18. De souvereiniteit Gods openbaart zich ten slotte in zijne almacht die echter na het reeds gezegde minder uitvoerige behandeling behoeft. In de Schrift wordt nooit en nergens aan de macht Gods een grens gesteld. Reeds in de namen El, Elohim, El Schaddai, Adonai treedt het denkbeeld van macht op den voorgrond. Voorts heet Hij 'rônw lôdg l', voor wiens aangezicht niemand kan bestaan, Deut. 7 : 21 v., l'rWy ryb', Jes. 1 : 24, rôbgh lôdgh l'h, wiens naam is Ihvh Zebaoth, Jer. 32 : 18, ¦ym' cs Job 9 : 4, rybk Job 36 : 5, rôbgw zûzv, Ps. 24 : 8, ¤ôd', kuriov, |223| Mt. 11 : 25, Op. 1 : 8, 22 : 5, d.i. de Heer, de Eigenaar, de Heerscher, die autoriteit en opperhoogheid bezit; de Koning, die in eeuwigheid over alle dingen regeert, Ex. 15 : 18, 29 : 10, 93-99, 2 K. 29 : 15, Jer. 10 : 7, 10 enz., maar vooral Koning is over Israel en als zoodanig het regeert, beschermt en tot de zaligheid leidt, Num. 23 : 21, Deut. 33 : 5, Richt. 8 : 23, 1 Sam. 8 : 7, Ps. 10 : 16, 24 : 7, 48 : 3, 74: 12, Jes. 33 : 22, 41 : 21, 43 : 15 enz., en evenzoo in het N.T. de megav basileuv, Mt. 5 : 33, 1 Tim. 1 : 17, de basileuv twn basileuontwn kai kuriov twn kurieuontwn, 1 Tim. 6 : 15, cf. Op. 19 : 16; pantokratwr, 2 Cor. 6 : 18, Op. 1 : 8, 4 : 8, 11 : 17; monov dunastjv, 1 Tim. 6 : 15 ; die beide de xousia, ‡rcj, potestas, het recht, het gezag en de bevoegdheid, Mt. 28 : 18, Rom. 9: 21 en de dunamiv, kratov, potentia, de geschiktheid en de macht tot handelen, Mt. 6 : 13, Rom. 1 : 20 bezit. Maar voorts blijkt de almacht Gods uit al zijne werken. De schepping, de onderhouding, de verlossing van Israel uit Egypte, de natuur met hare ordinantiën, de geschiedenis van Israel met hare wonderen prediken luide en duidelijk de almacht Gods. Psalmisten en profeten komen op deze groote daden telkens terug en wenden ze aan tot vernedering voor den hoogmoedige en tot troost voor den geloovige. Hij is sterk van vermogen, Jes. 40 : 26, schept aarde en hemel, Gen. 1, Jes. 42 : 5, 44 : 24, 45 : 12, 18, 48 : 13, 51 : 13, Zach. 12 : 1, handhaaft hunne ordinantiën, Jer. 5 : 22, 10 : 10, 14 : 22, 27 : 5, 31 : 35, formeert regen en wind, licht en duisternis, het goede en het kwade, Am. 3 : 6, 4: 13, 5 : 8, Jes. 45 : 5-7, 54 : 16. Hij maakt stom en sprekend, dood en levend, redt en verderft, Ex. 4 : 11, Deut. 32 : 39, 1 Sam. 2 : 6, 2 Kon. 5 : 7, Ex. 15, Deut. 26 : 8, 29 : 2, 32 : 12, 1 Sam. 14 : 6, Hos. 13 : 14, Mt. 10 : 28, Luk. 12 : 20. Hij heeft volstrekte macht over alle dingen, zoodat niets Hem kan weerstaan, Ps. 8, 18, 19, 24, 29, 33, 104 enz. Job 5 : 9-27, 9 : 4v., 12 : 14-21, 34 : 12-15, 36 : 37. Niets is Hem te wonderlijk, alle dingen zijn Hem mogelijk, Gen. 18 : 14, Zach. 8 : 6, Jer. 32 : 27, Mt. 19 : 26, Luk. 1 : 37, 18 : 27; Hij kan uit steenen Abraham kinderen verwekken, Mt. 3 : 9. Hij doet al zijn welbehagen, Ps. 115 : 3, Jes. 14 : 24, 27, 46 : 10, 55 : 10, en niemand kan Hem dagvaarden, Jer. 49 : 19, 50 : 44. En bovenal komt zijne dunamiv uit in de werken der verlossing, in de opwekking van Christus, Rom. 1 : 4. Ef. 1 : 20, |224| in de werking en versterking des geloofs, Rom. 16 : 15, Ef. 1 : 19, in de uitdeeling der genade boven bidden en denken, Ef. 2 : 20, 2 Cor. 9 : 8, 2 Petr. 1 : 3, in den opstanding ten jongsten dage, Joh. 5 : 25v. enz. En deze macht Gods is eindelijk ook de bron van alle macht en gezag, van alle kracht en sterkte in de schepselen. Van Hem is de heerschappij des menschen, Gen. 1 : 26, Ps. 8, het gezag der overheid, Spr. 8 : 15, Rom. 13 : 1-16, de krachts zijns volks, Deut. 8 : 17, 18, Ps. 68 : 36, Jes. 40 : 26 v. de sterkte des paards, Job 39 : 22, het geweld des donders, Ps. 29 : 4, 68 : 34 enz. In één woord, zijns is de sterkte. Ps. 62 : 12, en Hem komt toe de kracht en de sterkte, Ps, 96 : 7, Op. 4 : 11, 5 : 12, 7 : 12, 19 : 1.

Geheel in overeenstemming met hunne leer over den wil en de vrijheid Gods, cf. boven bl. 210v. omschreven nu de nominalisten de almacht Gods zóó, dat God door haar alles kan wat Hij wil niet alleen, maar ook alles willen kan. Onderscheidende tusschen de potentia absoluta en ordinata, oordeelden zij, dat God naar gene ook zondigen, dwalen, lijden, sterven, een steen of een dier worden kon, brood in het lichaam van Christus kon veranderen, tegenstrijdige dingen kon doen, hetgeen geschied was ongedaan kon maken, valsch kon maken wat waar was en waar wat valsch was enz. Naar zijne potentia absoluta is God dus louter willekeur, zuivere potentie zonder eenigen inhoud, die niets is en alles worden kan, cf. Chamier, Panstr. Cath. II 1. 2 c. 3 § 5. Voetius, Disp. I 411, 427. Principieel is dit het standpunt van allen, die het primaat van den wil huldigen, en daarom is dit gevoelen later telkens teruggekeerd en komt het niet alleen in het Christendom maar ook onder andere godsdiensten, vooral bij den Islam, voor. Aan de andere zijde staan zij, die zeggen, dat God alleen kan wat Hij wil en dat Hij, hetgeen Hij niet wil, ook niet kan. Het mogelijke valt met het werkelijke saam. Wat geen werkelijkheid wordt, is ook niet mogelijk. God heeft zijne macht ten volle uitgeput in de wereld. Dit was reeds de meening van Plato en Plotinus, Zeller, Philos. d. Gr. II 928 V 496 f., en voorts van enkele kerkvaders, Petavius, de Deo V c. 6, maar werd in de Middeleeuwen vooral geleerd door Abaelard, Deus non potest facere aliquid praeter ea quae facit, Introd. theol. III c. 5. En zoo oordeelden later de Cartesiaansche theologen, Burmannus, Synopsis I c. 21 § 24, 26 c. 25 § 10, 11. |225| Braun, Doctr. foed. I 2 c. 3 § 7 sq. Wittichius, Theol. pacif. § 199 sq. voorts Spinoza, Cogit. metaph. II c. 9. Eth. I prop. 16, 17. Schleiermacher, Gl. § 54. Strauss, Gl. I 582 f. Schweizer, Chr. Gl. I 246 f. Nitzsch, Ev. Dogm. 403-406. Hoekstra, Wijsg. Godg. II 112 v. enz. De Schrift veroordeelt zoowel het eene als het andere standpunt. Zij zegt ter eene zijde uitdrukkelijk, dat God vele dingen niet kan; Hij kan niet liegen, geen berouw hebben, niet veranderen, niet verzocht worden, Num. 23 : 19, 1 Sam. 15 : 29, Hebr. 6 : 18, Jak. 1 : 13, 17, ‡rnjsasqai gar ›auton oÇ dunatai, 2 Tim. 2 : 13 ; zijn wil is immers met zijn wezen één, en de poteiitia absoluta, die de macht Gods losmaakt van zijne andere deugden, is niets dan eene ijdele en ongeoorloofde abstractie. Aan den anderen kant verklaart de Schrift even beslist, dat het mogelijke veel verder zich uitstrekt dan het werkelijke, Gen. 18 : 14, Jer. 32 : 27, Zach. 8 : 6, Mt. 3 : 9, 19 : 26, Luk. 1 : 37, 18 : 27. En hieraan hield zich de christelijke theologie. Augustinus zegt eenerzijds, dat Gods wil en macht niet van zijn wezen onderscheiden zijn. Homo aliud est quod est, aliud quod potest . . . Deus autem cui non est aliud substantia ut sit, et alia potestas ut possit, sed consubstantiale illi est quidquid ejus est et quidquid est, quia Deus est, non alio modo est et alio modo potest; sed esse et posse simul habet, quia velle et facere simul habet, tract. 20 in Ev. Joan. n. 4. Conf. XI 10, XII 15. Wel bestaat Gods almacht daarin, dat Hij kan wat Hij wil, certe non ob aliud vocatur omnipotens, nisi quoniam quidquid vult potest, de civ. XXI 7. Maar God kan niet alles willen, Hij kan zichzelf niet verloochenen. Quia non vult non potest, quia et volle non potest. Non enim potest justitia velle facere quod injustuni est, aut sapientia velle quod stultum est, aut veritas volle quod falsum est. Unde admonemur Deum ominipotentem non hoc solum, quod ait apostolus: negare se ipsum non potest, sed multa non posse . . . Deus omnipotens non potest mori, non potest mutari, non potest falli, non potest fieri, non potest vinci, Serm. 214. Maar dan verder betoogt Augustinus, dat dit geen gebrek aan macht is, maar juist ware, volstrekte almacht. Het zou juist onmacht zijn, wanneer Hij dwalen, zondigen kon enz. Serm. 213, 214, de civ. V 10. Vooral heldert Augustinus dat op in betrekking tot de stelling, die dikwerf tegen de almacht Gods wordt ingebracht, dat |226| God het gedane niet ongedaan kan maken. Deze uitspraak kan toch tweeërlei zin hebben. Vooreerst kan men er mee bedoelen, dat God het feit, dat geschied is, te niet doet; maar dit is geen zin, want een feit, dat geschied is, is niet meer en kan niet en behoeft niet te niet worden gedaan. Maar ten tweede kan men er mee bedoelen, dat God het feit, dat geschied is, in het menschelijk bewustzijn ongedaan make, zoodat dit nu meenen gaat dat het niet is geschied. Maar ook dit heeft geen zin, want God die de waarheid is zou dan wat waar is onwaar moeten maken. Andere theologen hebben in gelijken zin over Gods almacht gesproken en hebben slechts herhaald wat Augustinus gezegd had. Lombardus, Sent. I dist. 42-44. Thomas, S. Theol. I qu. 25. S. c. Gent. II c. 6-10. Bonaventura, Breviloquium I c. 7. Petavius, de Deo V c. 7. Gerhard, II c. 8 sect. 9. Buddeus, Instit. theol. dogm. II c. 1 § 30. Musculus, Loci Comm. p. 9ó2 sq. Polanus, Synt. theol. II c. 29. Zanchius, Op. II 159 sq. Voetius, Disp. I 403 sq. V 113 sq. Alsted, Theol. schol did. p. 93-96. Mastricht, Theor. pract, theol. II c. 20. Chamier, Panstr. Cath. II 1. 2 c. 1-3. Leydecker, Fax Veritatis p. 163 sq. 233 sq. enz. Bepaaldelijk word door de Geref. theologen de onderscheiding in potentia Dei absoluta en ordinata slechts tot op zekere hoogte erkend. De nominalisten hadden deze misbruikt, om te beweren, dat God naar de eerste alles doen kon, ook wat met zijne natuur in strijd was, en betoogden daarmede ook vooral de leer der transsubstantiatie.. Daartegen kwam Calvijn op en hij verwierp zulk een commentum potentiae absolutae als profaan, Inst. III c. 23 § 1, 5, cf. I 16, 3, II 7, 5, IV 17, 24. Comm. in Jes. 23 : 9, Luk. 1 : 18. De Roomschen beschuldigden daarom Calvijn, dat hij de almacht Gods beperkte en alzoo loochende, Bellarminus, de gratia et lib. arb. III c. 15. Maar Calvijn ontkende daarom niet, dat God meer kon doen dan Hij feitelijk deed, maar hij bestreed alleen zulk eene potentia absoluta, die niet gebonden ware aan zijn wezen en deugden en dus ook allerlei tegenstrijdige dingen kon doen. Zoo opgevat, in den zin van Augustinus en Thomas, werd genoemde onderscheiding ook algemeen door de Geref. theologen aangenomen, Polanus, Synt. theol. II c. 29. Alsted, Theol. schol. did. p. 96. Heidegger, Corpus theol. III 109. Synopsis pur. theol. VI 36. Mastricht, II 20, 13. En zoo verstaan, is deze onderscheiding ook goed te keuren. Het |227| pantheisme zegt wel, dat God en wereld correlata zijn, en dat God geen eigen zijn en leven, geen eigen bewustzijn en wil heeft in onderscheiding van de wereld. Maar het mengt alzoo alles op hopelooze wijze dooreen, en brengt ook in het denken eene grenzelooze verwarring aan. God en wereld, eeuwigheid en tijd, oneindigheid en eindigheid, zijn en worden, het mogelijke en het werkelijke, het noodzakelijke, en het toevallige enz., zijn geen woorden van denzelfden inhoud en dezelfde beteekenis. De wereld is van dien aard, dat ons denken haar het karakter van contingentie niet ontnemen kan. De gedachte van haar niet-bestaan sluit niet de minste logische tegenstrijdigheid in. Er kunnen motieven zijn, waarom God de wereld in het aanzijn geroepen heeft; de kosmos kan in zijn geheel en in elk zijner deelen belichaming van Goddelijke gedachten zijn; maar het is onmogelijk, om het ontstaan der wereld logisch, zonder den wil van een almachtig God, te verklaren. En daarom blijft er naast het werkelijke een gebied voor het mogelijke over. God gaat in de wereld niet op, de eeuwigheid stort zich niet leeg in den tijd, oneindigheid is niet identiek met de som van al het eindige, de alwetendheid valt niet saam met den gedachteninhoud der redelijke schepselen. En zoo is de almacht Gods nog oneindig verheven boven de onbegrensde macht, welke in de wereld tot openbaring komt. Cf. Weisse, Philos. Dogm. § 499 f. Dorner I 441 f. Ebrard § 179 f. Philippi II3 59 f. Nitzsch, Ev. Dogm. S. 503-506. Frank, Syst. d. chr. Wahrheit I2 249 f. Grétillat III 256 s. Hodge I 406 v. Shedd I 358 v.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004