11. Dit dogma heeft echter ten allen tijde ernstige bestrijding gevonden. Niet alleen van buiten, van de zijde der Joden, Weber, System der altsyn. pal Theol. 147 f., en der Mohammedanen, b.v. Averroes, Stöckl, Philos. d. M.A. II 89, waartegen dan de Christenen verdedigend optraden, litt. bij Walch, Bibl. theol. sel. I 881 sq. 896 sq. Maar ook binnen de grenzen des Christendoms werd dit dogma zoowel vóór als na zijne vaststelling door velen weerstaan. In de belijdenis der triniteit klopt het hart der christelijke religie; elke dwaling is afgeleid uit of bij dieper doordenken te herleiden tot eene afwijking in de leer der drieëenheid. Zij is zulk een wezenlijk bestanddeel van het christelijk geloof, dat zij in de belijdenis der unitariers nog nawerkt. Allen, die op den naam van Christenen gesteld zijn, blijven spreken van Vader, Zoon en Geest, Nitzsch, Ev. Dogm. 425. Des te meer is echter de leer der triniteit in haar kerkelijken vorm bestreden en telkens anders voorgesteld. Maar de geschiedenis van dit dogma toont duidelijk, dat de kerkelijke vorm, waarin deze waarheid vervat is, alleen in staat is, om de zaak, waarom het te doen is, onvervalscht te handhaven. Nu bestaat het groote probleem bij dit dogma daarin, dat de eenheid des wezens de drieheid der personen niet teniet doe noch ook omgekeerd de drieheid der personen de eenheid des wezens opheffe. En daarom dreigt er altijd gevaar, om of ter rechter of ter linkerzijde af te dwalen en alzoo te vervallen tot Sabellianisme of tot Arianisme. Het Arianisme werd in de 2e en 3e eeuw voorbereid door de Ebionieten, de Alogi, Theodotus, Artemon, Paulus van Samosata, die in Christus wel een mensch zagen, op bovennatuurlijke wijze geboren en bij den doop gezalfd met den H. Geest, bekwaamd tot zijn werk en tot Heer verhoogd, maar die zijne praeëxistentie en Godheid beslist ontkenden. Het waren de aanhangers eener adoptiaansche Christologie, Harnack D.G. I 160. 616 f. In de vierde eeuw wordt deze leer voorgestaan door Lucianus en zijn leerling Arius en dan voorts door Aëtius en Eunomius. Arius leerde blijkens een geschrift Qaleia, waarvan Athanasius c. Ar. I ons fragmenten bewaard heeft, dat God, wijl ‡gennjtov en zonder aanvang, volstrekt eenig is. Hij is onuitsprekelijk, onbegrijpelijk, kan niet rechtstreeks met het eindige gemeenschap hebben, kan zijn wezen, dat juist in ‡gennjsia bestaat, niet meedeelen. Alles buiten Hem is dus geschapen, geworden door zijn wil. Hij is niet Vader van |261| eeuwigheid, maar Vader door en van de schepselen. Maar voordat God tot de schepping der wereld overging, bracht Hij tot bemiddeling, als een soort tusschenwezen, eene zelfstandige Ãpostasiv of oÇsia voort, die in de Schrift den naam draagt van wijsheid, zoon, logos, beeld Gods enz., en door wien God alle dingen heeft geschapen, en evenzoo ook nog eene derde, lagere Ãpostasiv nl. den Heiligen Geest. Deze Logos is niet gegenereerd uit het wezen Gods en heeft niet het wezen met den Vader gemeen, want dan waren er twee Goden, maar is geschapen of geboren, x oÇk ìntwn, is een ktisma of poijma Gods, voortgebracht qeljmati kai boulÛ. Er was dus een tijd, dat Hij niet was, ×n pote, éte oÇk ×n, al is Hij ook geschapen pro cronwn kai pro a¸wnwn, d.i. vóór de wereld. Deze Logos was daarom niet émoousiov met den Vader, maar geheel van Hem gescheiden, veranderlijk, zoowel het kwade als het goede kunnende kiezen. Maar Hij was toch een ktisma teleion, Hij koos het goede, werd daardoor onveranderlijk, en is als het ware tot een God geworden. Deze Logos is ook mensch geworden, heeft de waarheid verkondigd, onze verlossing bewerkt en is nu onze eere, maar niet onze aanbidding waardig, Harnack, D.G. I 194 f. Het Arianisme was sterk en vond vele aanhangers, niet het minst onder hen, die na de bekeering van keizer Constantijn om allerlei overwegingen tot het Christendom waren overgegaan. Bovendien leeren ons de geschriften van Athanasius, welke geduchte wapenen zij meebrachten in den strijd. Zij beriepen zich voooreerst op eene reeks van Schriftplaatsen, die de eenheid Gods, Deut. 6 : 4, 32 : 39, Joh. 17 : 3, 1 Cor. 8 : 6, de geboorte of wording des Zoons, Spr. 8: 22, Col. 1 : 15, zijne ondergeschiktheid aan den Vader, Joh. 14 : 28, 1 Cor. 15 : 28, Hebr. 3 : 2, zijne onwetendheid, Mark. 13 : 32, Joh. 11 : 34, zijne beperkte macht, Mt. 28 : 18 en goedheid, Luk. 18 : 19, zijne toenemen in wijsheid, Luk. 2: 52, zijn lijden, Joh. 12 : 27, 13 : 21, Mt. 26 : 39, 27 : 46, zijne verheffing tot Heer en Christus uitspraken, Hd. 2 : 36, Phil. 2 : 9, Hebr. 1 : 4 enz. Voorts betoogden zij met vele aanhalingen, dat zij vele vroegere kerkvaders aan hunne zijde hadden. Dan ontleenden zij verschillende argumenten aan de Aristotelische, nominalistisch opgevatte, philosophie, en betoogden daarmede de eenigheid en de ‡gennjsia Gods. En eindelijk wezen zij de zwakheden en de tegenstrijdigheden aan, die der christologie van Nicea aankleefden; waarbij vooral dit argument eene groote plaats |262| innam, dat, als de Zoon gegenereerd was, Hij daardoor van God als den ongeborene, ‡gennjtov, wezenlijk onderscheiden en dus in den tijd was ontstaan.

Het Sabellianisme werd in de tweede en derde eeuw voorbereid door Noëtus, Praxeas, Epigonus, Cleomenes, die leerden, dat in Christus de Vader zelf geboren was, geleden had en gestorven was, dat Vader en Zoon dus namen waren voor denzelfden persoon in verschillende relatiën, vóór en in de menschwording, an sich en in zijne historische verschijning, of ook dat de Goddelijke natuur in Christus de Vader, en de menschelijke natuur, de sarx, de Zoon was. Dit monarchianisme, patripassianisme of modalisme werd in de derde eeuw voorgestaan en verder ontwikkeld door Sabellius. Vader, Zoon en Geest zijn dezelfde God; het zijn drie namen voor éénzelfde wezen, dat hij u³opatwr noemde, doch niet tegelijkertijd, maar in drie opeenvolgende energiën of stadiën. God bestond eerst in het prosopon, de verschijning, den modus des Vaders nl. als Schepper en Wetgever; daarna in het prosopon des Zoons als Verlosser van menschwording tot hemelvaart; en eindetijk in het prosopon des H. Geestes als Levendmaker. Sabellius beriep zich daarbij vooral op Deut. 6 : 4, Ex. 20 : 3, Jes. 44 : 6, Joh. 10 : 38. Sabellius nam dus ook den H. Geest op in het wezen Gods, plaatste Zoon en Geest op gelijke lijn met den Vader, en leerde voorts eene historische successie in de openbaringen Gods, een worden in God zelven, Hippolytus, Philos. IX. Epiphanius, Haeres. 62. Orig. de princ. I 2. Athanas. c. Ar. IV. Harnack D.G. I 674 f.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004