providentia, als executio ordinis van de bij den raad Gods behoorende ratio ordinis wel te onderscheiden, is geen nuda praescientia maar eene almachtige en alomtegenwoordige daad Gods,

3. die noodlot en toeval, pantheisme en deisme beide vermijdt,

4. als onderhouding zoowel het verband met als het onderscheid van de schepping handhaaft,

5. als medewerking de eigen natuur der schepselen met hare causae secundae juist door hunne volstrekte afhankelijkheid van God waarborgt,

6. en als regeering heel de schepping, ook door den val in zonde heen, heenleidt tot het door God vastgestelde einde.


§ 36. De oorsprong der zonde.

1. De oorsprong der zonde ligt volgens de H.S. niet in God, al schiep Hij ook de mogelijkheid der zonde, maar in vrijwillige overtreding van Gods gebod, waartoe de mensch wederom door den gevallen engel verleid werd.

2. Ofschoon zulk een val buiten de bijzondere openbaring niet geheel onbekend is, heeft men de zonde toch gewoonlijk anders trachten te verklaren,

3. hetzij deistisch uit den altijd vrij en onschuldig blijvenden wil, zooals ook Pelagius deed,

4. of pantheistisch uit de natuur der dingen, en wel uit de zinlijkheid van den mensch, of uit den kosmos, of uit God.

5. Al deze verklaringen echter zijn onbevredigend, zoowel die uit den altijd vrijen wil en uit de zinlijkheid,

6. als die uit de wereld en uit God.

7. Wel gaat Gods voorzienigheid ook over de zonde, en niet met eene nuda doch met eene efficax permissio. Maar de zonde, waarbij de materia en de forma wel te onderscheiden zijn, heeft toch in God niet haar causa efficiens.

8. Hij wilde, dat zij zijn zou, maar Hij wilde ze niet als zonde en niet op dezelfde wijze, als Hij het goede wil en als menschen haar willen.

9. De oorsprong der zonde ligt in den wil van het schepsel, dat veranderlijk goed en met de mogelijkheid, om te zondigen, geschapen was, en die mogelijkheid op onbegrijpelijke wijze in werkelijkheid deed overgaan.

10. Deze val was niet eeuwig en had ook niet in het moment der scheping maar, hetzij langer of korter tijd na de schepping, eerst bij de engelen en daarna bij de menschen plaats.


§ 37. Het wezen der zonde.

1. De eerste zonde sloot reeds alle andere in zich en maakte haar waren aard openbaar,

2. die volgens de namen en de beschrijving van de zonde in de H.S. in ‡nomia bestaat en dus haar maatstaf heeft in Gods wet.

3. Dienovereenkomstig vatte de christelijke kerek de zonde, tegen alle richtingen die in haar eene substantie of een noodzakelijk, voorbijgaande ontwikkelingsmoment zagen, als eene privatio op,

4. die daarom alleen aan het goede kan bestaan, als eene deformitas te beschouwen is en den wil tot haar eigenlijk subject heeft.

5. Ofschoon één in wezen, zijn de zonden toch in graad onderscheiden. Er zijn duivelsche en menschelijke zonden,

6. en de laatste verschillen weer, naarmate zij met meer of minder kennis en opzet, tegen God of den mensch, in verzwarende of verzachtende omstandigheden gepleegd zijn. Daarom zijn ze ook verschillend in te deelen, maar de Roomsche onderscheiding in peccata mortalia en venialia is te verwerpen,

7. en de lastering tegen den H. Geest draagt een bijzonder karakter.


§ 38. De verbreiding der zonde.

1. Schrift en ervaring leeren beide, dat de zonde gansch algemeen is, en dus over alle menschen en in den enkelen mensch over zijn gansche wezen zich uitbreidt, en dat krachtens hun afstamming uit den eersten mensch.

2. De christelijke kerk bouwde daarop de leer der erfzonde, die door het Pelagianisme wel geloochend,

3. en door het Semipelagianisme verzwakt werd,

4. maar vooral door Augustinus ontwikkeld en verdedigd, en, na miskenning door Rome,

5. door de Reformatie weder opgenomen werd.

6. Tot recht verstand is de erfzonde te onderscheiden in peccatum originans en peccatum originatum; de eerste is de toerekening van Adams zonde aan al zijne nakomelingen op grond niet alleen van hun physische maar ook van hun foederale eenheid.

7. De tweede is een gevolg en in zekeren zin een straf der eerste, bestaande in algeheele zedelijke verdorvenheid,

8. die niet door imitatie maar door generatie, gelijk ook de nieuwere leer der herediteit tot op zekere hoogte erkent, het deel van alle menschen wordt,

9. ook van Maria doch niet van Christus,

10. en in den enkelen mensch ziel en geest en lichaam en alle vermogens en krachten heeft aangetast en hem onbekwaam maakt tot alle geestelijk goed.


§ 39. De straf der zonde.

1. De straf, welke door God op de eerste zonde gedreigd werd, is door tusschennkomende genade uitgesteld en gewijzigd. Maar toch wordt zij, ook reeds op aarde, ten deele voltrokken, tot herstel en handhaving van het recht Gods,

2. en bestaat altijd in zeker lijden, dat den overtrerder toegevoegd wordt en hem buigen doet onder het recht.

3. Zij omvat schuld, d.i. verbintenis tot straf,

4. smet, d.i. zedelijke verdorvenheid,

5. lijden naar lichaam en ziel,

6. dood, d.i. scheiding van ziel en lichaam,

7. en heerschappij van Satan.


VII. Over Christus.

§ 40. Het verbond der genade.

1. De genade neemt terstond na den val een aanvang, mengt zich zelfs in de straf over de zonde, en krijgt terstond het karakter van een verbond,

2. dat dan later meer formeel bij Noach, Abraham en Israel aan den Sinai opgericht wordt en allengs steeds duidelijkers als eene Goddelijke beschikking, als eene diaqjkj, aan het licht treedt.

3. Deze bondsidee ging uit de Schrift in de theologie over en werd daar, ter handhaving van de eenheid en het onderscheid tusschen Oud en Nieuw Testament, eerst tegen Gnosticisme en Judaisme,

4. en later, vooral door de Gereformeerden, tegen het Anabaptisme verdedigd en tot rijkere ontwikkeling gebracht.

5. Voor kerk en theologie heeft deze leer van het genadeverbond dan ook de grootste beteekenis. Het rust op het pactum salutis,

6. het staat in verband met het foedus gratiae in ruimer zin, dat met heel de gevallen wereld opgericht is,

7. het handhaaft de eenheid en het onderscheid in de bedeeling der genade onder Oud en Nieuw Testament,

8. het is louter genade en ligt vast in God alleen, zoodat het, schoon het verbroken werkverbond in zich opnemend, toch daarvan onderscheiden is en ook niet met het pactum salutis identisch is,

9. het handhaaft Gods souvereiniteit in het werk der verlossing en doet tevens, ofschoon geen eischen in eigenlijken zin kennende, de redelijke en zedelijke natuur des menschen tot haar recht komen; en laat eindelijk de verkiezing zich realiseeren door de geslachten, door het organisme der menschheid heen.


§ 41. De persoon des Middelaars.

1. Het verbond der genade heeft in Christus een middelaar der verzoening, die zelf door zijn Geest in Israel met zijne instellingen en ambten, vna zijn eigen persoon en werk vooraf getuigen liet,

2. en dan in de volheid des tijds op aarde verscheen, het koninkrijk der hemelen stichtte en als Zoon Gods en Zoon des menschen, beide in geheel eenigen zin, zich openbaarde.

3. De gegevens der Schrift verzamelend en Ebionitisme en Gnosticisme tegelijk vermijdend, kwam de christelijke kerk weldra tot de belijdenis der persoonlijke eenheid van de twee naturen in Christus,

4. welke echter in de Grieksche en Roomsche, in de Luthersche en Gereformeerde weder verschillend opgevat,

5. en door allerlei richtingen rechts en links, vooral ook in de nieuwere theologie (Kant, Schleiermacher, Ritschl c.s.) bestreden werd.

6. Dit verwondert niet, omdat de persoon van Christus, wel niet uitgangspunt maar toch middelpunt is van Schrift, religie en dogmatiek. De incarnatie, die apriori op pantheistisch en deistisch standpunt onaannemelijk is, onderstelt de triniteit en bepaaldelijk daarin de eeuwige generatie, want de persoon des Zoons is mensch geworden.

7. Zij onderstelt voorts de creatie, ook al is zij niet onmiddellijk met deze gegeven en al is de leer van de vleeschwording buiten de zonde verwerpelijk.

8. Zij onderstelt eindelijk de revelatie onder Israel met de verkiezing en toebereiding van Maria als moeder van Jezus, ook al is hare onbevlekte ontvangenis in de Schrift niet geleerd.

9. Toch, al sluit Christus in zijne vleeschwording bij de voorafgaande openbaring zich aan, Hij is geen product van het verleden, maar bestond persoonlijk van eeuwigheid en was en bleef waarachtig God,

10. die de menschelijke natuur aannam door ontvangenis van den H. Geest

11. en door geboorte uit Maria,

12. en die daarom, in tegenstelling met het Docetisme, waarachtig, en, in tegenstelling met Apollinaris, volkomen mensch was,

13. zoodat God en mensch, twee onderscheidene naturen, ongedeeld en ongescheiden (tegen Nestorius), onveranderd en onvermengd (tegen Eutyches) in Hem vereenigd zijn.

14. Deze vereeniging is daarom niet anders dan als eene personeele te denken, als vereeniging van den persoon des Zoons met eene onpersoonlijke menschelijke natuur,

15. en brengt noodzakelijk mede de communicatio idiomatum, de communicatio apotelesmatum en de communicatio charismatum, die vooral in de Geref. theologie, tot handhaving van de waarachtig menschelijke natuur van Christus, ontwikkeld werd,

16. en ten slotte ook nog den honor adorationis.


§ 42. Het werk van den Middelaar.

1. Onder alle volken komen heilige personen, profeten, koningen en vooral priesters voor, die door offeranden de gemeenschap met God bewerken en in stand houden.

2. Ook onder Israel was een priesterstand verkoren en waren offeranden door God voorgeschreven, die duidelijk eene typische beteekenis hadden en heenwezen naar de ware offerande van den knecht des Heeren, die de waarachtige priester en tevens de ware profeet en koning zou zijn.

3. Volgens het N.T. is Jezus, de zoon van Maria, deze knecht des Heeren, die in zijn drievoudig ambt het groote werk Gods volbrengt, als profeet de wet en het evangelie verkondigt, als priester door zijne zelfovergave, die alle offers des O.T. vervult, voor de zijnen de gansche zaligheid verwerft, en deze als koning hun toepast.

4. Dit werk van Christus werd in de christelijke theologie verschillend beschreven, nu eens meer als verlichting of als mededeeling van nieuw leven, dan weer als loskooping van de macht van Satan of als voldoening aan Gods recht. De laatste voorstelling won vooral door Anselmus ingang en ging, ofschoon belangrijk gewijzigd, over in de Protestantsche theologie.

5. Maar zij werd bestreden niet alleen door allerlei mystieke, maar ook door vele rationalistische richtingen, en vooral door de Socinianen, die alles aanvoerden wat er tegen de leer der voldoening te zeggen viel.

6. In de nieuwere philosophie en theologie werd zij daarom geheel verworpen of in mystischen of ethischen zin gereconstrueerd.

7. Maar reeds door zijne namen wordt Jezus aangeduid als de middelaar Gods en der menschen, die dit was naar zijne beide naturen, die van eeuwigheid reeds door den Vader tot profeet, priester en koning gezalfd was en deze ambten ook reeds bediende in de dagen des O.T.,

8. zoodat de leer van het munus triplex ten onrechte door Ritschl e.a. bestreden is.

9. Als zoodanig is Christus eene openbaring van Gods liefde maar tegelijk van zijne gerechtigheid, die met de liefde niet strijdt,

10. en in verband met Gods heilige natuur, met de schrikkelijkheid der zonde, met het onverbreekbaar karakter der zedewet de voldoening noodzakelijk maakt.

11. De Socinianen c.s. hebben deze noodzakelijkheid wel bestreden, maar daarmede eene valsche tegenstelling tusschen recht en genade gemaakt.

12. De offerande der voldoening, welke Christus bracht, bestond in zijne volmaakte gehoorzaamheid, die niet uitsluitend, gelijk vroeger dikwerf, o.a. met Piscator, als passieve te denken is maar ook de actieve omvat,

13. en ook niet uitsluitend, zooals veelal in de nieuwere theologie, als actieve mag opgevat worden doch ook de passieve inhoudt.

14. Deze gansche gehoorzaamheid draagt het karakter eener satisfactio en wel van een satisfactio vicaria,

15. die tegen allerlei bedenkingen nadere verklaring en verdediging behoeft,

16. en wier mogelijkheid door den weg des verbonds wordt geopend.

17. Christus volbracht dit werk in den staat der vernedering, van zijne ontvangenis af tot de nederdaling ter helle toe,

18. verwierf erdoor de gansche zaligheid met al de daaronder begrepen weldaden van verzoening (³lasmov en katallagj), rechtvaardig-, heilig-, heerlijkmaking, die daarom niet tot één enkel begrip van satisfactio, meritum, Erlösung of Versöhnung kunnen beperkt worden,

19. en Hij verwierf deze, niet voor alle schepselen of menschen, gelijk de universalisten beweerden en de Gereformeerden over het algemeen bestreden,

20. maar voor zijne gemeente, zooals de Schrift duidelijk leert,

21. al is het ook dat het werk van Christus voor heel de schepping beteekenis heeft.

22. Dit werk, in den staat der vernedering volbracht, voert Christus uit en past Hij toe in den staat der verhooging met zijne verschillende trappen, die allereerst voor Christus zelven het loon op zijn arbeid was,

23. maar voorts ten goede komt van zijne gemeente, want ook in den hemel blijft Hij haar profeet, priester en koning, totdat Hij de gansche herschepping tot stand heeft gebracht.


VIII. Over de weldaden des Verbonds.

§ 43. De Heilsorde.

1. Terwijl in de heidensche godsdiensten de mensch zijn eigen zaligheid moet uitwerken, is het in de H.S. God zelf, die den mensch opzoekt, hem in den weg des verbonds uit genade zijne weldaden meedeelt en dan op grond daarvan hem tot eene nieuwe gehoorzaamheid verplicht.

2. Als Jezus optreedt met het evangelie des koninkrijks, stelt Hij geen anderen eisch dan dien van geloof en bekeering, welke ook zelve weer genadegaven Gods zijn. Want Hij is het zelf, die door zijn dood al de goederen des koninkrijks voor de zijnen verwierf en ze nu van uit den hemel hun meedeelt door den H. Geest als werkmeester van het geloof en van een nieuw leven.

3. Deze leer der genade werd in de christelijke theologie reeds spoedig, vooral door Pelagius, ten bate van de wilsvrijheid, verzwakt,

4. en kwam, niettegenstaande de krachtige verdediging van Augustinus en in weerwil van de handhaving der gratia praeveniens,

5. ook in de Roomsche theologie, van wege de semipelagiaansche richting, welke zij meer en meer insloeg, niet tot haar recht.

6. De Luthersche Reformatie kwam daartegen in verzet maar verviel toch spoedig weer tot het synergisme.

7. Veel beter werd de leer der genade, ook in de toepassing des heils, door de Gereformeerden gehandhaafd,

8. maar naast hen kwamen toch de richtingen van mysticisme en rationalisme, van antinomianisme en neonomianisme op,

9. die de toepassing des heils met de verwerving vereenzelvigden of er haar geheel van losmaakten,

10. en ook in de nieuwe philosophie en theologie nog nawerken.

11. De heilsorde echter, welke den weg aanwijst, waarlangs de zondaar in het bezit van Christus en zijne weldaden komt, loopt dan alleen zuiver, wanneer zij de beide gevaarlijke klippen van het nomisme en het antinomisme vermijdt,

12. en op den grondslag der trinitarische belijdenis in de toepassing des heils een werk des H. Geestes ziet, dat van de verwerving door Christus wel onderscheiden maar niet gescheiden is, wijl de H. Geest alles uit Christus neemt.

13. De weldaden, welke Christus verwierf en door den H. Geest toepast, kunnen alle saamgevat worden onder den naam van genade, maar deze wordt door de Reformatie gansch anders dan door Rome opgevat,

14. en bevat vele bijzondere weldaden, die langzamerhand in de dogmatiek breeder werden uitgewerkt maar toe drie groepen te herleiden zijn.


§ 44. Roeping en wedergeboorte.

1. Roeping en wedergeboorte vormen de eerste groep. Gelijk God de schepping tot stand brengt door Woord en Geest, zoo ook de herschepping. Hij roept in zekeren zin reeds door de natuur (vocatio realis), maar toch vooral door zijn woord (vocatio verbalis),

2. welke roeping algemeen, ernstig en van groote waarde is.

3. Maar de vocatio verbalis zonder meer is niet voldoende en moet daarom op grond van de H.S. in eene externa en interna onderscheiden worden,

4. en komt in laatstgemelden zin in het nauwste verband te staan met de wedergeboorte, welke in engeren zin de instorting van het beginsel des nieuwen levens is,

5. en, zonder aan den mensch te kort te doen, het pelagianisme bij den wortel afsnijdt en de genade, ook in de toepassing des heils, onverzwakt handhaaft.


§ 45. Geloof en rechtvaardigmaking.

1. De geestelijke mensch, die in de wedergeboorte wordt ingeplant, komt te zijner tijd door de verlichting des H. Geestes tot het geloof, dat, schoon eene gave Gods, geen den mensch vreemde substantie noch een bovennatuurlijk toevoegsel is maar hem, in overeenstemming met het nieuwe leven, aan het woord van Christus bindt.

2. Want het draagt in de Schrift een dubbel karakter, het is een als waarheid aannemen van de apostolische getuigenis aangaande Christus en het is een persoonlijk vertrouwen op Christus als machtig, om de zonden te vergeven en alle weldaden der genade te schenken; en deze beide staan met elkander in onlosmakelijk verband.

3. Ofschoon zij in leer en practijk dikwerf van elkander gescheiden worden, behooren zij steeds saam te gaan, wijl er eenerzijds geen gemeenschap aan Christus’ weldaden is dan na en door gemeenschap aan zijn persoon, en anderzijds deze gemeenschap niet anders tot stand komt dan door middel van de apostolische getuigenis.

4. Van dat geloof is eene der heerlijkste vruchten de rechtvaardigmaking, welke naar de Schrift niet eene ethische, maar eene juridische daad is,

5. haar grond heeft, niet in des menschen, in eene ¸dia dikaiosunj, maar in eene dikaiosunj qeou, welke in Christus geopenbaard is en gereed ligt, den mensch door God uit genade wordt toegerekend en zijnerzijds door het geloof wordt aangenomen.

6. Wel wordt deze leer van de justitia imputata sterk bestreden, maar deze bestrijding komt grootendeels voort uit eene geheel verkeerde opvatting van de toerekening van Christus’ gerechtigheid.

7. Deze rechtvaardigmaking geschiedt in zekeren zin in het besluit, in de opstanding van Christus, in de vocatio interna, maar heeft toch naar de doorgaande voorstelling der H.S. vooral plaats uit en door het geloof en staat juist als zoodanig tegen die uit de werken over.

8. Zij omvat niet alleen de volkomen vergeving van alle zonden, van schuld en straf beide, hetgeen echter de dagelijksche belijdenis van schuld en bede om vergeving niet te niet doet, maar voorts de aanneming tot kinderen en de toekenning van het recht op het eeuwige leven.


§ 46. Heiligmaking en volharding.

1. Op de rechtvaardigmaking volgt de heiligmaking, die er wezenlijk van onderscheiden is, maar er geen oogenblik van gescheiden mag worden, want Christus schenkt zichzelven aan de zijnen niet alleen objectief maar ook subjectief (unio mystica).

2. Deze heiligmaking is in de eerste plaats een werk Gods, bestaande niet alleen in uitwendige afzondering van de wereld maar ook in inwendige vernieuwing door den H. Geest, zonder dat deze daarom in eens of allengs in dit leven reeds hare voltooiing bereiken zou; maar voorts is zij ook een werk van de geloovigen, in zoover deze op grond van de ontvangen weldaden geroepen worden, zichzelven te heiligen en goede werken voort te brengen als vruchten van hun geloof.

3. Evenzoo is de volharding der heiligen eene daad en eene gave Gods, maar die door de geloovigen zelven heen, in den weg der middelen, zich realiseert, en daarom hunne zelfwerkzaamheid niet uitsluit maar hun wel rijken troost en zekerheid biedt.




a. De tekst van de uitgebreide inhoudsopgave is afkomstig uit deel IV, 542-549.

b. Vgl. deel I, bladzijde v.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001