18. Nadat alzoo de leer der triniteit in het algemeen is uiteengezet, dienen thans de drie personen afzonderlijk te worden besproken. De eerste persoon is de Vader en zijne personeele eigenschap is de paternitas of ook de ‡gennjsia. In den ariaanschen strijd speelde dit woord eene groote rol. Het werd uit het gewoon grieksch overgenomen. Plato noemde de ideeën ‡gennjtouv; Aristoteles noemde zoo de stof; de Gnostieken spraken van God als buqov ‡gennjtov, ingenitum, Iren. adv. haer. I 1. Van hen namen Paulus van Samosata en de Arianen, Aëtius en Eunomius dit spraakgebruik over, om daarmede de homoousie van den Zoon en den Geest met den Vader te bestrijden. De ‡gennjsia drukte, in tegenstelling met alle schepsel, Gods eigenlijk wezen uit. De Zoon echter is niet ‡gennjtov; Hij heet in de Schrift monogenjv en ook de orthodoxie noemt Hem gegenereerd; dus kan Hij niet God, maar moet Hij een schepsel wezen; wij mogen niet |280| duo ‡gennjta, d.i. duo qeouv aannemen, Athanasius, c. Ar. I 31 sq. de decr. nic. syn. 28 sq. Basilius, adv. Eunom. II 25 sq. enz. Nu bestaan er echter in het grieksch twee woorden: gennjtov a.v. gennan, gignere, generare en genjtov a.v. gignesqai, fieri; het laatste is veel ruimer dan het eerste en duidt alles aan wat voortgebracht wordt en een begin heeft van bestaan, hetzij door schepping, generatie of voortplanting. Deze beide woorden werden eerst nog niet altijd duidelijk onderscheiden; men wees er alleen op, dat het woord ‡gennjtov of ‡genjtov in verschillenden zin kon gebezigd worden en in den eenen zin niet en in den anderen zin wel op den Zoon kon toegepast worden. Maar langzamerhand werd het gebruik, om tusschen beide woorden onderscheid te maken. Alle drie personen konden dan in tegenstelling met alle schepsel, ‡genjtov heeten; geen hunner was voortgebracht op de wijze der creaturen; geen hunner had een begin van bestaan. De agenesie was eene eigenschap van het Goddelijk wezen en aan alle drie personen gemeen. Maar daarvan moest de ‡gennjsia onderscheiden worden. Deze was eene eigenschap van den Vader alleen. De Zoon kon gennjtov heeten, niet omdat Hij als een schepsel in den tijd was voortgebracht maar wijl Hij van eeuwigheid uit het wezen des Vaders was gegenereerd, cf. Athan., Basil. Gregor. t.a.p. Damascenus, de fide orthod. I c. 8. Augustinus, de trin. V c. 3. Petavius, de trin. V c. 1-3. Suicerus, s.v. Maar de kerkvaders merkten er tegelijk bij op, dat deze eigenschap, nl. de ‡gennjsia, bepaaldelijk aan den persoon en niet aan het wezen toekwam. Het wezen is in de drie personen één en hetzelfde, maar de agennesie is eene relatie in hetwezen. Gelijk Adam en Eva en Abel hetzelfde wezen deelachtig zijn, ofschoon ze dat op verschillende wijze ontvingen, zoo is ook in God het wezen één, schoon dit in de drie personen op verschillende wijze bestaat, Athan. de decr. nic. Syn. 8. Gregor. Naz. Orat. theol. V. Daarbij komt nog, dat de naam ‡gennjsia negatief is en alleen zegt, dat de Vader boven generatie verheven is, maar hij zegt niets positiefs aangaande Gods natuur; eigenlijk is hij dus ook geen aanduiding van den persoon des Vaders, want het ‡gennjtov esse en het Vader-zijn is volstrekt niet hetzelfde, Basilius, adv. Eun. I 9. 15. Greg. Naz. Orat. theol. III. August. de trin. V 5. Daarom is de naam van Vader te verkiezen boven dien van ‡gennjtov, Basilius, adv. Eun. I 5. De Schriftuurlijke naam van Vader duidt veel |281| beter dan die van ‡gennjtov de personeele eigenschap van den eersten persoon aan. In de paternitas ligt eene positieve relatie opgesloten tot den tweeden persoon. De naam Vader is Gode nog meer eigen dan de naam van God, want deze laatste is een algemeene naam, een nomen dignitatis, maar de Vadernaam in het N.T. is evenals die van Ihvh in het O.T. een nomen proprium, aanduiding van eene personeele eigenschap Gods. Wie Gode den Vadernaam ontzegt, doet Hem nog grooter oneer aan, dan wie zijne schepping ontkent. Deze Vadernaam is dan ook geen overdrachtelijke spreekwijze van menschen op God overgebracht. Veeleer is de verhouding omgekeerd. Het vaderschap op aarde is eene verre, zwakke gelijkenis van het Vaderschap Gods, Ef. 3 : 15. God is Vader in waarachtigen en volkomenen zin. Onder menschen is een vader ook weer zoon van een ander en een zoon op zijn beurt ook weer vader; onder menschen is een vader alleen niet in staat, om een zoon voorttebrengen; onder menschen is het vaderschap tijdelijk en in zekeren zin toevallig, niet wezenlijk met het mensch-zijn verbonden; het begint eerst laat en het houdt spoedig, in elk geval bij den dood, weer op. Maar in God is dat gansch anders. Hij is enkel en louter en geheel Vader; Hij is alleen Vader, Hij is Vader van natuur; Hij is Vader eeuwiglijk, zonder begin en einde, en daarom moet ook de generatie eene eeuwige zijn en de Zoon even eeuwig als de Vader, want als de Zoon niet eeuwig ware, kon de Vader ook niet eeuwig zijn. De eeuwigheid van het Vaderschap brengt de eeuwigheid van het Zoonschap mee; wie den Vader noemt, noemt vanzelf daarin ook den Zoon, Athanasius, c. Ar. I 23. 28. Greg. Naz. Orat. theol. III 5. 17. Damascenus, de fide orthod. I 8. Hilarius, de trin. XII 24. Om deze relatie van den Vader tot den Zoon en tevens tot den H. Geest werd de Vader dikwerf genoemd aÇtogenjv, aÇtogenjtov, aÇtofujv, ‡poijtov, ‡narcov, principii expers, sui ipse origo, suae causa, substantiae, sui principium; en voorts ‡rcj, a¸tia, riza, pjgj, principium, causa, radix, fons, origo, caput enz. van den Zoon en den Geest of van de gansche Godheid, Petavius, de trin. V 5. Suicerus, s.v.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004