15. Om de leer der triniteit wel te verstaan, dienen drie vragen beantwoord: wat geeft het woord wezen te kennen? wat wordt er met het woord persoon aangeduid? En welke is de verhouding tusschen wezen en persoon en tusschen de personen onderling? Wat het begrip wezen aangaat, Aristoteles omschreef |271| oÇsia als eene substantie, Ó mjte kaqH Ãpokeimenon tinov legetai mjte n Ãpokeimenû tini stin, o³on é tiv ‡nqrwpov kai é tiv ³ppov. En zoo werd het woord ook eerst in de theologie gebruikt en op de drie personen zoowel als op het ééne wezen toegepast. Maar allengs werd oÇsia in een anderen zin gebezigd en werd het de aanduiding van het wezen, de natuur, de essentia van een ding, wat Aristoleles genoemd had to ti ×n e¸nai. Zoo word het synoniem met fusiv. Sommigen achtten dit woord, wijl afkomstig van funai, evenals natura van nasci, minder geschikt om het wezen Gods aan te duiden, Greg. Naz. ad Evagr., Dionys. de div. nom. c. 2. Maar dit woord werd toch ingeburgerd in de theologie evenals het woord natuur, en vond steun in 2 Petr. 1 : 4. OÇsia, fusiv, substantia, essentia, natura werd de constante naam voor het ééne wezen Gods, de Godheid in het algemeen, afgedacht van hare Ãparxiv, subsistentia en van hare tropoi Ãparxewv, modi subsistendi, dus voor de Goddelijke natuur, gelijk zij aan alle drie personen gemeenschappelijk is. Dit wezen Gods is één en eenvoudig, essentieel onderscheiden van alle creaturen en in ’t bezit van al die eigenschappen, welke vroeger behandeld zijn. De onderscheiding tusschen dit wezen en de drie personen in God vindt hare analogie in de schepselen. Bij deze maken wij onderscheid tusschen het wezen en de individuen. Paulus, Johannes, Petrus zijn allen dezelfde menschelijke natuur deelachtig maar zijn als personen van het wezen en van elkander onderscheiden, Basilius, Epist. 43. Maar er dreigt hier aanstonds een dubbel gevaar. Het nominalisme vat het wezen, het algemeene slechts op als een naam, een begrip en komt in de leer der triniteit dus tot tritheisme; het excessieve realisme denkt bij het wezen aan eene achter en boven de personen staande zelfstandigheid en komt dus tot tetradisme of sabellianisme. Zelfs Gregorius van Nyssa overwon dit overdreven realisme niet geheel. Ten betooge, dat de Godheid ééne is en er niet van drie Goden gesproken mocht worden, ontkende hij de toepasselijkheid van het getal ook op eindige schepselen. Het was volgens hem een misbruik, om van hen, die ééne natuur deelachtig zijn, in het meervoud en dus van vele menschen te spreken, ad Ablabium, cf. Petavius, de trin. IV c. 9. Schwane II 156 f. Dorner, Entw. I 916 f. Zoo wordt echter het onderscheid tusschen het wezen in God en in de schepselen over het hoofd gezien. Er is zonder twijfel analogie, en vanwege die |272| analogie mogen wij ook bij God van zijn wezen spreken. Maar die analogie onderstelt toch tegelijk een zeer belangrijk verschil. Het begrip van het wezen des menschen is een soortbegrip; de menschelijke natuur heeft wel reëel bestaan en is geen flatus vocis, zij is aanwezig wel niet buiten en boven de menschen, maar toch in iederen mensch. Doch zij bestaat in ieder mensch op eene eigene, eindige wijze; de menschen zijn evenals de goden in het polytheisme wel émoi- maar niet émo- of monoousioi. De menschelijke natuur is in de verschillende menschen niet tota en niet numero eadem; en de menschen zijn daarom niet alleen distincti maar ook divisi. In God is dat alles anders. De Goddelijke natuur is niet te denken als een abstract soortbegrip en evenmin als eene substantia buiten, boven, achter de personen; zij bestaat in de personen en in elk van deze tota en numero eadem. De personen zijn dus wel distincti maar niet divisi. Zij zijn émo-, mono-, tautoousioi. Zij zijn door geen plaats of tijd of wat ook gescheiden. Allen zijn ze dezelfde Goddelijke natuur en volmaaktheden deelachtig. Het is ééne en dezelfde Godheid, die in de drie personen, in allen en in elk in ’t bijzonder bestaat, zoodat er in God maar één Eeuwige, één Almachtige, één Alwetende is, één God met één verstand, één wil, ééne macht, Symb. Athan. n. 9-18. Het woord wezen handhaaft dus de waarheid, die in de Schrift steeds op den voorgrond wordt geplaatst, in het monotheisme ligt opgesloten en ook door het unitarisme verdedigd wordt. Welke onderscheidingen er in het Goddelijk wezen ook mogen bestaan, zij mogen en kunnen niet tekort doen aan de eenheid der natuur. Want in God is de eenheid niet gebrekkig en beperkt maar volmaakt en absoluut. Onder schepselen sluit alle verscheidenheid uit den aard der zaak ook minder of meer scheiding en verdeeling in. Al wat creatuur is, bestaat noodzakelijk in de vormen van ruimte en tijd en dus naast en na elkaar. Maar de eeuwigheid, de alomtegenwoordigheid, de almacht, de goedheid enz. sluiten krachtens heur aard alle scheiding en deeling uit. God is absolute eenheid en eenvoudigheid, zonder samenstelling of verdeeling, en die eenheid is zelve niet ethisch, niet contractueel van aard, gelijk onder menschen, maar volstrekt, en dus geen accidens aan het wezen, maar met het wezen Gods zelf één. |273|







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004