19. De bijzondere eigenschap van den tweeden persoon in de triniteit is de filiatio. In de Schrift draagt Hij verschillende namen, die zijne verhouding tot den Vader aanduiden, zooals |282| woord, wijsheid, logos, zoon, eerstgeboren, eeniggeboren, eenige zoon, beeld Gods, e¸kwn, Ãpostasiv, caraktjr. Op deze namen en op enkele teksten boven aangehaald, word de leer der door Origenes het eerst zoo genoemde eeuwige generatie, a¸wniov gennjsiv, gebouwd. Natuurlijk spreken wij daarmede op menschelijke en dus onvolkomene en gebrekkige wijze; en de gedachte daaraan maant tot bescheidenheid, Iren. adv. haer. II 28, 6, Athan., c. Ar. II 36. Basilius, adv. Eun. II 22, 24. Greg. Naz. Orat. XX enz. Maar toch mogen wij zoo spreken. Want evenals bij gelijkenis aan God mond en oor en oog wordt toegeschreven, zoo is de menschelijke generatie analogie en beeld van die Goddelijke daad, waardoor de Vader aan den Zoon het leven in zichzelven geeft. Maar dan moet al het onvolmaakte en zinnelijke daarvan ook worden weggedacht. De generatie van een mensch is onvolkomen en gebrekkig; een man heeft eene vrouw noodig, om een zoon voorttebrengen; een man kan nooit in een kind en zelfs niet in vele kinderen zijn volle beeld, zijn gansche wezen mededeelen; een vader wordt eerst vader mettertijd en houdt het ook op te zijn, en het kind wordt spoedig geheel onafhankelijk van en zelfstandig tegenover den vader. Maar alzoo is het niet bij God. Er is generatie ook in het Goddelijk wezen. Het is eene schoone, bij de kerkvaders telkens terugkeerende gedachte, dat God vruchtbaar is. Hij is geen abstracte, starre eenheid, niet monadikov, solitarius. Hij is eene volheid van leven; zijne natuur is eene gennjtikj, karpogonov oÇsia; zij is voor uitbreiding, ontvouwing, mededeeling vatbaar. Wie dit ontkent en alle productie in het Goddelijk wezen loochent, maakt er geen ernst mede, dat God oneindig, volzalig leven is. Hij houdt niets dan een abstract, deistisch Godsbegrip over of neemt ter vergoeding op pantheistische wijze het leven der wereld in het Goddelijk wezen op. Zonder de triniteit is ook de schepping niet te verstaan; indien God zich niet mededeelen kan, dan is Hij een duister licht, eene drooge bron, en hoe zou Hij zich ad extra, aan schepselen kmnen mededeelen? Athan., c. Ar. II 2. Damasc. de fide orth. I 8. Maar toch is die generatie op Goddelijke wijze te denken. Daarom is zij in de eerste plaats geestelijk. De Arianen brachten tegen haar vooral het bezwaar in, dat alle generatie noodzakelijk scheiding, deeling, tomj, diairesiv en ook paqov, ‡porroia medebrengt. Dat zou zoo zijn, als ze |283| lichamelijk, zinnelijk, creatuurlijk ware. Maar zij is geestelijk en Goddelijk, en daarom eenvoudig, zonder deeling of scheiding, zij geschiedt ‡rreustwv kai ‡diairetwv, Athan., Expos. fidei 2. Zij brengt distinctio en distributio, maar geen diversitas en divisio in het Goddelijk wezen. hO de qeov ‡merjv ÷n ‡meristov sti kai ‡paqjv tou u³ou patjr, oÇte gar ‡porroj tou ‡swmatou stin, oÇtH pirroj tiv e¸v aÇton ginetai, óv pH ‡nqrwpwn, Athan. de decr. nic. syn. 11 c. Ar. I 16. 28 sq. De generatie in God heeft daarom haar treffendste analogie in het denken en spreken; en de Schrift zelve wijst daarop, als zij den Zoon den Logos noemt. Gelijk de geest des menschen in het woord zichzelf objectiveert, zoo deelt God in den Logos zijn gansche wezen mee. Maar ook hier is er weer onderscheid. De mensch behoeft vele woorden, om zijne gedachte uit te drukken; die woorden zijn klanken en dus zinnelijk en stoffelijk; zij zijn onzelfstandig en hebben geen bestand in zichzelve. Maar als God spreekt, dan spreekt Hij in den éénen Logos zijn gansche wezen uit en geeft Hem leven in zichzelven. In de tweede plaats houdt daarom de generatie in, dat de Vader den Zoon genereert k tjv oÇsiav tou patrov, qeou k qeou, fwv k fwtov, qeon ‡ljqinon k qeou ‡ljqinon, gennjqenta oÇ poijqenta, émoousion tû patri, gelijk te Nicea vastgesteld werd. De Arianen leerden, dat de Zoon door den wil des Vaders uit niets was voortgebracht. Doch dit was geen generatie maar creatie. Scheppen is to xwqen kai oÇk k tjv oÇsiav tou ktizontov kai poiountov ginesqai to ktizomenon kai poioumenon ‡nomoion pantelwv katH oÇsian; maar generatie is to k tjv oÇsiav tou gennwntov proagesqai to gennwmenon émoion katH oÇsian, Damasc. de fide orthod. I 8, cf. Athan, de decr. nic. syn. 13. 26. c. Ar. I 5. 6. De Zoon is geen schepsel, maar God te prijzen in alle eeuwigheid, Rom. 9 : 5. En daarom is Hij niet voortgebracht door den wil des Vaders, uit niets en in den tijd. Maar Hij is gegenereerd uit het wezen des Vaders, in de eeuwigheid. De generatie is daarom geen eigenlijk werk, geene nergeia van den Vader , maar den Vader komt toe eene fusiv gennjtikj. Dat wil natuurlijk niet zeggen, dat de generatie eene onbewuste ongewilde emanatie is, dat zij buiten den wil en de macht des Vaders omgaat. Zij is niet eene daad van een voorafgaanden, besluitenden wil, van eene boouljsiv projgoumenj, gelijk de schepping; maar zij is den Vader zoo van nature eigen, dat zijn |284| wil als voluntas concomitans daarin zijn gansche welbehagen heeft. Zij is openbaring van zijne fusewv gnjsiotjv kai oÇsiav ¸diotjv en dus ook van zijne kennis, wil en macht en van al zijne deugden, Athan. c. Ar. III 59-67. Greg. Naz. Or. III 6 sq. Cyrillus Alex. de trin. II. Hilarius, de trin. III 4. Augustinus, de trin. XV 20. Lombardus, Sent. I dist. 6. 7. Thomas, S. Th. I qu. 41 art. 2. In de derde plaats wordt daarom de generatie door de christelijke kerk ook als eene eeuwige beleden. De Arianen zeiden, dat de Zoon er eerst niet was, ×n pote éte oÇk ×n, beriepen zich vooral op het ktise, creavit van Spr. 8 : 22, cf. boven bl. 242, en wezen op de antinomie, die er tusschen de begrippen a¸wniov en gennjsiv bestaat. Maar indien Vader en Zoon dezen hun naam dragen in metaphysischen zin, gelijk de Schrift onwedersprekelijk leert, dan is daarmede de generatie ook als eene eeuwige bewezen. Indien de Zoon niet eeuwig is, is ook God immers niet eeuwig Vader; Hij was dan God voordat Hij Vader was en is eerst later in den tijd Vader geworden. De loochening der eeuwige generatie doet dus niet alleen tekort aan de Godheid des Zoons maar ook aan die des Vaders; zij maakt Hem veranderlijk, berooft Hem van zijn Goddelijke natuur, ontneemt Hem de eeuwigheid van het Vaderschap, en laat het onverklaard, hoe God waarlijk en met recht in den tijd Vader heeten kan, indien de grondslag daarvoor niet eeuwig ligt in zijne natuur, Athan., de decr. nic. syn. 26 sq. de sent. Dionysii 14 sq. c. Ar. I 12 sq. Basilius, adv. Eun. II 14 sq. de Spir. S. 14 sq. Greg. Naz. Or. theol. III 3 sq. Maar die generatie is dan ook in waren zin als eene eeuwige optevatten. Zij is niet eens in de eeuwigheid afgeloopen en volbracht, maar zij is eene eeuwige, onveranderlijke, en dus tegelijk eeuwig voltooide en eeuwig voortgaande daad Gods. Gelijk de zon het licht uitstraalt, en de bron het water uitstroomt, zoo is de generatie eigen aan de natuur des Vaders. De Vader was nooit en is nooit zonder generatie. Hij genereert altijd. OÇci gennjsen é patjr ton u³on kai ‡pelusen aÇton é patjr ‡po tjv genesewv aÇtou, ‡llH ‡ei genn‹ aÇton, Orig. in Jerem. hom. IX 4, de princ. I 2, 2. Gods genereeren is spreken en zijn spreken is eeuwig, Qeou a¸dion to gennjma Athan. c. Ar. I 14. 20. IV 12. de sent. Dion. 15. 16. Damascenus, de fide orth. 18. Aug. de trin. VI 1. Thomas, S. Theol. I qu. 42 art. 2. Polanus, Synt. theol. III c. 4. Voetius, Disp. V, 632. Synopsis pur. theol. VIII 11. Scholten, L.H.K. II 207. |285|







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004