16. Maar nu ligt de heerlijkheid van de belijdenis der triniteit juist hierin, dat die eenheid, hoe absoluut ook, verscheidenheid niet uit- maar insluit. Het wezen Gods is geen abstracte eenheid, geen afgetrokken begrip, maar een volheid van zijn, een oneindige rijkdom van leven, die in de verscheidenheid juist de hoogste eenheid ontvouwt. Die zelfonderscheidingen, welke de H. Schrift nu onder den naam van Vader, Zoon en Geest in het Goddelijk wezen ons kennen doet, worden in de theologie aangeduid met het woord persoon. In het Oosten bezigde men daarvoor eerst proswpon, correspondeerende aan het hebr. £ynp, aangezicht, uiterlijke verschijning, rol. Maar dit woord was voor misverstand vatbaar; Sabellius zeide, dat de ééne Goddelijke oÇsia of Ãpostasiv verschillende proswpa aannam. Daartegenover betoogden de kerkvaders, dat de drie proswpa in het Goddelijk wezen niet maar verschijningen, openbaringsvormen, doch dat zij proswpa nupostata waren, dat zij bestonden n Ãpostasei. Zoo werd het woord proswpon door Ãpostasiv vervangen, welk woord eerst grondslag, onderbouw, vastheid beteekent, en dan datgene aanduidt, wat werkelijk en niet maar in schijn bestaat, of ook datgene, wat in zichzelf bestaat in onderscheiding van accidentia, die inhaereeren in iets anders, cf. ook 2 Cor. 9 : 4, 11 : 17, Hebr. 1 : 3, 3 : 14, 11 : 1 en Cremer s.v. In het latijn bezigde men het woord persona, dat eerst het masker, dan de rol van een acteur aanduidde, daarna de conditio, qualitas, status, waarin iemand optreedt en zoo in de rechtstaal het jus standi in judicio te kennen gaf. Dit begrip was dus ook vrij zwevend, en bij Tertullianus wisselt het nog met allerlei andere woorden af, nomen, species, forma, gradus, ros. Toch bleef dit woord in het latijn behouden, ook toen in het Oosten proswpon reeds door Ãpostasiv vervangen was; want het woord Ãpostasiv was in het latijn door geen geschikt woord weer te geven; substantia kon men niet bezigen, omdat dit al voor het wezen in gebruik was. Maar dit verschil in uitdrukking gaf herhaaldelijk tusschen het Oosten en het Westen aanleiding tot misverstand. De Grieken dachten bij het latijnsche persona aan hun woord proswpon, en de Latijnen verstonden het grieksche Ãpostasiv in den zin van hun substantia. Over en weer verweet men elkaar de armoede der taal. Toch leerde men zakelijk geheel hetzelfde, nl. dat de drie personen geen modi maar zelfstandigheden waren. Zoo kreeg dus het woord proswpon, |274| persona in de kerkelijke taal tot wezenlijk kenmerk de zelfstandigheid, Ãpostasiv, subsistentia, subsistens, suppositum. Dezen zin heeft het woord Ãpostasiv nog bij Athanasius en de Cappadociërs. Maar later kreeg het woord persona er nog een karaktertrek bij. Als persona toch niets aanduidde dan Ãpostasiv, het in zichzelf bestaande, tegenover accidens, dan kon het ook wel van zaken gebezigd worden. In den christologischen strijd werd men tegenover Nestorianisme en Monophysitisme gedrongen tot nog scherper bepaling van natuur en persoon; en zoo kwam toen, in het aan Boethius toegeschreven de duabus naturis et una persona Christi, de definitie van persona op als naturae rationabilis individua substantia. Het woord drukte nu tweeërlei uit: zelfstandigheid en redelijkheid of zelfbewustheid. Deze beteekenis heeft het in de scholastiek, Lombardus, Sent. I dist. 23 cf. 25, 26. Thomas, S. Th. I qu. 29. Bonaventura, Sent. I dist. 23 qu. 1 en dist. 25, en voorts ook in de oudere Roomsche, Luth. en Geref. dogmatiek, Petavius, de trin. IV c. 9. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. S. 90 f. Beza, Tract. theol. I 646. Zanchius, Op. I 13. Maresius, Syst. theol. III 7. Synopsis pur. theol. VII 8 enz. Eerst sedert de vorige eeuw kwam de bepaling op, dat het wezen der persoonlijkheid ligt, niet in het in zichzelf bestaan, maar in zelfbewustzijn en zelfbepaling. Deze definitie moge nu voor de menschelijke persoonlijkheid juist zijn, hoewel ze ook dan nog aan bedenking onderhevig is, maar zij is in elk geval geen juiste omschrijving van hetwoord persoon in de leer der triniteit. Hier toegepast, zou zij leiden tot tritheisme, d.i. tot drie persoonlijkheden, ieder met een afzonderlijk zelfbewustzijn en zelfbepaling. Zelfs de definitie van Boethius past veelmeer in de leer van Christus dan in die der triniteit. En dat is ook telkens gevoeld. Richard van St. Victor bestreed ze, omdat ze sprak van individua substantia en omschreef persoon daarom als divinae naturae incommunicabilis existentia, de trip. IV 21. Calvijn sprak alleen van subsistentia in Dei essentia, Inst. I 13, 6, cf. Alting, Theol. probl. nova III qu. 31. En allen erkenden de waarheid van het woord van Augustinus: wij spreken van personen, non ut illud diceretur, sed ne taceretur, de trin. V 9. VI 10, cf. Anselmus, Monol. c. 37, 38. Calvijn, Inst. I 13, 2-4, en voorts Braun, Der Begriff Person in seiner Anwendong auf Trinität und Incarnation, Mainz 1896. Persoon |275| duidt in het dogma der triniteit niets anders aan, dan dat de drie personen in het Goddelijk wezen geen modi zijn maar elk op eigene wijze bestaan. Zelfs op het redelijke en zelf bewuste in dit begrip valt de nadruk volstrekt niet; want dit vloeit vanzelf daaruit voort, dat zij des zelfden wezens en alle deugden, dus ook de kennis en wijsheid deelachtig zijn. Wat echter in het woord persoon wordt uitgedrukt, is dat de eenheid des Goddelijken wezens zich ontplooit in een drievoudig bestaan. Het is eene unitas, ex semetipsa derivans trinitatem. De personen zijn geen drie openbaringsmodi van de ééne Goddelijke persoonlijkheid, maar het Goddelijk wezen bestaat niet anders dan als driepersoonlijk, juist omdat zij absolute, Goddelijke persoonlijkheid is. In den mensch hebben wij daarvan slechts eene zwakke analogie. Persoonlijkheid bij menschen komt alleen daardoor tot stand, dat er een subject is dat zichzelf als object tegenover zich stelt en zich met zichzelf weer samenvat; drie momenten constitueeren het wezen der menschelijke persoonlijkheid, maar bij ons zijn dat slechts momenten; in God zijn het, wijl er in Hem geen tijd of ruimte, geen uitbreiding en geen deeling is, drie Ãpostaseiv, drie bestaanswijzen van het ééne en zelfde wezen. Deze analogie van de menschelijke persoonlijkheid moet echter nog op eene andere wijze worden aangevuld. De menschelijke natuur is te rijk, om in één enkel mensch of persoon te worden belichaamd, zij breidt daarom in vele menschen zich uit en komt eerst in de menschheid tot haar volle ontplooing. Zoo ook ontplooit het Goddelijk wezen zijne volheid in drie personen; maar deze zijn geen drie individuen naast en gescheiden van elkaar, maar in en binnen het Goddelijk wezen de drievoudige zelfonderscheiding, welke de ontplooiing des wezens in de persoonlijkheid opneemt en deze alzoo driepersoonlijk maakt. De ontvouwing der menschelijke natuur is van tweeërlei aard; in den enkelen mensch tot persoonlijkheid en in de menschheid tot vele individuen, die saam ook weer een eenheid, eene persoonlijkheid vormen gelijk Christus met de gemeen te één volkomen man is, 1 Cor. 12 : 12, Ef. 4 : 13. Deze dubbele ontvouwing, die in de menschheid geen andere zijn kan, is in God ééne; de ontplooiing van zijn wezen tot persoonlijkheid valt saam met die van zijn wezen tot personen. De drie personen zijn de in en uit en door en binnen het wezen tot volkomene zelfontvouwing gebrachte ééne Goddelijke persoonlijkheid. |276|







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004