14. Aan God als den Heilige komt ten slotte nog toe de deugd der gerechtigheid. De woorden qydc, qdc, hqdc duiden |195| aan den staat van iemand, die met eene wet overeenkomt. De eerste beteekenis schijnt eene forensische te wezen; qydc is hij, die in een proces voor den rechter gelijk heeft en daarom vrijgesproken moet worden, qydch oppos. vyHrh Deut. 25 : 1. Het is ook het woord voor hem, die gelijk heeft in een twist of woordenstrijd, Job 11 : 2, 33 : 12, 32, Jes. 41 : 26; en het substantief kan daarom ook aanduiden de juistheid of waarheid van eene bewering of uitspraak, Ps. 52 : 5, Spr. 16 : 13, Jes. 45 : 23. Vervolgens beteekent het dan in het algemeen, dat iemand gelijk heeft, al komt er ook geen proces en geen rechtbank bij te pas; dat hij het recht aan zijne zijde heeft, rechtvaardig en goed is en met de wet overeenstemt, Gen. 30 : 33, 38 : 26, 1 Sam. 24 : 18, Ps. 15 : 2. Van hier wordt het ook op religieus terrein overgebracht en op God toegepast. In den Pentateuch wordt God nog slechts tweemaal qydc genoemd, Ex. 9 : 27, Deut. 32 : 4. Gods gerechtigheid komt eerst uit in de geschiedenis, in zijne regeering der wereld en in zijne leiding van Israel, en wordt daarom ook het meest door de psalmisten en profeten ontwikkeld. Zij openbaart zich over heel de wereld, tot zelfs in de dieren des velds, Ps. 36 : 7. God is een Rechter der gansche aarde, Gen. 18 : 25. Zij bestaat daarin, dat God een iegelijk vergeldt naar zijn werk, den rechtvaardige en den goddelooze onderscheiden behandelt, Gen. 18 : 25. Maar nu is het opmerkelijk, dat de eene zijde dezer gerechtigheid, n.l. die, naar welke God den goddelooze straft, de justitia vindicativa, in de Schrift veel minder op den voorgrond treedt dan die andere, waarnaar Hij den rechtvaardige bevestigt. Diestel in zijn artikel, Die Idee der Gerechtigheit vorzüglich im A.T., Jahrb. f. deutsche Theol. V 1860, 2tes Heft, S. 173-253 heeft hierop terecht de aandacht gevestigd en heeft bij velen, vooral bij Ritschl, Rechtf. u. Vers. II2 102-119, instemming gevonden. De zaak zelve, die later in de dogmatiek als justitia vindicativa werd uitgedrukt, ontbreekt niet. Integendeel, God houdt den schuldige geenszins onschuldig, Ex. 20 : 7, Nah. 1 : 3. Hij verschoont niet, Ezech. 7 : 4, 9, 27, 8 : 18, 9 : 10. Hij neemt geen persoon en geen geschenk aan, Deut. 10 : 17, en oordeelt onpartijdig, Job 13 : 6-12, 22 : 2-4, 34 : 10-12, 35 : 6, 7. Hij is rechtvaardig en al zijne oordeelen zijn recht, Ps. 119 : 137, 129 : 4; ook wordt het straffen der goddeloozen meer dan eenmaal met zijne gerechtigheid in verband gebracht, Ex. 6 : 5, 7 : 4, Ps. 7 : 12, |196| 9 : 5-9, 28 : 4, 62 : 13, 73, 96 :10, 13, 2 Chron. 12 : 5-7, Neh. 9 : 33, Kl. 1 : 18, Jes. 5 : 16, 10 : 22, Dan. 9 : 14, Rom. 2 : 5, 2 Thess. 1 : 5-10. Maar toch is het waar, dat het straffen der goddeloozen meest uit den toorn Gods wordt afgeleid en dat de gerechtigheid in de Schrift vooral optreedt als principe des heils, voor het volk Gods. De toorn Gods wordt in het hebr. door vele woorden aangeduid, ¥', ¤ôrh, svk, £vz, zgr, ¥cq, meest vertaald door toorn, toornigheid, hmh meest weergegeven door grimmigheid, hrbv meest overgezet door verbolgenheid, LXX en N.T. door qumov, den inwendigen, en ìrgj, den naar buiten zich openbarenden toorn, samen verbonden, Rom. 2 : 8. Deze toorn, waarvan de grondwoorden deels met het begrip branden samenhangen, deels eene heftige, niet te bedwingen beweging des gemoeds uitdrukken, wordt dikwijls vergeleken bij een vuur, Lev. 10 : 6, Dent. 32 : 22, Ps. 21 : 10, een brand, Deut. 39 : 22, 2 Kon. 23 : 26, Ps. 2 : 12, Jes. 30 : 27, Jer. 15 : 14, 17 : 4, en wordt daarom heet, hittig, Ps. 58 : 10, Deut. 13 : 17, 2 Chron. 28 : 11, Job 20 : 23, Jes. 13 : 9, 13, en rookende genoemd, Deut. 29 : 30, Ps. 74 : 1. Hij wordt opgewekt en ontstoken door Israels theocratische zonden tegen het verbond Gods, zooals eedbreuk, Jos. 9 : 20, ontheiliging van den dienst Gods, Lev. 10 : 6, Num. 1 : 53, 16 : 46, 18 : 5, afgoderij, Deut. 9 : 19, de zonde van Manasse, 2 Kon. 23 : 26, David, 1 Chron. 27 : 24, en vooral door de zonden, waaraan het volk zich schuldig maakte en waardoor het allerlei straffen heeft. verdiend, Jes. 42 : 24, 25, Jer. 7 : 20, 21 : 5, 32 : 31 enz. Kl. 2 : 2 v., 3 : 43, Ezech. 5 : 13 v., 7 : 3, 13 : 13 enz. Zach. 7 : 12 v. Deze toorn is schrikkelijk, Ps. 76 : 8, en werkt schrik, Ps. 2 : 5, 90 : 7, smart, Job 21 : 17, Ps. 102 : 11, straf, Ps. 6 : 2, 38 : 2, Jer. 10 : 24, verwoesting, Jer. 42 : 18, 2 Chron. 29 : 8 enz. cf. Job 9 : 5, Ps. 21 : 10, 56 : 8, 95 : 5. Blijkens Deut. 6 : 15, 29 : 20, 32 : 21, Job 16 : 9, Nah. 1 : 2 is met dien toorn de haat, de wraak en de ijver verwant. De haat heeft bijna altijd de zondige daden, Deut. 16 : 22, Ps. 45 : 8, Spr. 6 : 16, Jer. 44 : 4, Hos. 9 : 15, Am. 5 : 12, Zach. 8 : 17, Op. 2 : 6, en slechts enkele malen de zondige personen, Ps. 5 : 6, Mal. 1 : 3, Rom. 9 : 13, tot object. De wraak hmqn, kdikjsiv, die Gode wordt toegeschreven, Nah. 1 : 2, 1 Thess. 4 : 6. en Hem uitdrukkelijk wordt voorbehouden, Deut. 32 : 35, Rom. 12 : 19, Hebr. 10 : 30, openbaart zich ook nu soms wel in oordeel en gericht, Num. 31 : 2, 3, Richt. 5 : 2, |197| 11 : 36, 16 : 28, 2 Sam. 4 : 8, 22 : 48, Ps. 18 : 48, 99 : 8, maar ,zal zich toch eerst in al haar kracht openbaren in de toekomst, in den dag der wrake, Deut. 32 : 41, 42, Ps. 94 : 1, 149 : 7, Jes. 34 : 8, 35 : 4, 59 : 17, 61 : 2, 4, Jer. 46 : 10, 50 : 15, 28, 51 : 11, Ezech. 25 : 14v., Micha 5 : 14. De ijver Gods, h'nq, zjlov, die meermalen voorkomt, Ex. 20 : 9, 34 : 14, Deut. 4 : 24, 5 : 9, 6 : 15, Jos. 24 : 19, Nah. 1 : 2 wordt daardoor opgewekt, dat Israel, de bruid van Ihvh, zijne rechten als bruidegom en man krenkt door andere goden na te hoereeren, Deut. 32 : 16, 21, 2 Kon. 14 : 22, Ps. 78 : 58, Ezech. 8 : 3, 5 en openbaart zich daarin, dat Ihvh nu ook zijnerzijds Israel tot jaloerschheid verwekt door een ander volk te verkiezen, Deut, 32 : 21, Ps. 79 : 5, Ezech. 5 : 13, 16 : 38, 23 : 25, Rom. 10 : 19. Naast al deze deugden wordt nu de gerechtigheid Gods meestentijds in bonam partem opgevat en naar die zijde beschreven, naar welke zij de rechtvaardigen in het gelijk stelt en tot eere en heil verheft. Daarin bestaat vooral de hqdc van Ihvh, dat Hij de gerechtigheid der rechtvaardigen erkent, in het licht stelt en triumfeeren doet. Hij is rechtvaardig omdat Hij heil beschikt aan de vromen, hen bevestigt, Ps. 7 : 10, uithelpt, 31 : 2, antwoordt, 65 : 6, verhoort, 143 : 1, uitredt, 143 : 11, levend maakt, 119 : 40, vrijspreekt, 34 : 23, recht doet, 35 : 23 enz., terwijl de goddeloozen niet komen tot zijne gerechtigheid, 69 : 28, 29. De gerechtigheid van Ihvh vormt daarom geen tegenstelling met zijne goedertierenheid, gelijk de toorn doet, Ps. 69 : 25v., maar is daarmede verwant en synoniem, Ps. 22 : 32, 33 : 5, 35 : 28, 40 : 11, 51 : 16, 89 : 15, 145 : 7, Jes. 45 : 21, Jer. 9 : 24, Hos. 2 : 18, Zach. 9 : 9. De betooning der gerechtigheid Gods is tegelijk betooning van zijne genade, Ps. 97 : 11, 12, 112 : 4, 116 : 5, 119 : 15-19. Zelfs de vergeving der zonden is aan die gerechtigheid Gods te danken, Ps. 51 : 16, 103 : 117, 1 Joh. 1 : 9. De openbaringen van die gerechtigheid, twqdc, zijn daarom heilsweldaden, daden van redding en verlossing, Richt. 5 : 11, 1 Sam. 12 : 7, Ps. 103 : 6, Jes. 45 : 24, 25, Micha 6 : 5. Vooral bij Jesaia komt dit soteriologisch karakter der gerechtigheid Gods treffend uit. Israel is wel een zondig volk en is daarom ook zwaar gestraft, 43 : 26, 48 : 1, 53 : 11, 57 : 12, 59 : 4, 64 : 5, maar desniettemin is Israel tegenover de Heidenen in zijn recht; het heeft in weerwil van al zijne overtredingen eene rechtvaardige zaak voor, het heeft toch ten slotte het recht aan zijne zijde. |198| Als het dan ook genoeg is gekastijd, zal Gods gerechtigheid opwaken en Israel in dit zijn recht erkennen en uit al zijn ellende verlossen, 40 : 1v., 54 : 5, 7v., 57 : 15v., 61 : 1v. enz. En zoo is het met alle vromen. Persoonlijk zijn ze zondaren, staan ze schuldig aan allerlei ongerechtigheid en zijn ze een arm en ellendig volk. Maar ze staan eene rechtvaardige zaak voor, zij vertrouwen op den Heere, en zij maken er staat op, dat God hun recht doen zal, hun twistzaak zal twisten en hen kronen zal met zijn heil, Ps. 17 : 1v. 18 : 21, 22, 34 : 16, 103 : 6, 140 : 13. En ook in het N. Test. bestaat Gods dikaiosunj bepaaldelijk daarin, dat ze in Christus een zoenmiddel biedt, waardoor Hij zoowel zelf dikaiov blijkt als ook kan dikaioun ton k pistewv, en voorts aan de zijnen vergeving schenkt, 1 Joh. 1 : 9 en heil beschikt, Joh. 17 : 25, 2 Tim. 4 : 8. Meer nog, ten slotte wordt zelfs de toorn en ijver, de haat en wraak aan de redding en verlossing van zijn volk dienstbaar. Zijn toorn is na een weinig tijds volbracht, Ps. 30 : 6, 78 : 38, 85 : 4, 103 : 9, Jes. 10 : 25, 48 : 9, 51 : 22, 54 : 8, Jer. 3 : 12v. 32 : 37, Ezech. 43 : 7-9, Dan. 9 : 16, Hos. 14 : 5, Micha 5 : 18, en zijn ijver tegen Israel heeft een einde, Ezech. 16 : 42, 36 : 6v. Zach. 8 : 2v. Dan zal zijn toorn en ijver en wraak zich tegen de vijanden zijns volks keeren in den grooten dag des toorns en der wrake, Deut. 32 : 41, 42. Jes. 13 : 2v., 26 : 11, 30 : 27v., 34 : 8, 35 : 4, 42 : 11, 59 : 17, 61 : 2, 4, 63 : 3v., Jer. 10 : 25, 46 : 10, 50 : 15, 28, 51 : 11, Klaagl. 3 : 66, Ezech. 25 : 14v., 38 : 19, 39 : 25, Micha 5 : 14, Nah. 1 : 2, Hab. 3 : 12, Zef. 1 : 15v., 2 : 2 enz., en daardoor voor Israel ten zegen en ter verlossing verstrekken, 2 Kon. 19 : 31, Jes. 9 : 6, 37 : 32, Joel 2 : 18, Zach. 1 : 14, 8 : 2. En evenzoo zegt het N.T., dat, al rust Gods toorn nu reeds op de goddeloozen, Joh. 3 : 36, Ef. 2 : 3, 1 Thess. 2 : 16, toch die toorn in al zijne schrikkelijkheid eerst openbaar worden zal in de toekomst, Mt. 3 : 7, Luk. 3 : 7, 21 : 23, Rom. 5 : 9, 1 Thess. 1 : 10, 5 : 9, Ef. 5 : 6. 3: 6, Openb. 6 : 16, 17, 11 : 18, 14 : 10, 16 : 19, 19 : 15. Over de gerechtigheid Gods in de Schrift, cf. behalve Diestel en Ritschl t.a.p., Ortloph in eene verhandeling over de gerecht. Gods, Zeits. f. luth. Theol. u. Kirche 1860. Kautzsch, Ueber die Derivata des Stammes qdc im altt. Sprachgebrauch, Tübingen 1881. Koenig, De vi vocis hqdc in libris prophetarum, Paris 1894. Cremer, s.v. Köstlin, in Herzog2 5, 311 en Stud. u. Krit. 1892, 3tes Heft S. 423-425. |199| Oehler, Theol. des A.T. § 47. SchuItz, Altt. Theol.4 S. 540 f. Smend, Altt. Religionsgesch. 363 f. 410 f. Kuenen, G. v. Isr. I 65v. A. Fricke, Der paulin. Grundbegriff der dikaiosunj qeou erörtert auf Grund von Rom. 3 : 21-26. Leipzig Böhme 1888. H. Beck, Die dik. qeou bei Paulus, Neue Jahrb. f. deutsche Theol. 1895, 2tes Heft S. 249-261, en verdere litt. later in den locus de justificatione. Over den toorn Gods: Lactantius, de ira Dei. Tertull. de ira Dei. Bartholomäi, Vom Zorne Gottes, Jahrb. f. d. Theol. 1861 v. 256-277. Weber, Vom Zorne Gottes 1862. Ritschl, Rechtf. u. Vers. II2 S. 119-156. Diestel, t.a.p. S. 193 f. Lange art. in Herzog1, Kübel in Herzog2. Oehler § 48. Schultz, S. 560 f. Smend S. 99 f. Cremer s. v. enz.

In de dogmatiek kreeg het begrip gewoonlijk een ruimer zin. Soms werd het zoo breed genomen, dat er ook de volmaaktheid of heiligheid Gods onder viel; gerechtigheid was dan de deugd zelve en inbegrip van alle deugden; bij God bestaande in de volmaakte overeenstemming met zichzelven, justitia divina. Maar gewoonlijk werd zij toch in navolging van Aristoteles in enger zin opgevat. Deze omschreef ze in zijne ethiek als ‡retj, diH Ón ta aÃtwn ›kastoi cousin; ze is slechts mogelijk in eene maatschappij van wezens, die eene grootere of kleinere hoeveelheid goederen kunnen bezitten; onder de goden bestaat zij niet, omdat er geen mate is voor hun bezit, en onder de redelooze schepselen evenmin, omdat er onder hen van geen eigendom sprake is. De justitia onderstelt dus allereerst, dat er rechten bestaan, die door den wetgever geschonken zijn, justitia dominica, legislativa, dispositiva; vervolgens, dat die rechten over en weer bij verdragen, contracten worden geëerbiedigd, justitia commutativa; en eindelijk dat die rechten, welke er bestaan, worden gehandhaafd, justitia distributiva, en wel door loon, justitia remunerativa, of door straf, justitia vindicativa; in al die deelen was de gerechtigheid constans et perpetua voluntas jus suum cuique tribuendi. Dit alles werd overgedragen op God; en zoo kreeg het begrip der gerechtigheid in de dogmatiek een veel ruimer zin dan in de Schrift. Nu is hiertegen geen overwegend bezwaar, mits het onderscheid in het spraakgebruik maar in het oog gehouden wordt, want de zaken zelve, die in de dogmatiek onder de justitia Dei worden behandeld, komen alle klaar in de H. Schrift voor. Zelfs is er een voordeel aan verbonden, omdat zij gelegenheid biedt, om de gerechtigheid |200| Gods in heel haar omvang tegen hare bestrijders te handhaven. De Gnostieken in het algemeen en vooral Marcion maakten eene scherpe tegenstelling tusschen wet en evangelie, werken en geloof, vleesch en geest, en zoo ook tusschen den God des toorns, der wrake, der gerechtigheid, die zich in het O.T. openbaarde, en den God der liefde en der genade, die in het N.T. in Christus zich bekend had gemaakt, Harnack, D.G. I 228 f.; en later is wezenlijk in denzelfden zin de gerechtigheid, bepaaldelijk de straffende gerechtigheid, als in strijd met zijne liefde, door velen aan God ontzegd. Nu doen zich bij de justitia Dei vele moeilijkheden voor; bij God is er toch geen recht denkbaar, dat boven Hem staat en waaraan Hij zich te houden heeft, want zijn wil is de hoogste wet; rechten hebben schepselen tegenover Hem niet, want zij hebben alles van Hem ontvangen en Hem niets wedervergolden; op belooning kunnen zij geen aanspraak maken, want ook, wanneer zij alles gedaan hebben wat zij schuldig waren te doen, zijn zij onnutte dienstknechten; en ook schijnt niets in zijne natuur Hem tot straffen te dwingen; waarom zou Hij, die de Almachtige is, niet kunnen vergeven zonder voldoening of straf? Om echter niet te ver van het bijbelsch begrip der gerechtigheid af te dwalen, is het verkieslijk, om al deze vragen niet hier maar straks bij den wil en de vrijheid Gods ter sprake, te brengen. De gerechtigheid is in de H. Schrift geen eigenschap van het dominium absolutum Gods maar rust op zedelijken grondslag. Al is het toch, dat een schepsel uitteraard geen rechten tegenover God hebben kan, Rom. 11 : 35, 1 Cor. 4 : 7 en al is er van eene justitia commutativa geen sprake, Thomas, S. Theol. I qu. 21 art. 1, het is toch God zelf, die aan zijne schepselen als het ware rechten geeft. Ieder schepsel heeft in de creatie een eigen aard ontvangen; er zijn wetten en ordinantiën voor alle geschapene dingen; er zijn rechten, die in het bestaan en in de natuur van al het zijnde liggen opgesloten. Bovenal zijn er zulke rechten gegeven aan de redelijke schepselen, en onder deze wederom voor alle terreinen, waarop zij zich bewegen, voor verstand en hart, ziel en lichaam, kunst en wetenschap, gezin en maatschappij, godsdienst en zedelijkheid. En als die rechten door den mensch verbeurd en verzondigd zijn, dan richt God bij Noach een foedus naturae en bij Abraham een foedus gratiae op, waarin Hij wederom aan zijne schepselen uit genade allerlei rechten toekent |201| en zichzelven onder eede tot handhaving dier rechten verbindt. Zoo is er door Gods genade eene gansche rechtsorde gesteld, beide in natuur en genade, met allerlei inzettingen, ordinantiën en wetten, die Hijzelf handhaaft en heerschen doet. Deze inzettingen en rechten worden echter in de Schrift niet uit Gods gerechtigheid afgeleid, — welke gerechtigheid zou Hem daartoe ook verplichten? — maar uit zijne heiligheid en genade. En zeker is dit juister, dan dat ze met den naam van justitia legislativa worden aangeduid. Toch is dit niet verkeerd, als er maar niet bij gedacht wordt, dat God krachtens eene of andere gerechtigheid alle die rechten aan zijne schepselen gaf en geven moest. Dit is er echter juist in, dat God de Hoogste Wetgever is, en dat heel de rechtsorde op alle gebied wortelt in Hem. Alle recht, wat het ook zij, heeft zijn laatsten en diepsten grond, niet in een contrat social noch in een zelfstandig natuurrecht, noch in de historie, maar alleen in den wil Gods, en in dien wil, niet als dominium absolutum gedacht, maar als een wil van goedheid en genade. Gods genade is de bron van alle recht. Maar voorts handhaaft God die rechtsorde ook op alle terrein des levens; Hij, die de gerechtigheid zelve en de bron van alle recht is, is ook de judex, de vindex justitiae. Zijne justitia legislativa sluit de justitia judicialis in. Recht is geen recht, wanneer het niet gehandhaafd wordt, desnoods met dwang en straf. Wel is deze niet vanzelf met de rechtsorde gegeven. Zonder zonde zou toch de rechtsorde hebben bestaan; maar ze zou zonder dwang door alle schepsel vrijwillig en uit liefde zijn gehoorzaamd. Het is de zonde, die het recht noodzaakt, overeenkomstig zijne natuur, zich met geweld en dwang te doen eerbiedigen. Niet het recht op zichzelf maar wel het karakter van dwang, dat het thans dragen moet, is door de zonde noodzakelijk geworden. Maar zoo weinig is dit karakter van dwang toevallig of willekeurig, dat er thans geen recht zonder dat karakter denkbaar is en ons eigen geweten daaraan zelf getuigenis geeft. De zedelijke orde is zoo weinig met de rechtsorde in strijd, dat zij deze veeleer draagt, eischt en steunt. Het recht is een belangrijk stuk der moraal. De gerechtigheid is juist de weg, waarin de genade en liefde Gods gehandhaafd en tot triumf verheven wordt. Zij, die met Marcion tusschen gerechtigheid en genade eene tegenstelling aannemen, miskennen het verband tusschen zedelijke en rechtsorde, |202| en verstaan niet de majesteit en de heerlijkheid van het recht. De justitia Dei moet daarom krachtens haar aard eene justitia judicialis en dus eenerzijds eene justitia remunerativa en andererzijds eene justitia vindicativa zijn. Niet alsof het schepsel ooit uit zichzelf op eenig loon zou kunnen aanspraak maken, of in zichzelf niet zonder straf vergeving zou kunnen ontvangen; maar God is het aan zijn verbond, aan het eenmaal door Hem ingestelde recht, aan zijn naam en eere verplicht, om zijn volk tot heil te brengen en de goddeloozen te straffen. Zoo kan alleen het recht tot heerschappij en triumf komen. Er ligt waarheid in het fiat justitia, pereat mundus; maar de Schrift stelt toch schooner deze gedachte op den voorgrond, dat er recht geschieden moet, opdat de wereld behouden worde. Cf. Irenaeus, adv. haer. III 25 IV 39 sq. Tertullianus, adv. Marc. passim. Orig. de princ. II 5, 3. Pseudodion. de div. nom. 8 § 7. Anselmus, Prosl. c. 9 sq. Lombardus, Sent. IV 46 en de comm. van Thomas en Bonaventura, Thomas, S. Theol. I qu. 21. Gerhard, Loc. II c. 8 Sect. 12. Quenstedt I 292. Hollaz 268. Zanchius. Op. II 394 sq. Polanus, Synt. II c. 26. Voetius, Disp. I 339-402. Owen, on div. justice, Works 1862 X 481-624. Ex. v.h. Ontw. v. Tol. V. Moor I 674 sq. 996 sq. Meijer, De Godd. eigensch. IV 89v.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004