6. Verder wordt ons ook licht verspreid over de immanente verhoudingen Gods door de namen, die de Zoon draagt in de Schrift. Deze namen zijn zeer vele in getal, slaan meest op zijne historische verschijning en komen daarom later in den locus de Christo ter sprake. Maar er zijn er ook onder, die Hem toekomen vóór en afgedacht van zijne vleeschwording. Vooreerst komt de naam Logos in aanmerking . Er zijn verschillende redenen opgegeven, waarom Christus dezen naam draagt. Het woord is vertaald door ratio, sermo, verbum, en dan weder opgevat als verbum |242| interius of exterius, Petavius, de trin. VI c. 1. Het uitgangspunt voor de benaming ligt echter ongetwijfeld in de doorloopende leer der Schrift, dat God zich in schepping en herschepping openbaart door het woord. Door het woord schept, onderhoudt en regeert God alle dingen, en door het woord vernieuwt en herschept Hij ook de wereld. Het evangelie heet daarom ook het woord Gods, logov tou qeou. Johannes noemt Christus den Logos, omdat Hij het is, in en door wien God zich openbaart, zoowel in schepping als in herschepping, Joh. 1 : 3, 14. In het Oude Testament treedt echter het woord, waardoor God zich openbaart, eerst op bij de schepping. De hypostase en het eeuwig bestaan van dat woord wordt niet uitgesproken. In Spreuken 8 wordt de wijsheid wel persoonlijk en eeuwig voorgesteld maar ook in nauw verband gebracht met de schepping; met het oog op deze is zij door God bereid, aangesteld, doorzocht, vs. 22, 23. De Arianen leidden uit het ynnp van vs. 22, LXX ktise me, Syr. Trg. yn'rb cf. Sirach 1 : 4, 9, 24 : 8 af, dat de Zoon niet eeuwig gegenereerd maar vóór alle dingen geschapen was. En de kerkvaders beweerden daartegenover dat ynnp moest overgezet worden door ktjsato, Aq. Symm., of possedit, Hieron., of dat dit woord niet sloeg op het wezen des Zoons maar op zijn ambt en waardigheid bij schepping en herschepping. Zonder twijfel, is het laatste het geval. Er is hier geen sprake van eene eeuwige generatie, maar er wordt alleen gezegd dat God de wijsheid bereidde, ynnp, en aanstelde, ytcsn, dat zij geboren werd, ytllx, vóór en met het oog op de schepping, Petavius, de trin. II c. 1. Maar het N. Testament gaat hier ver boven uit. Johannes zegt niet alleen, dat Hij, in en door wien God zich openbaart, een persoon is, maar hij verklaart uitdrukkelijk, dat deze Logos in den beginne was, n ‡rcÛ ×n é Logov. Hij werd niet Logos, Hij is er niet eerst toe bereid en aangesteld bij de schepping; Hij was als persoon en van nature Logos, Logos van eeuwigheid. En voorts was Hij zelf qeov, Hij stond in verkeer met God, ×n n ‡rcÛ prov ton qeon, vs. 2, e¸v ton kolpon tou patrov, vs. 18, voorwerp zijner eeuwige liefde en zelfmededeeling, 5 : 26, 17 : 24. Daarom kon Hij ook den Vader volkomen openbaren, omdat Hij zijne Goddelijke natuur, zijn Goddelijk leven, zijne Goddelijke liefde enz. van eeuwigheid deelachtig en van nature Logos was. God deelde zich mede aan Hem, daarom kan Hij God mededeelen aan ons. De Logos is de absolute |243| openbaring Gods, want God heeft zich met al zijne volheid eenwiglijk aan Hem medegedeeld.

Een andere naam is die van Zone Gods. In het O. Test. heeft deze naam meestal theocratische beteekenis. Israel heet zoo, omdat het door God verkoren, geroepen, aangenomen is, Ex. 4 : 22, 19 : 5, Deut. 1 : 31, 8 : 5, 14 : 1, 32 : 6, 18, Jes. 63 : 8, Jer. 31 : 9, 20, Hos. 11 : 1, Mal. 1 : 6, 2 : 10. In het N. Test. komt daarvoor de gemeente in de plaats, welke bestaat uit u³oi qeou door aanneming of tekna qeou door geboorte. Bepaaldelijk is de titel zoon Gods ook menigwerf een ambtsnaam, voor de rechters Ps. 82 : 6, voor de engelen, Job 38 : 7, en vooral ook voor den koning, 2 Sam. 7 : 11-14, Ps. 89 : 27, 28. In Psalm 2 : 7 zegt Jahveh tot den over Sion gezalfden Koning: §ytdly £ôyh yn', ht' ynb, LXX gegennjka se, Vulg. genui te; ten dage, toen de Heere Hem zalfde en aanstelde tot koning, heeft Hij Hem tot Zoon gegenereerd en Hem het recht gegeven op de wereldheerschappij. Ten aanzien van David slaat dit terug op het besluit Gods in 2 Sam. 7, en ten aanzien van den door David afgeschaduwden Messias wordt het in Hebr. 1 : 5, 5 : 5 verklaard van de eeuwigheid, cf. vs. 2, 3, in welke Christus als de Zoon door den Vader is gegenereerd, d.i. in welke Hij voortgebracht is als het afschijnsel van Gods heerlijkheid en het uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheid. En dat Hij dit was, is nu volgens Hd. 13 : 33, Rom. 1 : 3 krachtig bewezen in de opstanding. In Micha 5 : 1 is eene verwante gedachte uitgedrukt. De Heerscher over Israel, die eens uit het kleine Bethlehem zal voortkomen, bestaat reeds van ouds. Zijne uitgangen als Heerscher, van God uit, zijn reeds van de dagen der eeuwigheid. Hij was Heerscher van eeuwigheid, Hij heeft dit getoond in de geschiedenis van Israel en zóó komt Hij eens zichtbaar uit Bethlehem te voorschijn. De benaming Zoon Gods, op den Messias toegepast, gaat ongetwijfeld uit van de theocratische beteekenis dezer uitdrukking in het O. Testament. Het is niet waarschijnlijk, dat de bezetenen, Mt. 8 : 29, cf. 4 : 3, de Joden, Mt. 27 : 40, de Hoogepriester, Mt. 26 : 63, of ook zelfs de discipelen althans in den eersten tijd, Joh. 1 : 50, 11 : 27, Mt. 16 : 16 den vollen inhoud van deze benaming hebben verstaan. Maar bij Christus krijgt deze naam toch eene veel diepere beteekenis. Wel heet Hij nu en dan als middelaar en koning Gods Zoon in theocratischen zin, Luk. 1 : 35, ofschoon ook dan de |244| adoptiaansche voorstelling, dat hij naar zijne Goddelijke natuur Zoon is door generatie en naar zijne menschelijke natuur door adoptie, gelijk beweerd werd door de Socinianen, Remonstr. Conf. art. 3. Apol. Conf. art. 3. Limborch, Theol. Christ. II 17, 10. B.S. Cremer, cf. Archief v. Kerk. Gesch. v. Ned. VIII 419-428, Calv. Inst. II 14. 6. Moor, I 755 sq. enz., in de Schrift geen steun vindt. Maar Christus is niet eerst als een koning onder Israel in den tijd tot Zone Gods aangenomen. Hij heet niet Gods Zoon om zijne bovennatuurlijke geboorte, gelijk de Socinianen leerden en Hofmann, Schriftbeweis I 116 f. nog tracht te betoogen. Hij draagt dien naam ook niet in ethischen zin, zooals velen meenen, Weiss, Bibl. Theol. § 17. Ritschl, Rechtf. u. Vers. II2 97. Scholten, L.H.K. II 206 e. a. Hij is het ook niet eerst geworden door zijn middelaarschap en zijne opstanding, waarvoor men zich beroept op Joh. 10 : 34-36, Hand. 13 : 32, 33, Rom. 1 : 4. Maar Hij is Zoon Gods in metaphysischen zin, van natuur en van eeuwigheid. Hij is hoog verheven boven engelen en profeten, Mt. 13 : 32, 21 : 27, 22 : 2, en staat in geheel eenige verhouding tot God, Mt. 11 : 27. Hij is de geliefde Zoon, in wien de Vader zijn welbehagen heeft, Mt. 3 : 17, 17 : 5, Mark. 1 : 11, 9 : 7, Luk. 3 : 22, 9 : 35, de eengeboren Zoon, Joh. 1 : 18, 3 : 16, 1 Joh. 4 : 9 v., de eigen Zoon, Rom. 8 : 32, de eeuwige Zoon, Joh. 17 : 5, 24, Hebr. 1 : 5, 5 : 5, wien de Vader gaf zwjn cein n ›autû, Joh, 5 : 26, die den Vader gelijk is in kennis, Mt. 11 : 27, in eer, Joh. 5 : 23, in macht bij schepping en herschepping, Joh. 1 : 3, 5 : 21, 27, in werkzaamheid, Joh. 10 : 30, in heerschappij, Mt. 11 : 27, Luk. 10 : 22, 22 : 29, Joh. 16 : 15, 17 : 10, en juist om dit zijn Zoonschap veroordeeld is tot den dood, Joh. 10 : 33, Mt. 26 : 63 v.

In de derde plaats komt hier nog de naam Beeld Gods ter sprake. Wel kan de mensch bij analogie zoo genoemd worden maar Christus is het in volstrekten zin. Hij was vóór zijne menschwording als Logos, als Zoon, Rom. 1 : 3, 4, 8 : 3, Gal. 4 : 4, n morfÛ qeou, Phil. 2: 6, rijk, 2 Cor. 8 : 9, bekleed met heerlijkheid, Joh. 17 : 5, en is nu daarin door zijne opstanding en hemelvaart teruggekeerd. Zoo was Hij dan en is Hij thans nog e¸kwn tou qeou tou ‡oratou, Col. 1 : 15, 2 Cor. 4 : 4, ‡paugasma tjv doxjv kai caraktjr tjv Ãpostasewv aÇtou, Hebr. 1 : 3, d.i. niet de uitstraling zelve, ‡paugasmov, maar het door uitstraling, |245| weerkaatsing bewerkte of ontstane beeld, ‡paugasma, van Gods heerlijkheid en de uitdrukking, de afdruk van de zelfstandigheid, van het wezen des Vaders. Als zoodanig is Hij prwtotokov pasjv ktisewv, Col. 1 : 15, Op. 1 : 14, de in vergelijking met alle schepsel eerstgeborene en dus bestaande vóór alle schepsel en niet gelijk de schepselen gemaakt of geschapen, prwtoktistov, prwtoplastov, maar geboren, prwtotokov, in wien alles geschapen werd, ktisqj en is Hij tevens ‡rcj, prwtotokov k twn nekrwn, n pasin prwteuwn, Col. 1 : 18, prwtotokov n polloiv ‡delfoiv, Rom. 8 : 29, naar wiens beeld de geloovigen worden vernieuwd, 2 Cor. 3 : 18, Phil. 3 : 21. De uitdrukking prwtotokov sluit Christus niet bij de schepselen in maar sluit Hem juist daarvan uit. Hij stond als eenig- en eerstgeborene, als Zoon en Logos, als adaequaat beeld Gods tot den Vader van eeuwigheid in eene geheel eenige relatie. En wel wordt Christus nu als Middelaar voorgesteld als afhankelijk van den Vader en staande onder den Vader, zoodat Hij een gezondene, een knecht, een volbrenger van het werk des Vaders is, gehoorzaam tot den dood toe en eens zijn koninkrijk aan den Vader overgevend, maar nooit wordt daarmede aan zijne wezenseenheid te kort gedaan. In Joh. 14 : 28 zegt Jezus, dat zijn heengaan tot den Vader voor de discipelen eene oorzaak van vreugde is, éti é patjr meizwn mou stin. Daarmede drukt Hij niet uit, dat de Vader grooter is aan macht, wat door Joh. 10 : 28-30 bepaald weersproken wordt; maar Hij denkt aan de verhouding, waarin Hij thans in zijne vernedering staat tot den Vader. Nu is deze grooter. Maar deze mindere grootte van Jezus zal juist ophouden, wanneer Hij tot den Vader gaat, en daarom kunnen zijne discipelen zich over zijn heengaan verblijden; Hij is juist in wezen en natuur aan den Vader gelijk, ofschoon thans in ambt en stand minder dan de Vader. Hij is geen schepsel, maar was en is en blijft God, boven alles te prijzen in der eeuwigheid, Joh. 1 : 1, 20 : 28, Rom. 9 : 5, Hebr. 1 : 8, 9, 2 Petr. 3 : 18, 1 Joh. 5 : 20, Openb. 1 : 8, 11, cf. ook misschien 2 Thess. 1 : 12, Tit. 2 : 13, 2 Petr. 1 : 1. De poging, vroeger reeds door de Socinianen en thans door Ritschl, Schultz, Kaftan, Pfleiderer e.a. aangewend, om den naam qeov, van Christus gebezigd, niet als wezens- maar als ambtsnaam op te vatten, vereischt later in de leer over Christus breedere bespreking. Thans zij alleen opgemerkt, dat deze benaming bij Christus onwaar is, indien Hij |246| niet werkelijk ook de Goddelijke natuur deelachtig is, Lipsius, Theol. Jahresbericht X 378.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004