16. Hieruit wordt duidelijk, in welken zin de reprobatie tot de praedestinatie te rekenen is. Let men alleen op het feit, dat de raad Gods alle dingen omvat, dan is er alle recht, om van eene gemina praedestinatio te spreken. Ook de zonde, het ongeloof, de dood en de eeuwige straf staan onder het bestuur Gods. Niet alleen baat het feitelijk niets, of men hier liever van praescientia en permissio dan van praedestinatio spreekt. Maar de Schrift getuigt in dezen ook zoo beslist en stellig mogelijk. Het is waar, dat zij van de verwerping als eeuwig besluit weinig gewag maakt. Des te meer echter laat ze haar als daad Gods optreden in de historie. Hij verwerpt Kaïn, Gen. 4 : 5, vervloekt Kanaän, Gen. 9 : 25, drijft Ismael uit, Gen. 21 : 12, Rom. 9 : 7, Gal. 4 : 30, haat Ezau, Gen. 25 : 26, Mal. 1 : 2, 3, Rom. 9 : 13, Hebr. 12 : 17, laat de Heidenen wandelen op hunne eigene wegen, Hd. 14 : 16; zelfs binnen den kring der openbaring is er dikwerf van eene verwerping door den Heere van zijn volk en van bijzondere personen sprake, Deut. 29 : 28, 1 Sam. 15 : 23, 26, 16 : 1, 2 Kon. 17 : 20, 2 Kon. 23 : 27, Ps. 53 : 6, 78 : 67, 89 : 39, Jer. 6 : 30, 14 : 19, 31 : 37, Hos. 4 : 6, 9 : 17. Maar in die negatieve verwerping treedt ook menigmaal eene positieve handeling Gods op, bestaande in haat, Mal. 1 : 2, 3, Rom. 9 : 13, vervloeking, Gen. 9 : 25, verharding en verstokking, Ex. 7 : 3, 4 : 21, 9 : 12, 10 : 20, 10 : 27, 11 : 10, 14 : 4, Deut. 2 : 30, Jos. 11 : 20, Ps. 105 : 25, 1 Sam. 2 : 25, Joh. 12 : 40, Rom. 9 : 18, in verdwazing, 1 Kon. 12 : 15, 2 Sam. 17 : 14, Ps. 107 : 40, Job 12 : 24, Jes. 44 : 25, 1 Cor. 1 : 19, in verblinding en verdooving, Jes. 6 : 9, Matth. 13 : 13, |370| Mk. 4 : 12, Luk. 8 : 10, Joh. 12 : 40, Hd. 28 : 26, Rom. 11 : 8. Gods bestuur gaat over alle dingen en ook in de zonden der menschen heeft Hij zijne hand. Hij zendt een leugengeest, 1 Kon. 22 : 23, 2 Chr. 18 : 22, port door Satan David aan, 2 Sam 24 : 1, 1 Chr. 21 : 1 en beproeft Job, cap. 1, noemt Nebucadnezar en Cyrus zijne knechten, 2 Chr. 36 : 22, Ezra 1 : 1, Jes. 44 : 28, 45 : 1, Jer. 27 : 6, 28 : 14 enz., en Assyrië de roede zijns toorns, Jes. 10 : 5v. Hij geeft Christus over aan zijne vijanden, Hd. 2 : 23, 4 : 28, stelt Hem tot een val en opstanding, tot een reuke des doods en des levens, tot een oordeel en tot een steen des aanstoots, Luk. 2 : 34, Joh. 3 : 19, 9 : 39, 2 Cor. 2 : 16, 1 Petr. 2 : 8. Hij geeft de menschen over aan hunne zonden, Rom. 1 : 24, zendt eene kracht der dwaling, 2 Thess. 2 : 11, verwekt Simei om David te vloeken, 2 Sam. 16 : 10, cf. Ps. 39 : 10, een Farao om zijne kracht te betoonen, Rom. 9 : 17 en den blindgeborene, om zijne heerlijkheid te openbaren, Joh. 9 : 3. Zeker mag in al deze werken Gods de eigen zonde des menschen niet voorbijgezien worden. In nde verharding Gods verhardt de mensch zichzelf, Ex. 7 : 13, 22, 8 : 15, 9 : 35, 13 : 15, 2 Chron. 36 : 13, Job 9 : 4, Ps. 95 : 8, Spr. 28 : 14, Hebr. 3 : 8, 4 : 7. Jezus spreekt in gelijkenissen, niet alleen opdat maar ook omdat de ongeloovigen niet zien noch hooren, Mt. 13 : 13. God geeft de menschen aan de zonde en de leugen over, wijl ze zich dit waardig hebben gemaakt, Rom. 1 : 24, 2 Thess. 2 : 11. En het is a posteriori, dat de geloovigen in de ongerechtigheden der vijanden het bestuur en de hand des Heeren zien, 2 Sam. 16 : 10, Ps. 39 : 10. Maar desniettemin wordt in dit alles ook de wil en de mogendheid Gods openbaar. Hij betoont in dit alles zijne vrijmachtige souvereiniteit. Hij schept het goede en het kwade, het licht en de duisternis, Jes. 45 : 7, Am. 3 : 6, den goddelooze tot den dag des kwaads, Spr. 16 : 4, doet alles wat Hem behaagt, Ps. 115 : 3, handelt met de inwoners der aarde naar zijn welgevallen, Dan. 4 : 35, neigt aller hart gelijk Hij wil, Spr. 16 : 9, 21 : 1, richt aller gang, Spr. 20 : 24, Jer. 10 : 23, maakt uit hetzelfde leem vaten ter eere en ter oneere, Jer. 18, Rom. 9 : 20, ontfermt zich diens Hij wil en verhardt dien Hij wil, Rom. 9 : 18, stelt tot ongehoorzaamheid, 1 Petr. 2 : 8, schrijft op ten oordeel, Jud. 4, en heeft veler namen niet geschreven in het boek des levens, Op. 13 : 8, 17 : 8. Deze veelvuldige, sterke |371| uitspraken der Schrift worden iederen dag bevestigd in de geschiedenis der menschheid. De verdedigers der reprobatie hebben dan ook altijd een beroep gedaan op die schrikkelijke feiten, waaraan de geschiedenis zoo rijk is, Calvijn, C.R. XXXVII 289 sq. Er is zooveel onredelijks in de natuur, zooveel onverdiend lijden, zooveel rampen zonder oorzaak, zoo ongelijke, onbegrijpelijke lotsbedeeling, zoo schreiende tegenstelling van vreugde en smart, dat voor elk die nadenkt slechts de keuze overblijft, om òf met het pessimisme deze wereld te verklaren uit den blinden wil van een onzaligen God, òf op grond van de H. Schrift in den geloove te berusten in den souvereinen en vrijmachtigen, maar altijd toch, hoe onbegrijpelijk ook, wijzen en heiligen wil van Hem, die eens over deze raadselen des levens het volle licht zal doen opgaan. De al of niet aanneming van een besluit der verwerping heeft haar oorzaak dan ook niet in eene kleinere of groote mate van liefde en medelijden. Het onderscheid tusschen Augustinus en Pelagius, Calvijn en Castellio, Gomarus en Arminius ligt niet daarin, dat de laatsten zooveel zachter en liever, gemoedelijker en medelijdender menschen waren. Maar het is hierin gelegen, dat genen de Schrift in haar geheel, ook in deze hare leer, hebben aanvaard; dat zij theïstisch waren en altijd wilden zijn en ook in deze ontroerende feiten des levens den wil en de hand des Heeren hebben erkend; dat zij de werkelijkheid in al haar schrikkelijkheid onder de oogen hebben durven zien. Het pelagianisme strooit bloemen op de graven, maakt van den dood een engel, ziet in de zonde eene zwakheid, houdt verhandelingen over het nut der tegenspoeden, en acht deze wereld de beste, die mogelijk is. Het Calvinisme is van zulk een oppervlakkig gebazel en gebeuzel niet gediend. Het rukt zich den blinddoek van de oogen, het wil niet leven in een ingebeelden waan, het aanvaardt den ernst des levens in zijn volle diepte, het komt op voor de rechten des Heeren Heeren, en buigt in ootmoed en aanbidding neer voor den onbegrepen, souvereinen wil van God almachtig. En daardoor blijkt het in den grond veel barmhartiger te zijn dan het pelagianisme. Hoe diep Calvijn den ernst gevoelde van wat hij zeide, blijkt uit zijn decretum horribile, Inst. III 23, 7. Geheel ten onrecht is dit woord hem tot een verwijt gemaakt. Het pleit niet tegen Calvijn, het pleit voor hem. Het decretum als leer van Calvijn, is niet horribile; |372| maar de werkelijkheid is verschrikkelijk, die van dat besluit Gods de openbaring is, die alzoo door Schrift en geschiedenis wordt geleerd, die voor ieder denkend mensch, hetzij hij Pelagius of Augustinus volge, volkomen dezelfde blijft, en die door geen waanvoorstellingen ook maar in ’t minst kan worden te niet gedaan. En te midden van die schrikkelijke werkelijkheid brengt nu het Calvinisme niet deze oplossing maar wel dezen troost aan, dat het in al wat geschiedt den wil en de hand erkent van een almachtig God, die tevens een barmhartig Vader is. Het Calvinisme geeft geen oplossing maar doet den mensch rusten in Hem, die woont in een ontoegankelijk licht, wiens oordeelen ondoorzoekelijk, wiens wegen onnaspeurlijk zijn. Daarin rustte Calvijn. Testis enim mihi erit Dominus, cui conscientia mea subscribet, sic me stupenda haec ipsius judicia quotidie meditari, ut nulla me plus aliquid sciendi curiositas sollicitet, nulla mihi obmurmurandi libido prorsus titillet, de aet. praed. C.R. XXXVI 316. En in die ruste des gemoeds wachtte hij den dag af, waarin hij zien zou van aangezicht tot aangezicht en de oplossing van deze raadselen ontvangen zou, Inst. III, 23, 2. C.R. XXXVI 366.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001