Hoofdstuk V.

Over de wereld in haar oorspronkelijken staat.


§ 29. De Schepping

1. De uitvoering van den raad Gods begint met de schepping. Deze is de aanvang en grondslag van alle openbaring Gods en daarom ook het fundament van alle religieuse en ethische leven. Het Oudtest. scheppingsverhaal is zoo verheven schoon, dat het nergens zijn wedergade vindt en door allen, ook door natuurvorschers als Cuvier en von Humboldt, om strijd is geprezen. Das erste Blatt der mosaischen Urkunde hat mehr Gewicht als alle Folianten der Naturforscher und Philosophen (Jean Paul). En daarna treedt die schepping in de geschiedenis der openbaring telkens weer op den voorgrond. De ware religie onderscheidt zich van het eerste oogenblik af daardoor van alle andere godsdiensten, dat zij de verhouding van God tot wereld en mensch opvat als die van den Schepper tot zijn schepsel. De gedachte aan een zijn buiten en onafhankelijk van God komt in de Schrift nergens voor. God is de eenige en volstrekte oorzaak van alwat is. Hij heeft alles geschapen door zijn Woord en Geest, Gen. 1 : 2, 3, Ps. 33 : 6, 104 : 29, 148 : 5, Job 27 : 3, 33 : 4, Jes. 40 : 13, 48 : 13, Zach. 12 : 1, Joh. 1 : 3, Col. 1 : 16, Hebr. 1 : 2 enz. Er stond niets tegen Hem over; geen stof, die Hem bindt, geen kracht, die Hem beperkt. Hij spreekt en het is, Gen. 1 : 3, Ps. 33 : 9, Rom. 4 : 17. Hij is de onbeperkte bezitter van hemel en aarde, Gen. 14 : 19, 22, Ps. 24 : 2, 89 : 12, 95 : 4, 5. Er is geen grens aan zijne macht; Hij doet alwat Hem behaagt, Jes. 14 : 24, 27, 46 : 10, 55 : 10, Ps. 115 : 3, 135 : 6. Alle dingen |387| zijn uit en door en tot Hem, Rom. 11 : 36, 1 Cor. 8 : 6, Hebr. 11 : 3. De wereld is het product van zijn wil, Ps. 33 : 6, Op. 4 : 11; zij is de openbaring zijner deugden, Spr. 8 : 22v., Job 28 : 23v., Ps. 104 : 1, 136 : 5v., Jer. 16 : 12 en heeft haar doel in zijne eere, Jes. 43 : 17, Spr. 16 : 4, Rom. 11 : 36, 1 Cor. 8 : 6. Deze leer der schepping, die in de Schrift zulk eene alles beheerschende plaats bekleedt, wordt niet voorgedragen als eene wijsgeerige verklaring van het wereldprobleem. Zij geeft zeer zeker ook een antwoord op de vraag naar de oorsprong aller dingen; maar zij heeft toch bovenal eene religieus-ethische beteekenis. Er is geen rechte verhouding tot God denkbaar dan op haar grondslag. Zij plaats ons in die relatie tot God, waarin wij behooren te staan. En daarom is ze van uitnemend practische waarde. Zij dient, om de grootheid, de almacht, de majesteit en tevens de goedheid, de wijsheid, de liefde Gods te doen uitkomen, Ps. 19, Job 37, Jes. 40; en zij versterkt daarom het geloof, bevestigt het vertrouwen op God, troost in het lijden, Ps. 33 : 6v., 65 : 6v., 89 : 12, 121 : 2, 134 : 5, Jes. 37 : 16, 40 : 28v., 42 : 5 enz.; zij wekt op tot lof en dank, Ps. 136 : 3v., 148 : 5, Op. 14 : 7; stemt tot nederigheid en ootmoed en doet dem mensch zijne geringheid en nietigheid gevoelen tegenover God, Job 38 : 4v., Jes. 29 : 16, 45 : 9, Jer. 18 : 6, Rom. 9 : 20.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004