7. Ten slotte geeft de H. Schrift ons ook eenig inzicht in de immanente relatiën Gods door den naam des Heiligen Geestes. Vooraf verdient het opmerking, dat de leer des H. Geestes door al de Schriften van Oud en Nieuw Verbond dezelfde is. Hoewel in het N. Test. veel klaarder geopenbaard, is zij in beginsel ook in het O.T. aanwezig. Het N.T. is zich bewust geen andere leer des Geestes te geven, dan die in het O.T. gevonden werd; het was dezelfde H. Geest, die eertijds door de profeten sprak, Mt. 22 : 43, Mk. 12 : 36, Hd. 1 : 16, 28 : 25, Hebr. 3 : 7, 10 : 15, 1 Petr. 1 : 11, 2 Petr. 1 : 21, in Noachs dagen getuigde, 1 Petr. 3 : 19, door Israel werd weerstaan, Hd. 7 : 51, die het geloof werkte, 2 Cor. 4 : 13, die op den Messias neerdalen en in de gemeente wonen zou, Mt. 12 : 18, Luk. 4 : 18, 19, Hd. 2 : 16. Hoewel nu het Goddelijk wezen Geest is, Joh. 4 : 24, en heilig is, Jes. 6 : 3, zoo is de Heilige Geest toch in de Schrift eene aanduiding van een bijzonder persoon in het Goddelijk wezen, onderscheiden van Vader en Zoon. Hij draagt dezen naam om zijn bijzonderen modus subsistendi. Geest beteekent eigenlijk wind, adem. De H. Geest is de adem des Almachtigen, Job. 33 : 4, de Geest zijns monds, Ps. 33 : 6, die door Jezus vergeleken wordt bij den wind, Joh. 3 : 8 en geblazen wordt op zijne discipelen, Joh. 20 : 22, cf. 2 Thess. 2 : 18. De Geest is God als het immanente levensprincipe in al het geschapene. En heilig heet Hij, omdat Hij zelf in eene bijzondere relatie tot God staat en alle dingen in eene bijzondere relatie tot God stelt. Hij is niet de Geest van den mensch, van een schepsel, maar de Geest van God, de Heilige Geest, Ps. 51 : 13, Jes. 63 : 10, 11. Gelijk de adem uit onzen mond, zoo gaat de Geest uit van God en houdt alle schepsel levend. Daarom heet Hij de Geest Gods, de Geest des Heeren, de Geest des Vaders, Gen. 1 : 2, Jes. 11 : 2, Mt. 10 : 20, en ook de Geest van Christus, de Geest des Zoons, Rom. 8 : 2, 9, 1 Cor. 2 : 6, 2 Cor. 3 : 17, 18, Phil. 1 : 19, Gal. 3 : 2, 4 : 6, 1 Petr. 1 : 11, staande voor den troon Gods en des Lams, Op. 1 : 4, 3 : 1, 4 : 5, 5 : 6. Deze uitgang des Geestes wordt in de Schrift met verschillende namen aangeduid. Meestal wordt het zoo uitgedrukt, dat de Geest door God of door Christus gegeven, Num. 11 : 29, |247| Neh. 9 : 20, Jes. 42 : 1, Ezech. 36 : 27, Joh. 3 : 34, 1 Joh. 3 : 24, 4 : 13, gezonden of uitgezonden, Ps. 104 : 30, Joh. 14 : 26, 15 : 26, 16 : 7, Gal. 4 : 6, Op. 5 : 6, uitgegoten of uitgestort, Jes. 32 : 15, 44 : 3, Joel 2 : 28, Zach. 12 : 10, Hd. 2 : 17, 18, van God nedergedaald, Mt. 3 : 16, in het midden van Israel gesteld, Jes. 63 : 11, Hagg. 2 : 6, op iemand gelegd, Mt. 12 : 18, op iemand geblazen is, Joh. 20 : 22 enz. Maar er wordt ook gezegd, dat de Geest uitgaat, kporeuetai para tou patrov, Joh. 15 : 26. Dit had bepaaldelijk plaats op den Pinksterdag. Daarom treedt de persoonlijkheid des H. Geestes ook thans eerst duidelijk op. In het O. Test. is er wel onderscheid tusschen God en zijn Geest. Maar de aard van dat onderscheid blijft duister. OÇpw gar ×n pneuma, éti HIjsouv oÇdepw doxasqj, Joh. 7 : 39. Maar nu wordt van Hem als van een persoon gesproken. Hij wordt aangeduid als keinov, Joh. 15 : 26, 16 : 13, 14, parakljtov, Joh. 15 : 26, cf. 1 Joh. 2 : 1, ‡llov parakljtov, Joh. 14 : 16, die van zichzelven spreekt in den eersten persoon, Hd. 13 : 2, wien allerlei persoonlijke vermogens en werkzaamheden worden toegeschreven, als onderzoeken, 1 Cor. 2 : 10, 11, oordeelen, Hd. 15 : 28, hooren, Joh. 16 : 13, spreken, Hd. 13 : 2, Op. 2 : 7 enz. 14 : 13, 22 : 17, willen, 1 Cor. 12 : 11, leeren, Joh. 14 : 26, bidden, Rom. 8 : 27, getuigen, Joh. 15 : 26, enz. en die met Vader en Zoon gecoördineerd en op ééne lijn wordt geplaatst, Mt. 28 : 19, 1 Cor. 12 : 4-6, 2 Cor. 13 :13, Op. 1 : 4. Dit nu kan niet, tenzij Hij ook waarachtig God zij. Gelijk zijne persoonlijkheid, zoo komt ook de Godheid des H. Geestes eerst in het N.T. duidelijk aan het licht. Zij blijkt allereerst daaruit, dat in weerwil van het onderscheid, hetwelk tusschen God en zijn Geest bestaat, het toch volkomen hetzelfde is, of God dan of zijn Geest iets zegt, in ons woont, door ons veracht wordt, Jes. 6 : 9 en Hd. 28 : 25, Jer. 31 : 31 en Hebr. 10 : 15, Ps. 95 : 7, 8 en Hebr. 3 : 7-9, Hd. 5 : 3 en 4, Rom. 8 : 9 en 10, 1 Cor. 3 : 16 en 6 : 19, Ef. 3 : 22. Dit komt dan alleen tot zijn volle recht, wanneer met het personeele onderscheid de wezenseenheid gepaard gaat. Voorts worden allerlei Goddelijke eigenschappen even goed aan Gods Geest als aan God zelven toegeschreven: bijv. eeuwigheid, Hebr. 9 : 14, alomtegenwoordigheid, Ps. 139 : 7, alwetenheid, 1 Cor. 2 : 10, 11, almacht, 1 Cor. 12 : 4-6, en wederom onderstelt dit dat de Geest wezenséén is met God zelven. Hetzelfde is het |248| geval met de Goddelijke werken van de schepping, Gen. 1 : 2, Ps. 33 : 6, Job. 33 : 4, Ps. 104 : 30, en van de herschepping. Ja, in deze komt vooral zijne Godheid duidelijk uit. Hij is het, die Christus door zijne zalving heeft bekwaamd tot zijn ambt, Jes. 11 : 2, 61 : 1 en Luk. 4 : 18, Jes. 42 : 1 en Mt. 12 : 18, Luk. 1 : 35, Mt. 3 : 16, 4 : 1, Joh. 3 : 34, Mt. 12 : 28, Hebr. 9 : 14, Rom. 1 : 4, die de apostelen toerust tot hun bijzondere taak, Mt. 10 : 20, Luk. 12 : 12, 21 : 15, 24 : 49, Joh. 14 : 16 v., 15 : 26, 16 : 13 v., enz. die aan de geloovigen allerlei gaven en krachten uitdeelt, 1 Cor. 12 : 4-11, en die bovenal in de gemeente wonen doet de volheid van Christus. De H. Geest staat tot Christus in dezelfde verhouding als Christus tot den Vader. Gelijk de Zoon niets heeft en niets doet en niets spreekt van zichzelven maar alles ontvangt van den Vader, Joh. 5 : 26, 16 : 15, zoo neemt de H. Geest alles uit Christus, Joh. 16 : 13, 14. Gelijk de Zoon van den Vader getuigt en den Vader verheerlijkt, Joh. 1 : 18, 17 : 4, 6, zoo op zijne beurt de H. Geest den Zoon, 15 : 26, 16 : 14. Gelijk niemand tot den Vader komt dan door den Zoon, Mt. 11 : 27, Joh. 14 : 6, zoo kan niemand zeggen Jezus den Heere te zijn dan door den H. Geest, 1 Cor. 12 : 3. Er is geen gemeenschap met God dan door den Geest. Maar die Geest schenkt dan ook al de weldaden, die Christus verworven heeft, de wedergeboorte, Joh. 3 : 3, de overtuiging van zonde, Joh. 16 : 8-11, het kindschap, Rom. 8 : 15, de vernieuwing, Tit. 3 : 5, de liefde Gods, Rom. 5 : 5, allerlei geestelijke vruchten, Gal. 5 : 22, de verzegeling, Rom. 8 : 23, 2 Cor. 1 : 22, 5 : 5, Ef. 1 : 13, 4 : 30, de opstanding, Rom. 8 : 10. Ja, door den Geest hebben wij met niemand minder dan met den Zoon en den Vader zelven rechtstreeksche, onmiddellijke gemeenschap. De H. Geest is God zelf in ons, Joh. 14 : 23 v., 1 Cor. 3 : 16, 6 : 19, 2 Cor. 6 : 16, Gal. 2 : 20, Col. 3 : 11, Ef. 3 : 17, Phil. 1 : 8, 21. Wie kan dat alles ons schenken, wie kan God zelven in onze harten doen wonen, dan een, die zelf God is? Daarom komt Hem ook Goddelijke eer toe. Hij staat naast Vader en Zoon ds oorzaak van alle heil, Mt. 28 : 19, 1 Cor. 12 : 4-6, 2 Cor. 13 : 13, Op. 1 : 4. In zijn naam worden wij gedoopt, Mt. 28 : 19. Van Hem is alle leven en kracht. Hij is de auteur onzer gebeden, Zach. 12 : 10, Rom. 8 : 15, 16. En daartegenover wordt de gemeente gewaarschuwd Hem te bedroeven, Jes. 63 : 10, Ef. 4 : 30; zelfs is de lastering tegen den |249| H. Geest onvergefelijk, Mt. 12 : 31, 32. Oudere litteratuur over den H. Geest wordt opgegeven door Walch, Bibl. theol. sel. 175 sq. 241, waaronder vooral Owen, Discourse on the Holy Spirit 1674, holl. 1746, de aandacht verdient, en door Dr. Kuyper, Het werk van den H. Geest, 1888 in de voorrede; nieuwere litteratuur vooral bij M. Beversluis, de H. Geest en zijne werkingen Volgens de Schriften des N.V. 1896 bl. VII, waaronder vooral in aanmerking komen J. Gloël, Der H. Geist in der Heilsverkündigung des Paulus 1888. H. Gunkel, Die Wirkungen des H. Geistes u.s.w. Gött. 1888. Voorts nog Synopsis der dogm. moraltheol. Lehre von der Wirksamkeit des H. Geistes zunächst nach dem h. Thomas von Aquin, von Dr. I.E. Pruner, Lycealprogramm für das Jahr 1891 Eichstätt. W. Koelling, Preumatologie oder die Lehre von der Person des H. Geistes, Gütersloh 1894. Dr. G. Smeaton, The doctrine of the Holy Spirit 1882.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004