§ 27. De personeele namen Gods.


1. Hooger nog dan in de wezensnamen stijgt Gods openbaring in de nomina personalia, welke ons de onderscheidingen doen kennen, die er in de eenheid van zijn wezen bestaan. Deze openbaring begint reeds in het O. Test. Wel komt zij daar nog niet volledig voor, gelijk de kerkvaders en latere theologen dikwerf met miskenning van het historisch karakter der openbaring hebben geleerd; maar evenmin is het juist, dat zij daar ganschelijk nog niet te vinden zou zijn, zooals na de Socinianen en de Remonstranten, |228| door Semler, Herder, Doederlein, Bretschneider, Dogm. I4 565 f. Hofmann, Schriftbeweis I2 90 f. e. a. werd geleerd, cf. Walch, Bibl. theol. sel. II 687. Het O.T. doet het trinitarisch bestaan van God slechts onduidelijk kennen, het is de oorkonde der wordende triniteitsleer, Petavius, de trin. II c. 7. Lange, Dogm. II 124 f. 148 f. Maar het bevat toch, niet in enkele op zich zelf staande teksten alleen maar vooral in het organisme zijner openbaring momenten, die voor de leer der drieëenheid van de hoogste beteekenis zijn. Vooreerst komt de naam Elohim in aanmerking. Dat deze in zijn pluralisvorm geen bewijs is voor de triniteit, werd reeds vroeger, bl. 104, opgemerkt. Maar toch is het opmerkelijk, dat deze naam bij de voorstanders van het monotheisme om zijn vorm nooit bezwaar heeft ontmoet. Dit is alleen daaruit te verklaren, dat hij geen reminiscentie aan het polytheisme bevat, maar de Godheid aanduidt in haar volheid en rijkdom van leven. De God der openbaring is geen abstracte eenheid, maar de levende, waarachtige God, die in de oneindige volheid van zijn leven de hoogste verscheidenheid insluit. Reeds terstond bij de schepping komt dat uit. Elohim schept door te spreken en door het uitzenden van zijn Geest. Het woord, dat God spreekt, is geen klank, maar eene kracht, zoo groot, dat Hij daardoor de wereld schept en onderhoudt; Hij spreekt en het is er, Gen. 1 : 3, Ps. 33 : 6, 9, 147 : 18, 148 : 8, Joël 2 : 11. Dat woord door God gesproken, van Hem uitgaande en dus van Hem onderscheiden, wordt later als wijsheid gehypostaseerd in Joh 28 : 23-27, Spr. 8 : 22 v. cf. Spr. 3 : 19, Jer. 10 : 12, 51 : 15. Die wijsheid is van eeuwigheid door God bezeten, bereid, aangesteld, doorzocht, als zijn voedsterling en werkmeesteres, waardoor Hij alle dingen schiep en onderhoudt. Maar niet alleen door het woord en de wijsheid, ook door den Geest Gods komt het werk der schepping en der onderhouding tot stand, Gen. 1 : 2, Ps. 33 : 6, 104 : 33, 139 : 7, Job 26 : 13, 27 : 3, 32 : 8. 33 : 4. Jes. 40 : 7, 13, 59 : 19. Terwijl het woord de middelaar is, waardoor God alle dingen in het aanzijn roept, is het zijn Geest, waardoor Hij immanent is in al het geschapene, en het alles levendmaakt en versiert. Zoo komt reeds volgens de leer des O.T. in de schepping uit, dat alle dingen hun ontstaan en voortbestaan danken aan eene drievoudige causa. Elohim en kosmos staan niet dualistisch naast elkaar, maar de wereld, door God geschapen, heeft zijn Woord |229| tot objectief, zijn Geest tot subjectief principe. De wereld is eerst door God gedacht en komt daarom door zijn almachtig spreken tot stand, en als zij realiteit ontvangen heeft, staat ze niet buiten en tegen Hem over maar blijft rusten in zijn Geest. Nog duidelijker komt in het O.T. deze drievoudige oorzaak uit op het terrein der bijzondere openbaring, in het werk der herschepping. Dan is het niet meer Elohim alleen, maar Jahveh, die zich openbaart, die zich kennen doet als den God des verbonds en des eeds, der openbaring en der geschiedenis. Maar ook als zoodanig openbaart Hij zich niet rechtstreeks en onmiddellijk, Ex. 33 : 20. Het is wederom door zijn Woord, dat Hij zich kennen doet en zijn volk redt en bewaart, Ps. 107 : 20. En drager van dat woord der heilsopenbaring is de Malak Ihvh, de Gezant des Verbonds. Niet altijd, waar de uitdrukking Engel Gods of Engel des Heeren in het O.T. voorkomt, is aan den angelus increatus te denken, gelijk Hengstenberg meende. In 2 Sam. 24 : 16v., 1 Kon. 19 : 5-7, 2 Kon. 19 : 35, Dan. 3 : 25, 28, 6 : 23, 10 : 13, hebben we aan een gewonen engel te denken, evenals ook in Mt. 1 : 20, 28, Luk. 1 : 11, 2 : 9, Hd. 5 : 19, 8 : 26, 10 : 3, 12 : 7, 23, 27 : 23, Jud. 9, Op. 12 : 7. Over andere plaatsen kan er twijfel bestaan, zooals Num. 22 : 22v., Jos. 5 : 13, 14, Richt. 2 : 1-14, 6 : 11. 24, 13 : 2-23. Maar in de plaatsen, deel I 250 genoemd, gaat het subject, dat in den engel des Heeren spreekt en handelt, ver boven een geschapen engel uit. De kerkvaders vóór Augustinus zagen eenparig in dezen Engel des Heeren eene theophanie van den Logos, cf. de aanhalingen bij Trip, Die Theophanien in den Geschichtsbüchern des A.T. Leiden 1858 S. 20-41. Dikwerf werd deze opvatting echter verbonden met de meening, dat de Vader eigenlijk onzichtbaar, ongenaakbaar, onuitsprekelijk is maar dat de Zoon zich kan openbaren en het principe aller openbaring is; zoo bij Justinus Martyr, Theophilus, Irenaeus, Tertullianus. Maar deze scheiding en tegenstelling tusschen den Vader en den Zoon werd door de latere kerkvaders, Athanasius, de drie Cappadociërs enz. terecht bestreden. De Zoon was waarachtig God en dus even onzichtbaar als de Vader. Zoo werd de opvatting van Augustinus voorbereid, die ook de theophanieën Gods in het O.T. altijd door geschapene engelen bemiddeld dacht, de trin. III 11, de civ. XVI c. 29. De scholastieke en Roomsche theologen namen gewoonlijk deze exegese van Augustinus over, |230| Thomas, S. Theol. I qu. 51 art. 2 en 3 ad 5. I 2 qu. 98 art. 3. Sent. II dist. 8 qu. 1 art. 6. Petavius, de trin. VIII c. 2. Scheeben, Kath. Dogm. I 784 f. C. Pesch, Prael. dogm. II 245 enz. Luther en Calvijn dachten nu eens aan een geschapen, dan aan den ongeschapen engel, Trip, 49-58; maar de latere Protest. uitleggers verstonden die plaatsen meest van den Logos, vooral ook in tegenstelling met de Socinianen, Remonstranten en Rationalisten, die er niets dan angelophanieën in zagen. Terwijl Hofmann, Baumgarten, Delitzsch bij de laatste opvatting zich aansluiten, is de oude opvatting weer verdedigd door Stier, Hengstenberg, Keil, Kurtz, Ebrard enz., ook Philippi, Kirchl. Glaub. II3 191-196. Het verschil tusschen deze twee uitleggingen is niet zoo groot als het schijnt. De voorstanders der oud-kerkelijke opvatting moeten immers erkennen, dat de Logos eene menschelijke gedaante heeft aangenomen; en Augustinus en de zijnen moeten toegeven, dat in dien geschapen engel de Logos zich op eene gansch bijzondere wijze openbaarde, Rivetus bij Trip 65. En daarbij komt, dat de plaatsen, waar van den engel des Heeren sprake is, niet alle kunnen opgevat worden in denzelfden zin. Zooveel staat dan ook vast, dat in den Malak Ihvh, die bij uitnemendheid dien naam draagt, God en dan bepaaldelijk de Logos op geheel eenige wijze tegenwoordig was. Dat blijkt duidelijk daaruit, dat Hij, schoon van Jehovah onderscheiden, toch ook met Hem één is in naam, in macht, in verlossing en zegening, in aanbidding en eere, deel I 250. Trip, t.a.p. 100 f. Deze exegese wordt bovendien aanbevolen door heel de O. en N.T. Schrift, Job 33 : 23, Ps. 34 : 8, 35 : 5, Spr. 8 : 21v., 30 : 4, Jes. 9 : 5, Hos. 12 : 5, 6, Mich. 5 : 6, Zach. 1 : 8-14, 3 : 1v., 12 : 8, Mal. 3: 1, Joh. 8 : 56, 58, cf. Joh. 1 : 1-5, 1 Cor. 10 : 4, 9; en Hd. 7 : 30, 35, 38, Gal. 3 : 19, Hebr. 2 : 2 zijn hiermede niet in strijd. En gelijk Jahveh zich nu bij de herschepping objectief openbaart door zijn woord, in den Malak Ihvh; zoo doet Hij dit subjectief in en door zijnen Geest. De Geest Gods is het principe van alle leven en heil, van alle gaven en krachten binnen het terrein der openbaring; van moed, Richt. 3 : 10, 6 : 34, 11 : 29, 13: 25, 1 Sam. 11 : 6, van lichamelijke kracht, Richt. 14 : 6, 15 : 14, van kunstvaardigheid, Ex. 28 : 3, 31 : 3-5, 35 : 31-35, 1 Chr. 28 : 12, van regeerbeleid, Num. 11 : 17, 25, 1 Sam. 16 : 13, van verstand en wijsheid, Job 32 : 8, Jes. 11 : 2, van heiligheid en vernieuwing, Ps. 51 : 13, Jes. 63 : 10, cf. Gen. 6 : 3, |231| Neh. 9 : 20, 1 Sam. 10 : 6, 9, van profetie en voorspelling, Num. 11 : 25, 29, 24 : 2, 3, Mich. 3 : 8 enz. In bijzondere mate zal Hij rusten op den Messias, Jes. 11 : 2, 42 : 1, 61 : 1, maar daarna ook uitgestort worden over alle vleesch, Joel 3 : 1, 2, Jes. 32 : 15, 44: 3, Ezech. 36 : 26, 27, 39 : 29, Zach. 12 : 10 en allen geven een nieuw hart en een nieuwen geest, Ezech. 36 : 26, 27. Over den H. Geest in het O.T.: Kleinert, zur altt. Lehre vom Geiste Gottes, Jahrb. f. d. Th. 1867 S. 3-60. Oehler, Theol. des A.T.2 478 f. 214 f. Smend, Altt. Religionsgesch. 459 f. Warfield, The Spirit of God in the Old Test., Presb. and Ref. Rev. Oct. 1895 p. 665-687. Dit drievoudig Goddelijk principe, dat aan schepping en herschepping ten grondslag ligt, en heel de oeconomie der O.T. openbaring draagt, wordt nu enkele malen ook saam vermeld. De drievoudige herhalingen in Dan. 9 : 19, Zach. 1 : 3, Jes. 6 : 3, 33 : 22 komen hiervoor niet in aanmerking; alleen de hoogepriesterlijke zegenbede, Num. 6 : 24-26 wijst in het drievoudig karakter van haar zegening op een drieërlei openbaring Gods terug en is zoo het O.T. voorbeeld van den apostolischen zegen, 2 Cor. 13 : 13. De meervoudsvormen in Gen. 1 : 26, 27, 3 : 22, Jes. 6 : 8 enz. missen genoegzame kracht, wijl zij op dezelfde wijze als de pluralis Elohim te verklaren zijn, cf. boven bl. 104. Van meer beteekenis zijn plaatsen als Gen. 19 : 24, Ps. 45 : 8, 110 : 1, Hos. 1 : 7, wijl zij op eene zelfonderscheiding in het Goddelijk wezen wijzen. En het klaarst wordt eene drievoudige zelfonderscheiding in het Goddelijk wezen aangeduid in Ps. 33 : 6, Jes. 61 : 1, 63 : 9-12, Hagg. 2 : 5, 6. Velen hebben vroeger ook in de drie mannen, die aan Abraham verschenen, Gen. 18, eene openbaring der triniteit gezien, b.v. Witsius, Oec. foed. IV 3 § 3-8. Anderen meenden, dat een van de drie de Logos was en de andere twee gewone engelen waren, b.v. Calvijn, Kantt. Statenvert., Moor I 807. Veel aannemelijker is echter de exegese van Augustinus, de civ. XVI 29, volgens wien de drie mannen drie geschapen engelen waren, in wie Jahveh echter op bijzondere wijze zich openbaarde en tegenwoordig was. Litt. over de triniteit in het O.T. bij M. Vitringa I 213 sq. 218 sq.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004