13. Bij de heiligheid Gods behoort ook zijne heerlijkheid. De Schrift bezigt daarvoor de woorden dôbk en doxa; dôbk, van het verbum dbk, zwaar, gewichtig zijn, is de verschijning van hem, die gewichtig, voornaam is; daarnaast is ook in gebruik dôh, dat de heerlijke verschijning aanduidt van hem, wiens naam wijd verbreid is, en rdh, hetwelk die verschijning aanduidt in haar glans en schoonheid, Delitzsch op Ps. 8 : 6. Het grieksche woord daarvoor in LXX en N.T. is doxa, de erkenning, die iemand geniet of waarop hij aanspraak heeft, subjectief dus de erkenning, die iemand toekomt of feitelijk geschonken wordt, de roem of eer, waarin hij deelt, syn; met timj en eÇlogia, Op. 5 : 12, opp. ‡timia, 2 Cor. 6 : 8;, en objectief de verschijning, gestalte, het aanzien, de pracht, glans, heerlijkheid van een persoon of zaak, die zich vertoont, of de persoon of zaak zelf in hunne heerlijke verschijning, en dan verwant met e¸dov, e¸kwn, morfj, Jes. 53 : 2, 1 Cor. 11 : 7. De hwhy dôbk, doxa tou qeou geeft daarom te kennen de glans en heerlijkheid, die van alle deugden Gods en van heel zijne zelfopenbaring in natuur en bovenal in genade onafscheidelijk is, de heerlijke gestalte, waarin Hij allerwege tegenover schepselen optreedt. Deze heerlijkheid en majesteit, waarmede God bekleed is en die al zijn doen kenmerkt, 1 Chron. 16 : 27, Ps. 29 : 4, 96 : 6, 104 : 1, 111 : 4, 113 : 4 enz., openbaart zich in de gansche schepping, Ps. 8, Jes. 6 : 3, maar wordt toch vooral gezien op het terrein der genade. Zij verschijnt aan Israel, Ex. 16 : 7, 10, 24 : 16, 33 :18 v. Lev. 9 : 6, 23, Num. 14 : 10, 16 : 19 enz. Dent. 5 : 24. Zij vervulde den tabernakel en den tempel, Ex. 40 : 34, 1 Kon. 8 : 11 en deelde zich mede aan heel het volk, Ex. 29 : 43, Ezech. 16 : 14 enz. Bovenal wordt ze aanschouwd in Christus, den Eeniggeborene, Joh. 1 : 14 en door Hem in de gemeente, Rom. 15 : 7, 2 Cor. 3 : 18, welke verwacht de zalige hope en verschijning der heerlijkheid van den grooten God en van haren Zaligmaker Jezus Christus, Tit. 2 : 13. |192| Meermalen wordt zij met de heerlijkheid Gods in verband gebracht, Ex. 29 : 43, Jes. 6 : 3 en daarom ook beschreven als een vuur, Ex. 24 : 17, Lev. 9 : 24 en als eene wolk, 1 Kon. 8 : 10, 11, Jes. 6 : 4. Zonder twijfel denkt de Schrift bij die wolk en dat vuur aan zinnelijk waarneembare, creatuurlijke vormen, waaronder zich Gods tegenwoordigheid kenbaar maakte, cf. deel I 249. Iets anders is het echter met het licht, waarmede de heerlijkheid Gods dikwerf vergeleken en waaronder ze telkens voorgesteld wordt. Licht is in de Schrift het beeld van waarheid, heiligheid en zaligheid, Ps. 43 : 3, Jes. 10 : 17, Ps. 97 : 11. Deze vergelijking is zoo eenvoudig en natuurlijk, dat er waarlijk de onderstelling niet voor noodig is, dat Ihvh oorspronkelijk een zonnegod was, Kuenen, G. v. I. I 48 v. 240 v. 249. 267, evenmin als de benaming rotssteen op eene vroegere periode van steendienst behoeft te wijzen, Kuenen, I 392-395. Het licht der zon en het vuur des hemels leveren aan den Israeliet de stof voor de beschrijving der deugden van Iahveh, maar hij is zich duidelijk daarbij bewust, in beeld te spreken. Gelijk de donder zijne stem is, Ps. 104 : 7, Am. 1 : 2, Jes. 30 : 30, zoo is het licht der natuur zijn kleed, Ps. 104 : 2. Wat het licht in de natuur is, bron van kennis, van reinheid, van vreugde, dat is God in het geestelijke. Hij is het licht der vromen, Ps. 27 : 1, zijn aangezicht, zijn woord verspreidt licht, Ps. 44 : 4, 89 : 16, 119 : 105, in zijn licht alleen zien zij het licht, Ps. 36 : 10. Hij zelf is louter licht, zonder duisternis en vader van al wat licht is, 1 Joh. 1 : 5, 1 Tim. 6 : 16, Jak. 1 : 17, en is naar de belofte, Jes. 9 : 1, 60 : 1, 19, 20, Mich. 7 : 8, in Christus als het licht verschenen, Mt. 4 : 16, Luk. 2 : 32, Joh. 1 : 4, 3 : 19, 8 : 12, 1 Joh. 2 : 20, zoodat nu zijne gemeente licht is in Hem, Mt. 5 : 14, Ef. 5 : 8, 1 Thes. 5 : 5, en het volle licht tegemoet gaat, Op. 21 : 23 v. 22 : 5, Col. 1 : 12. De Joden dachten later bij deze hwhy dôbk aan een geschapen, zichtbaren glans, aan een Lichtleib, waardoor Hij zijne tegenwoordigheid in de schepping kenbaar maakte en vatten haar in de schechina zelfs op als een persoonlijk subject, Weber, System der altsyn. pal. Theol. 1880 S. 160, 179-184. Uit de Joodsche theologie is deze meening overgegaan in de theosophie. Böhme beschrijft de heerlijkheid Gods als een Leib des Geistes, als een Reich der Herrlichkeit Gottes, das ewige Himmelreich, worin die Kraft Gottes wesentlich ist, tingiert vom |193| Glanz und Kraft des Feuers und des Lichts, als een ongeschapen hemel, een paradijs, Joh. Claassen, Jakob Böhme, sein Leben und seine theos. Werke I 157, II 61, en zoo ook Baader, Joh. Claassen, Fr. v. Baaders Leben u. theos. Werke II 90f. Oetinger, Die Theol. aus der Idee des Lebens, herausgeg. von J. Hamberger 1852 S. 113 f. 117 f. Delitzsch, Bibl. Psych2. S. 49 f. Keerl, Der Mensch das Ebenbild Gottes II 17 f. 113. Id. Die Lehre des N.T. von der Herrlichkeit Gottes, Basel 1863. Onder de Luthersche theologen was er vroeger reeds strijd over, of God in eigenlijken (Dannhauer, Chemniz) dan wel in oneigenlijken (Musaeus e. a.) zin licht werd genoemd, M. Vitringa, Doctr. chr. relig. I 139. In de Oostersche kerk hechtte zelfs het concilie van Constantinopel in 1431 zijne goedkeuring aan de leer van een ongeschapen, Goddelijk licht, dat van het wezen Gods onderscheiden was, Kurtz, Lehrb. der Kirchengesch. § 69, 2. Toch kan deze meening niet worden goedgekeurd. De Schrift leert duidelijk de geestelijkheid en de onzichtbaarheid Gods. Het aannemen van een heerlijkheid Gods, als eene plaats, £wqm, gestalte, hnwmt, e¸dov, morfj, als een £ynp van een lichaam, een rijk, een hemel, die zij het dan ook ongeschapen, toch van zijn wezen onderscheiden zou zijn, is met bovengenoemde eigenschappen en evenzoo met de eenvoudigheid Gods in strijd. Ook als de Schrift van Gods aangezicht, heerlijkheid en majesteit gewaagt, spreekt ze in beeld. Maar gelijk alle volmaaktheden, zoo komt ook deze in zijne schepselen uit. Zij is mededeelbaar. Er is in het geschapene een zwakke glans van de onuitsprekelijke heerlijkheid en majesteit, die God bezit. Gelijk de schepselen ons opleiden, om van Gods eeuwigheid en alomtegenwoordigheid, van zijne gerechtigheid en genade te spreken, zoo doen zij ons iets kennen van de heerlijkheid Gods. Toch is ook hier de analogie geen identiteit. Reeds in de taal komt dit uit. Bij de schepselen spreken we van mooi, schoon, fraai; maar de Schrift heeft voor de schoonheid Gods een eigen naam, dien van heerlijkheid. Daarom verdient het ook geen aanbeveling, om met de kerkvaders, scholastici en Roomsche theologen van de pulchritudo Dei te spreken. Augustinus sprak reeds in dien zin. Hij ging uit van de grondstelling: Omne quod est, in quantum est, verum, bonum, pulchrum est. Nu is er in het zijn en dus ook in het ware, goede en schoone onderscheid, rangordening, opklimming. Naarmate iets meer zijn heeft, heeft het ook |194| meer waarheid, goedheid en schoonheid. Alles is schoon in zijn soort. Singula opera Dei . . . . inveniuntur habere laudabiles mensuras et numeros et ordines in suo quaeque genere constituta, de Gen. c. Manich. I 21. Inest enim omnibus quoddam naturae sui generis decus, de Gen. ad litt. III 14. Alle schepselen dragen daarom bij tot de schoonheid van het geheel. Maar alle schoonheid der schepselen is vergankelijk en veranderlijk; ze zijn niet schoon door zichzelve, maar door participatie aan eene hoogere, absolute schoonheid. Ondervraag alle schepselen: Respondent tibi omnia: ecce, vide, pulchra sumus. Pulchritudo eorum, confessio eorum, Serm. 241. Die hoogste schoonheid, waarheen alle schepselen wijzen, is God. Hij is summum esse, summum verum, summum bonum en ook de hoogste onveranderlijke schoonheid. Ista pulchra mutabilia quis fecit, nisi incommutabilis pulcher? ib. God is de hoogste schoonheid, wijl in zijn wezen absolute eenheid en maat en orde is. Hem ontbreekt niets, en er is niets overtolligs in Hem, de ord. I 26. II 51. de beata vita 34. c. Acad. II 9. Ritter, Gesch. der christl. Philos. II 289 f. Ook in deze opvatting van Augustinus is de invloed van het neoplatonisnie niet te miskennen, dat de Godheid eveneens beschouwde als de hoogste schoonheid en de oorzaak van al het schoone, Zeller V2 483 f. Maar zoo heeft deze gedachte van Augustinus toch ingang gevonden bij Dionysius, de div. nom. c. 4 § 7. Bonaventura, Breviloquium, Pars I c. 6. Petavius, Theol. dogm. VI c. 8. Scheeben, Kath. Dogm. I 589 f. enz. Daarentegen spraken de Prot. theologen liefst van de majestas en gloria Dei, Gerhard, Loci theol. I c. 8 sect. 18. Polanus, Synt. theol. II c. 31. Mastricht, Theor. pract. theol. II c. 22. Synopsis pur. theol. VI 43. In de heerlijkheid Gods komt zijne grootheid en verhevenheid uit, gelijk ze zoo menigmaal in de psalmen en profeten geschilderd wordt, Ps. 104, Jes. 40, Hab. 3. Ze heet grootheid en verhevenheid, inzoover ze in het schepsel eerbiedige bewondering en aanbidding wekt. Ze wordt heerlijkheid genoemd, in zoover ze stemt tot dank en roem en eere. Ze wordt majesteit geheeten, inzoover zij in verband staat met zijne absolute dignitas en onderwerping eischt van alle creatuur.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004