4. Tegenover al deze richtingen hield de christelijke kerk eenparig de belijdenis vast: credo in Deum patrem, omnipotentem, creatorem coeli et terrae; en zij verstond onder schepping die daad Gods, waardoor Hij naar zijn souvereinen wil heel de wereld uit het niet-zijn tot een zijn brengt, dat onderscheiden is van zijn eigen wezen. En dit is inderdaad de leer der H. Schrift. Het woord 'rb beteekent oorspronkelijk: splijten, deelen, snijden |397| (Jos. 17 : 15, 18 in piel van het afhouwen van bosschen), en vandaar vormen, voortbrengen, scheppen. Het druk op zichzelf nog niet uit, dat iets uit niets wordt voortgebracht, want het wordt menigmaal ook van de werken der onderhouding gebezigd, Jes. 40 : 28, 45 : 7, Jer. 31 : 22, Am. 4 : 13. Het is synoniem van en wisselt af met hWv, rcy, Hdx, Ps. 104 : 30. Maar van deze onderscheidt het zich toch daardoor, dat het altijd van het Goddelijk maken en nooit van ’s menschen doen wordt gebezigd; dat het nooit een accusativus der stof bij zich heeft, waaruit iets gemaakt wordt; en dat het daarom juist overal de grootheid en macht van het Goddelijk wezen uitdrukt, Delitzsch, Neuer Comm. zur Gen. S. 48. En ditzelfde is het geval met de N.T. woorden ktizein, Mk. 13 : 19, poiein, Mt. 19 : 4, qemelioun, Hebr. 1 : 10, katartizein, Rom. 9 : 12, kataskeuazein, Hebr. 3 : 4, plassein, Rom. 9 : 20, die ook niet op zichzelve een scheppen uit niets uitdrukken. De term scheppen uit niets is dan ook niet letterlijk aan de Schrift ontleend maar komt het eerst voor in 2 Macc. 7 : 28, waar gezegd wordt, dat God hemel en aarde en mensch x oÇk ìntwn poijsen, Vulg. fecit ex nihilo. Men heeft bestreden, dat deze uitdrukking in strengen zin mocht worden opgevat, en haar eene platonische uitlegging gegeven. Toch verdient het de aandacht, dat de schrijver niet van mj ìnta, d.i. een nihilum privativum, eene qualiteit- en vormlooze materie, maar van oÇk ìnta d.i. een nihilum negativum spreekt. Voorts is het zelfs nog niet zeker, dat de auteur van het boek der Wijsheid in cap. 11 : 18 de eeuwigheid eener vormlooze stof heeft geleerd; de plaats kan zeer goed van de creatio secunda worden verstaan, evenals dat later het geval is bij Justinus Martyr. Maar hoe dit zij, de Schrift laat te dezen opzichte geen twijfel over. Zij gebruikt den term niet, maar leert de zaak duidelijk. Wel heeft men gemeend, dat ook Gen. 1 : 1-3 eigenlijk van een oorspronkelijken, niet geschapen chaos uitging. Wijl tyH'rb naar den vorm een status constr. is, zouden de verzen 1-3 aldus te vertalen zijn: in den beginne toen God hemel en aarde schiep — de aarde nu was woest en ledig enz. —, toen sprak God: er zij licht. In vers 2 zou dan de woeste en ledige aarde bij het scheppen Gods worden ondersteld; zoo Ewald, Bunsen, Schrader e.a., cf. Schultz, Altt. Theol.4 S. 570 f. Maar deze vertaling is niet aannemelijk. Vooreerst krijgt de zin dan eene |398| periodische lengte, die in ’t hebr. weinig voorkomt, hier terstond in het begin en naar den schrijftrant van Gen. 1 heel niet wordt verwacht en ook op de schepping van het licht veel te sterken nadruk legt; vervolgens eischt de status constr. van tyH'rb deze vertaling niet, omdat het in denzelfden vorm zonder suffix of genitivus ook voorkomt in Jes. 46 : 10, cf. Lev. 2 : 12, Deut. 33 : 21; en ten derde ware het vreemd, dat terwijl de voorzin zeggen zou, dat God hemel en aarde nog scheppen moest, de tusschenzin den chaos reeds met den naam van aarde bestempelde en van den oorspronkelijken toestand des hemels heel geen gewag maakte. En daarbij komt dan nog, dat deze vertaling, ook indien ze juist ware, nog geenszins de eeuwigheid der woeste aarde leeren zou maar hoogstens dit in het midden zou laten. Dat strijdt echter met geheel den geest van het scheppingsverhaal. Elohim wordt in Gen. 1 niet voorgesteld als een wereldformeerder, die op menschelijke wijze uit voorhanden stof een kunstwerk maakt, maar als Een, die enkel sprekende, door een louter machtwoord, alle dingen in het aanzijn roept. En daarmede komt heel de Schrift overeen. God is de Almachtige, die oneindig verre staat boven alle creatuur, en met alle schepselen doet naar zijn souverein welgevallen; de absolute bezitter, hnq van hemel en aarde, Gen. 14 : 19, 22, die alles doet wat Hem behaagt, aan wiens macht nergens een grens is gestel. Hij spreekt en het is, Hij gebiedt en het staat, Gen. 1 : 3, Ps. 33 : 9, Jes. 48 : 13, Rom. 4 : 17. Voorts worden alle dingen in de Schrift telkenmale beschreven als door God gemaakt en volstrekt van Hem afhankelijk. Hij heeft alles gemaakt, hemel, aarde, zee met al wat er op en er in is, Ex. 20 : 11, Neh. 9 : 6 enz. Alles is door Hem geschapen, Col. 1 : 16, 17, bestaat alleen door zijn wil, Op. 4 : 11, en is uit en door en tot God, Rom. 11 : 36. Vervolgens wordt er nooit en nergens van eene eeuwige ongevormde stof ook maar de minste melding gemakt. God alleen is de Eeuwige, de Onverderfelijke; Hij alleen is boven het worden en de verandering verheven. Daarentegen hebben de dingen een begin en een einde, en zijn aan wisseling onderworpen. Op anthropomorphe wijze wordt dit uitgedrukt. God bestond eer de bergen geboren waren en zijne jaren houden niet op, Ps. 90 : 2, Spr. 8 : 25, 26; Hij heeft uitverkoren en liefgehad pro kataboljv kosmou, Ef. 1 : 4, Joh. 17 : 24, cf. Mt. 13 : 35, 25 : 34, Luk. 11 : 50, Joh. 17 : 5, |399| Hebr. 4 : 3, 9 : 26, 1 Petr. 1 : 20, Op. 13 : 8, 17 : 8. En eindelijk leert Rom. 4 : 17, ook al is daar niet bepaald van de schepping sprake, dat God ta mj ìnta, hetgeen mogelijk nog niet is, roept en beveelt óv ìnta, alsof het ware; het zijn of niet-zijn maakt voor Hem geen onderscheid. Nog klaarder spreekt Hebr. 11 : 3 het uit, dat de wereld zoo door God is gemaakt, dat hetgeen gezien wordt niet geworden is k fainomenwn, uit hetgeen onder de oogen verschijnt. Eene vormlooze stof is hierdoor geheel buitengesloten; de zichtbare wereld is niet uit ’t zichtbare voortgekomen maar rust in God, die door zijn woord alles in het aanzijn riep.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004