5. De H. Schrift blijft echter bij deze gegevens niet staan; zij biedt nog meer en doet ons ook iets kennen van de relatiën, waarin deze drie onderscheidene subjecten, Vader, Zoon en H. Geest tot elkander staan. Daarvoor komt allereerst de Vadernaam in aanmerking. Deze naam duidt in den algemeensten zin God aan als Schepper van al zijne werken, inzonderheid van den mensch, Num. 16 : 22, Mt. 7 : 11, Luk. 3 : 28, Joh. 4 : 21, Hd. 17 : 28, 1 Cor. 8 : 6, Ef. 3 : 15, Hebr. 12 : 9. In het O. Test. krijgt deze naam theocratische beteekenis; God is de Vader van Israel, wijl Hij het door zijne wondere mogendheid schiep en bewaarde, Deut. 32 : 6, Jes. 63 : 16, 64 : 8, Mal. 1 : 6, 2 : 10, Jer. 3 : 19, 31 : 9, Ps. 103 : 13, Rom. 9 : 4; in het N.T. gaat deze beteekenis |240| over in de ethische, in welke God de Vader is van zijne kinderen, Mt. 6 : 4, 8, 9, Rom. 8 : 15 enz. Maar in geheel eenigen, metaphysischen zin is God Vader van den Zoon. Jezus maakt altijd een wezenlijk onderscheid tusschen de verhouding, waarin Hijzelf en waarin anderen, de Joden, de discipelen, tot den Vader staan, Mt. 11 : 25-27, Luk. 22 : 29, Joh. 2 : 16, 5 : 17, 20 : 17 enz. Hij noemde God zijn eigen Vader, patera ¸dion, Joh. 5 : 18. En duidelijk wijst de Schrift aan, dat de Vadernaam niet in de eerste plaats geldt van God in betrekking tot Israel en de geloovigen, maar integendeel oorspronkelijk van de verhouding des Vaders tot den Zoon, Joh. 14 : 6-13, 17 : 26. God is in eigenlijken, oorspronkelijken zin Vader van den Zoon, Hij heeft den Zoon lief, Joh. 5 : 19v., 10 : 17, 17 : 24, 26, en deze liefde gaat van den Vader door den Zoon op anderen over, Joh. 16 : 27, 17 : 26. Deze verhouding van den Vader tot den Zoon is niet geworden in den tijd maar zij is van eeuwigheid, Joh. 1 : 14, 8 : 38, 17 : 5, 24. En daarom wordt God door de apostelen telkens in bijzonderen zin genoemd de Vader van onzen Heere Jezus Christus, Rom. 15 : 6, 1 Cor. 15 : 24, 2 Cor. 1 : 3, Gal. 1 : 1, Ef. 1 : 3 enz. Het Vaderschap van den Zoon is zijne bijzondere, personeele eigenschap. Hij alleen is van zichzelven, de eerste in orde van bestaan, Joh. 5 : 26, en daarom ook de Vader beide in schepping en herschepping, uit wien alle dingen zijn, 1 Cor. 8 : 6. Zoo in Oud als in Nieuw Testament is het de Vader, die de eerste plaats inneemt. Zijns is het voornemen, Hd. 4 : 28, Ef. 1 : 11, het welbehagen, Mt. 11 : 26, Ef. 1 : 9, het initiatief in schepping en verlossing, Ps. 33 : 6, Joh. 3 : 16, de xousia en de dunamiv, Mt. 6 : 13, Rom. 1 : 20, Ef. 1 : 19, de gerechtigheid, Gen. 18 : 25, Deut. 32 : 4, Joh. 17 : 25, Rom. 3 : 26, 2 Tim. 4 : 8, de goedheid, de wijsheid, de onsterfelijkheid, het ontoegankelijke licht, Mt. 19 :17, Rom. 16 : 27, 1 Tim. 6 : 16. Daarom draagt hij ook telkens den naam van God in bijzonderen zin. Hij is Elohim, Jahveh Elohim, El Eljon, El Schaddai, monov ‡ljqinov qeov, Joh. 17 : 3, e³v qeov, 1 Cor. 8 : 6, 1 Tim. 2 : 5, die als God en Vader genoemd wordt naast den Heere Jezus Christus en den H. Geest, 1 Cor. 12 : 6, 2 Cor. 13 : 13, 1 Thess. 1 : 3, Op. 1 : 6. Zelfs noemt Christus Hem niet alleen zijn Vader maar ook zijn God, Mt. 27 : 46, Joh. 20 : 17, Hebr. 1 : 9, 2 : 17, 5 : 1, 10 : 7, 9, en heet Hijzelf de Christus Gods, Luk. 9 : 20, 1 Cor. 3 : 23, Op. 12 : 10. Ten onrechte is hieruit echter door |241| de Arianen van vroeger en later tijd afgeleid, dat alleen de Vader God is, en Zoon en Geest, hoewel Gode na verwant, toch buiten het Goddelijke wezen staan. Want vooreerst kent de Schrift, gelijk straks nader blijken zal, aan Zoon en Geest evengoed Goddelijke namen, eigenschappen, werken en eere toe als aan den Vader. En voorts verdient het opmerking, dat de Schrift nergens zegt dat de Vader alleen de waarachtige God is, maar wel dat de Vader is de alleen waarachtige God, iets wat in de kerkelijke triniteitsleer ten volle wordt erkend. Vervolgens maken alle die plaatsen geen tegenstelling tusschen den Vader eenerzijds en den Zoon en den Geest andererzijds, maar tusschen den Vader, als den eenigen God, en de goden der Heidenen. Dan volgt uit de uitspraken, dat de Vader de eenige waarachtige God, alleen wijs, alleen goed, alleen onsterfelijk is, geenszins, dat niet ook Zoon en Geest deszelfden Goddelijken wezens zijn en diezelfde eenheid, wijsheid, goedheid en onsterfelijkheid deelachtig zijn, evenmin als uit 1 Cor. 8 : 6 volgt, dat alleen Christus en niet God onze Heer is, door welken alle dingen zijn en wij door Hem. En eindelijk kan de Vader daarom alleen wijs, alleen goed enz. genoemd worden, wijl Hij alles van zichzelven bezit, pjgj qeotjtov is, Zoon en Geest daarentegen hetzelfde wezen en dezelfde eigenschappen bezitten door mededeeling. De naam van God, aan den Vader in het bijzonder toegekend, duidt aan, dat Hij in de Goddelijke oeconomie de eerste is; het is als het ware een ambtsnaam, aanduiding van zijn rang en plaats, gelijk er onder de menschen, die allen dezelfde natuur deelachtig zijn, toch ook onderscheid is van stand en van eere, August. de trin. I c. 6. VI c. 9. Petavius, de trin. II c. 4. III c. 1. 2. Mastricht, Theol. theor. pract. II c. 25.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004