2. Het N. Test. stelt dezen raad Gods in nog veel helderder licht. Niet alleen zijn Gode al zijne werken van eeuwigheid bekend, Hd. 15 : 18 (cf. echter de variae lectiones), maar alles geschiedt naar den bepaalden raad en voorkennis Gods. Het N.T. woord boulj duidt aan den wil Gods als berustend op raad en overleg, en is daarin van qeljma, den wil als wil, onderscheiden, cf. Ef. 1 : 11 boulj tou qeljmatov. Zulk een raad Gods gaat er aan alle dingen vooraf. Hij omvat alles, Ef. 1 : 11, ook de zondige daden der menschen, Hd. 2 : 23, 4 : 28, cf. Luk. 22 : 22. God heeft de woonplaats der volken zoowel in tijd als in uitbreiding te voren bepaald, érisav, Hd. 17 : 26. Gods wil wordt openbaar ook in de verderving van Judas, Joh. 17 : 12, in de overgave der Heidenen, Rom. 1 : 24, in de verwerping van Ezau, Rom. 9 : 13, in de verharding van de goddeloozen, Rom. 9 : 18, in de verwekking van Pharao, Rom. 9 : 17, in het verdragen van de vaten des toorns tot het verderf toebereid, Rom. 9 : 22, in het gezet |316| zijn (keimai) van Christus niet alleen tot eene opstanding maar ook e¸v ktisiv, Luk. 2 : 34, tot een krisiv, Joh. 3 : 19-21, tot een liqov proskommatov kai petra skandalou, 1 Petr. 2 : 7, 8, cf. 1 Thess. 5 : 9, Judas vs. 4. Maar vooral heeft de boulj tou qeou toch betrekking op het werk der verlossing, Luk. 7 : 30, Hd. 13 : 36, 20 : 27, Hebr. 6 : 17. En het N.T. is rijk in woorden, om dezen raad Gods nader te omschrijven. Zij spreekt van eÇdokia, welbehagen, welgevallen, Mt. 11 : 26, Luk. 2 : 14, 10 : 21, Ef. 1 : 5, 9, Phil. 2 : 13, 2 Thess. 1 : 11; proqjsiv, voornemen, Rom. 8 : 28, 9 : 11, Ef. 1 : 11, 3 : 11, 2 Tim. 1 : 9; prognwsiv, voorkennis, Rom. 8 : 29, 11 : 2, 1 Petr. 1 : 2; klogj, uitverkiezing, Mk. 13 : 20, Hd. 9 : 15, 13 : 17, 15 : 7, Rom. 9 : 11, 11 : 5, 28, 1 Cor. 1 : 27, 28, Ef. 1 : 4, 1 Thess. 1 : 4, 2 Petr. 1 : 10, Jak. 2 : 5; proorismov, Rom. 8 : 29, 1 Cor. 2 : 7, Ef. 1 : 5, 11; cf. ook Hd. 13 : 48 waar gezegd wordt, dat er zoovelen geloofden, ésoi ×san tetagmenoi e¸v zwjn a¸wnion, d.i. niet als er zich geschikt hadden of subjectief gepraedisponeerd waren maar als er verordend, besteld waren ten eeuwigen leven; en ook nog Ef. 2 : 10, waar van de goede werken der geloovigen gezegd wordt, dat God ze projtoimasen. De woorden zijn aldus onderscheiden: proqesiv duidt aan, dat God in het werk der zaligheid niet naar willekeur of toeval maar naar een vast plan, naar een onveranderlijk voornemen te werk gaat; klogj wijzigt dit aldus, dat dat voornemen niet allen omvat, maar dat het een proqesiv katH klogjn, Rom. 9 : 11, een verkiezend voornemen is, zoodat niet allen maar velen tot de zaligheid komen; prognwsiv let op de personen, die in dit verkiezend voornemen Gods het object zijn niet van zijne nuda praescientia maar van zijn dilectio practica; terwijl eindelijk proorismov meer ziet op de middelen, welke God beschikt, om deze gekenden te brengen tot de voor hen bepaalde bestemming. Proqesiv certitudinem eventus indicat, prognwsiv personarum singularitatem, proorismov mediorum ordinem. De verkiezing is certa per proqesin, determinata per prognwsin, ordinata per proorismon, Turretinus, Theol. El. IV qu. 7. De eeuwigheid van dit voornemen ligt niet vanzelf reeds opgesloten in de praepositie pro, waarmede de woorden zijn samengesteld, maar wordt toch duidelijk uitgesproken in Ef. 3 : 11, 2 Tim. 1 : 9, cf. Mt. 25 : 34, 1 Cor. 2 : 7, Ef. 1 : 4. Wel is beweerd, dat Paulus in Rom. 9 niet handelt over de absolute vrijmacht en het eeuwig besluit |317| Gods, maar alleen over een Verhalten Gottes, das in der Zeit, in der Geschichte seine Ursachen wie seine Wirkungen hat, W. Beyschlag, Die paulin. Theodicee Röm. IX-XI, 2te Aufl. Halle 1895. Dr. van Dijk, De leer der verkiezing volgens het N.T., Studiën ond. red. van de la Saussaye, Valeton en Van Dijk IV 3e stuk. Buhl, Der Gedankengang von Röm 9-11, Stud. u. Kr. 1887 S. 295-322. Kübel, Herzog2 12, 158. Maar deze bewering wordt door Rom. 9 weerlegd. Immers, de proqesiv katH klogjn gaat duidelijk aan de feiten der historie vooraf; de geschiedenis dient dus om dat voornemen, dat al bestond, vast te doen blijven, Rom. 9 : 11. Aan Sara wordt lang te voren een zaad der belofte beloofd, v. 9. Voordat de kinderen van Izak geboren waren, had God al gezegd, dat de meerdere den mindere zou dienen, vs. 11. De verzen 15-18 leeren dat de verkiezing haar oorzaken niet heeft in de werken maar enkel en alleen in den wil van den roepende. Zeer zeker spreekt Rom. 9 van een handelen Gods in den tijd maar de oorzaak van dat handelen valt buiten den tijd, ligt alleen in Gods wil en welbehagen. Daarbij komt, dat de causa electionis elders ook duidelijk alleen en uitsluitend aan Gods genade, liefde, welbehagen toegeschreven wordt, Mt. 11 : 25, Luk. 12 : 32, Ef. 1 : 5, 9, 11, 2 Tim. 1 : 9, 10. Zelfs is het niet juist, om bij Rom. 9 : 21 hetzij uitsluitend met het supralapsarisme aan de massa incorrupta of met Augustinus en het infralapsarisme alleen aan de massa corrupta te denken. Paulus denkt hier in ’t geheel niet aan deze onderscheiding. Wat hij zeggen wil, is alleen dit, dat God het absolute recht heeft, om aan zijne schepselen die bestemming te geven, welke Hem goeddunkt, cf. Jes. 10 : 15, Jer. 18, Mt. 20 : 15. Van het standpunt van het absolute recht heeft een schepsel niets tegen zijn Schepper te zeggen. Paulus weerlegt alle bedenkingen tegen de verkiezing niet daarmede, dat zij rechtvaardig en billijk is maar met een beroep op de souvereiniteit en het absolute recht Gods. Evenals het N.T. de eeuwigheid der verkiezing duidelijker uitspreekt dan het O.T., zoo vat het die verkiezing ook meer individueel en persoonlijk op. Terwijl in het O.T. het volk van Israel als het object der verkiezing voorkomt, zijn het hier bijzondere personen, die in Christus verkoren zijn, saam zijn lichaam vormen en den naam van klektoi dragen, Mt. 24 : 31, Luk. 18 : 7, Hd. 13 : 48, Rom. 8 : 33, Ef. 1 : 4, Tit. 1 : 1, 2 Tim. 2 : 10, 1 Petr. 1 : 1, 2, 9 |318| enz. Vooral blijkt dit ook uit het boek des levens, waarin de namen zijn opgeschreven van de erfgenamen des eeuwigen levens, Luk. 10 : 20, Hebr. 12 : 23, Phil. 4 : 3, Op. 3 : 5, 13 : 8, 20 : 12, 21 : 27, 22 : 19. Eindelijk is het de duidelijke leer van het N. Test. dat de verkiezing haar doel heeft, niet in een aardsch leven in Kanaan, noch ook in eene eminente plaats in het Godsrijk, maar bepaaldelijk in de hemelsche zaligheid. Wel is er binnen de gemeente ook weer eene verkiezing tot een of ander ambt of dienst, bv. van de apostelen, Luk. 6 : 13, Joh. 6 : 70 enz., maar de eigenlijke verkiezing heeft tot doel de heiligheid, Ef. 1 : 4, het kindschap, Ef. 1 : 5, de zaligheid, 2 Thess. 2 : 13, het eeuwige leven, Hd. 13 : 48, de gelijkvormigheid aan Christus, Rom. 8 : 29, Joh. 17 : 24, de verheerlijking Gods, Ef. 1 : 6, 12. Ook in Rom. 9 handelt Paulus niet over eene hoogere of lagere plaats in het Godsrijk, maar hij maakt onderscheid in Israel zelf tusschen kinderen des vleesches en kinderen der belofte. Hij spreekt bepaald van vaten ter eere en van vaten ter oneere, katjrtismena e¸v ‡pwleian. Hij plaatst ontferming en verharding tegenover elkaar, en laat in vs. 14 en 19 tegenwerpingen aan het woord komen, wier ernst juist de leer van zulk eene vrijmachtige verkiezing onderstelt.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001