12. Met de goedheid ten nauwste verwant is de heiligheid Gods. Vroeger werd zij omschreven als ab omni scelere libera et omnino perfecta et omni ex parte immaculata puritas, Pseudodion., de div. nom. c. 12 § 2, cf. verder Suicerus, s.v. ƒgiov. Dikwerf wordt ze naast de bonitas, perfectio en pulchritudo Dei niet afzonderlijk behandeld; noch Lombardus, noch Thomas brengen haar ter sprake. Bij de Protestantsche theologen was de omschrijving der heiligheid Gods wezenlijk dezelfde; zij bestond in moralis perfectio, puritas, Polanus, Synt. theol. II c. 28. Synopsis, VI 40. Mastricht, Theor. pract. theol. II c. 19. L. Meyer, Verh. over de Goddel. eigensch. III 115 v. en werd nu eens meer met de gerechtigheid, dan met de goedheid, en ook wel met de waarachtigheid en wijsheid Gods in verband gebracht, Heppe, Dogm. der ev. ref. K. S. 73, cf. Bretschneider, Syst. Entw. 382 f. Hase, Hutt. Rediv. § 63. Het onderzoek van het bijbelsch begrip heilig heeft echter allengs eene andere opvatting doen opkomen. Allen erkennen thans, dat het begrip heiligheid in O. en N.T. eene verhouding van God tot de wereld uitdrukt. Maar er is verschil over, van wat aard en karakter die relatie is. Menken |185| dacht daarbij met het oog op teksten als Hos. 11 : 9, Jes. 57 : 15, Ezech. 20 : 9 v. aan Gods nederbuigende goedheid en genade, Versuch einer Anleitung zum eigenen Unterricht in den Wahrh. der h. S. 3te Aufl. 1833 cap. 1 § 9. Baudissin meende echter, dat in de heiligheid Gods veeleer zijne volstrekte verhevenheid en macht boven alle creaturen werd uitgedrukt, Stud. zur semit. Religionsgesch., 2tes Heft, Leipzig 1878 S. 3-142, en werd in dit gevoelen gesteund door Ritschl, Rechtf. u. Vers. II2 89 f., en ook door Prof. H.P. Smith, Presb. and Ref. Rev. Jan. 1890 p. 42 etc. met beroep op plaatsen als Num. 20 : 13, Jes. 5 : 16, Ezech. 20 : 41, 28 : 25, 36 : 20-24, en de verbinding van heerlijk, verheven met heilig in plaatsen als Jes. 63 : 15, 64 : 11, Jer. 17 : 12, Ezech. 20 : 40 enz. Verwant is daarmede de opvatting van Schultz, die bij de heiligheid Gods denkt aan Gods verterende majesteit, aan zijne ongenaakbaarheid en onschendbaarheid, aan den oneindigen afstand, die hem scheidt van alle schepsel, en daarvoor verwijst naar Ex. 15 : 11, 1 Sam. 2 : 2, 6 : 20, Jes. 6 : 3, 8 : 14, 10 : 17, Altt. Theol.4 554 f., cf. ook Kuenen, G. v. Isr. I 47 v. Hofmann, Schriftbeweis I2 83, in hoofdzaak ook Smend, Altt. Relionsgesch. 333 f. Omdat er zoo het grootste verschil over was, welke eigenschap Gods er toch wel door de heiligheid werd aangeduid, hebben anderen gemeend, dat dit begrip hoegenaamd geen innerlijke, wezenlijke qualiteit, maar alleen eene relatie aanduidt, en dus zuiver en alleen een Verhältnissbegriff is. Het eerst werd de heiligheid zoo opgevat door Diestel, Jahrb. f. d. Theol. 1859 S. 3-62, en sedert wordt zij door velen als de juiste aangenomen, vooral door Otto Schmoller, Die Bedeutung von Hdq im A. T., in Festgruss an Rudolf von Todt zum. Dr. jubiläum, von seinen Freunden u. Schülern, Stuttgart 1893 S. 39-43, cf. ook Delitzsch art. Heiligkeit in Herzog2. Cremer, Wörterbuch s. v. Issel, Der Begriff der Heiligkeit im N.T. leiden, 1887. R. Schröter, Der Begriff der Heiligkeit im A. u. N. T. Leipzig, Foek 1892. Hoekstra, Wijsg. Godsd. II 260-280.

De stam Hdq, verwant met Hdh, wordt meest afgeleid van den wortel dq met de beteekenis van snijden, scheiden en drukt dus uit: afgesneden, afgezonderd zijn. Het verb. komt voor in ni. pi. hi. hithp., het adj. is Hôdq en het subst. Hdq; het oppositum is lx, koinov van llx, koinon facere, Lev. 10 : 10, 1 Sam. 21 : 5, 6, Ezech. 48 : 14, 15. Het is verwant met maar toch ook duidelijk |186| onderscheiden van rôhX, rein, dat tot oppositum heeft 'mX, Lev. 10 : 10. Het woord heilig wordt nu allereerst gebezigd van allerlei personen en zaken, die van het algemeen gebruik zijn afgezonderd. en in eene bijzondere relatie tot God en zijn dienst zijn gesteld. Zoo is er sprake van heilig land, Ex. 3 : 5, heilige verzameling, Ex. 12 : 16, heilige sabbat, Ex. 16 : 23, heilig volk, Ex. 19 : 6, heilige plaats, Ex. 29 : 31, heilige zalf, Ex. 30 : 25, heilige rok, Lev. 16 : 4; heilig jubeljaar, Lev. 25 : 12, heilig huis, Lev. 27 : 14, heilige akker, Lev. 27 : 21, heilige tiende, Lev. 27 : 30, heilig water, Num. 5 : 17, heilige vaten, Num. 16 : 37, heilige koe, Num. 18 : 17, heilig leger, Deut. 23 : 14, heilig goud, Jos. 6 : 19, heilig brood, 1 Sam. 21 : 4, heilige ark, 2 Chron. 35 : 3, heilig zaad, Ezra 9 : 2, heilige stad, Neh. 11 : 1, heilig verbond, Dan. 11 : 28, heilig woord, Ps. 105 : 42, van den tempel als heiligdom, Ex. 15 : 17 met zijn heilige en heilige der heiligen, en ook van de engelen of de kinderen Israels als de heiligen, Deut. 33 : 2, 3, Job 5 : 1, 15 : 15, Ps. 16 : 3, 10, 32 : 6, 89 : 6, 8, 20, Spr. 9 : 10, 30 : 3, Dan. 4 : 17, 7 : 18, 22, 25, 27, 7 : 21, Hos. 12 : 1, Zach. 14 : 5. In al deze gevallen drukt het begrip heilig nog niet eene inwendige, zedelijke eigenschap uit, maar duidt slechts aan, dat de zoo aangeduide personen of voorwerpen aan den Heere zijn gewijd en in eene bijzondere verhouding staan tot zijn dienst, en dus van, het gemeene terrein zijn afgezonderd. In deze eigenaardige verhouding tot God staan de personen en zaken, die heilig worden genoemd, echter niet vanzelf. Er is veeleer van nature een afstand en verwijdering, een onderscheid en tegenstelling tusschen God en zijn schepsel. In zichzelve is heel de wereld lx, profaan, niet staande in de gemeenschap met God en niet geschikt tot zijn dienst. Ook kunnen de personen en zaken zichzelven niet heiligen en in die bijzondere relatie tot God zich stellen, welke door het woord heilig wordt uitgedrukt. De heiliging gaat alleen van God uit. Hij is het, die Israel, priesterschap, tempel, altaar, bijzondere plaatsen, personen en voorwerpen heiligt, in zijn dienst en gemeenschap overbrengt, en van het onheilige afzondert. Ik ben de Heere, die u heilig, Ex. 31 : 13, Lev. 20 : 8, 21 : 8, 15, 23, 22 : 9, 16, 32, Ezech. 20 : 12, 37 : 28. Deze heiliging van personen of zaken door den Heere geschiedt nu op tweeërlei wijze: negatief door een volk, persoon, plaats, dag, voorwerp uit te verkiezen en van alle andere af te zonderen, en |187| positief door deze personen of zaken naar bepaalde regelen te wijden en te doen leven. God heiligt den sabbat, niet alleen door hem aftezonderen van de andere dagen der week maar ook door daarop te rusten en hem te zegenen, Gen. 2 : 2, 3, Ex. 20 : 11, Deut. 5 : 12. Hij heeft het gansche volk van Israel geheiligd, door het te verkiezen uit alle volken der aarde, door het optenemen in zijn verbond en het zijne wetten bekend te maken, Ex 19 : 4-6. De heiligheid Gods is het principe van heel de wetgeving, van de zedelijke en van de ceremonieele geboden, van de gansche heilsopenbaring aan Israel, want deze bedoelt niet anders dan dat Israel heilig zij, Ex. 19 : 4-6, Lev. 11 : 44, 45, 19 : 2, 20 : 26. Israel is heilig, doordat God het tot zijn eigendom neemt, tot het volk komt, onder hen woont en hun tot een God is, Ex. 19 : 4-6, 29 : 43-46. En binnen dezen kring heiligt Hij nu weer in het bijzonder de eerstgeborenen, door ze zich toe te eigenen, Ex. 13 : 2, het volk, doordat ze zich wasschen en alzoo zich voorbereiden, om God te ontmoeten, Ex. 19 : 10, 14, den berg, door hem af te palen, Ex. 19 : 23, de priesterschap door zalving, offerande, bloedsprenging en bijzondere kleeding, Ex. 28 : 3, 41, 29 : 1v. 21, den tabernakel en het aldaar door zalving, Ex. 29 : 37, 40 : 9v. Lev. 8 : 10, 11, Num. 7 : 1, de zalfolie, door ze op bijzondere wijze te laten bereiden, Ex. 30 : 22 v., de Nazireers, door hen naar bepaalde regelen te doen leven, Num. 6 : 2 v. enz. En wat zoo heilig is, deelt in een eigen leven, draagt een eigen karakter, is van ’t gemeene leven en de gemeene wet onderscheiden; het mag b.v. niet aangeroerd, Ex. 19 : 23, 24, niet gegeten, Ex. 29 : 33, niet gebruikt worden, Ex. 30 : 32 v., het heiligt datgene, wat er mede in aanraking komt, Ex. 30 : 29, Lev. 10 : 2 v., Num. 1 : 51, 53, 3 : 10, 38, Jes. 8 : 14. Nu is de positieve handeling, waardoor iets heilig wordt, niet altijd uitgedrukt; soms schijnt de heiliging in niets anders te bestaan dan in afzondering, Lev. 25 : 10, 27 : 14, Joz. 7 : 13, 20 : 7, Rich. 17 : 3, 1 Sam. 7 : 1, 2 Sam. 8 : 11, 1 Chron. 18 : 11 enz. Maar heiligen is toch iets meer dan alleen afzonderen, het is door middel van wassching, zalving, offerande, bloedsprenging enz. iets ontdoen van dat karakter, hetwelk het met alle dingen gemeen heeft, en er een anderen, eigen, stempel op drukken, dien het overal dragen en vertoonen moet. Nu wijzen de ceremoniën, die ter heiliging noodig waren, duidelijk aan, dat ook de onreinheid en zondigheid van het schepsel hierbij |188| in aanmerking komt, welke juist op die wijze moest weggenomen worden. Wassching, offerande, bloedsprenging, zalving dienden ter ontzondiging en toewijding, Lev. 8 : 15, 16 : 16, Job 1 : 5 enz. Heilig en rein zijn daarom synoniemen, Ex. 30 : 35, Lev. 16 : 19. Maar daarom gaat het begrip heilig in die zedelijke reinheid niet op. Wel is deze niet uitgesloten, maar zij is niet de eenige noch zelfs de eerste beteekenis. Heilig is in het O.T., vooral in de wet, veel ruimer van zin. Heel de onderscheiding en tegenstelling van uitwendige en inwendige reinheid enz. is van uit een later standpunt op dat der Mozaische wetgeving overgedragen. Maar heilig is datgene, wat door Ihvh verkoren en afgezonderd is, wat door bijzondere ceremoniën van het gemeen karakter is ontdaan en een eigen karakter heeft ontvangen, en nu in dezen nieuwen toestand naar de daarvoor gestelde wetten leeft. Israel is een heilig volk, omdat het door God is verkoren en afgezonderd, in een verbond is opgenomen en nu naar al zijne wetten, ook de ceremoniëele enz. heeft te leven. Heilig is datgene, dat in alles beantwoordt aan de speciale wetten, die God daarvoor heeft gegeven; heiligheid is volkomenheid, niet in zedelijken zin alleen, maar in dien ganschen zin, waarin de eigenaardige wetgeving van Israel ze opvat, in religieusen, ethischen, ceremonieelen, in- en uitwendigen zin.

Dit begrip der heiligheid wordt echter dan eerst ten volle duidelijk wanneer we nagaan, in welken zin het op God wordt toegepast. Cremer heeft er terecht op gewezen, dat de heiligheid niet allereerst eene verhouding aanduidt van beneden naar boven, maar van boven tot beneden, en dat ze in de eerste plaats Gode toekomt en daarna in afgeleiden zin ook aan schepselen. Schepselen zijn niet heilig in zichzelf. Zij kunnen ook zichzelf niet heiligen. Alle heiliging en alle heiligheid gaat van God uit. Ihvh is heilig, en daarom wil Hij een heilig volk, eene heilige priesterschap, eene heilige woning enz., Ex. 19 : 6, 29 : 43, Lev. 11 : 44, 45, 19 : 2, 20 : 26, 21 : 8, Deut. 28 : 9, 10. Meermalen wordt aan Ihvh dit praedikaat toegekend, Lev. 11 : 44, 45, 19 : 2, 20 : 26, 21 : 8, Joz. 24 : 19, 1 Sam. 2 : 2, 6 : 20, Ps. 22 : 4, 99 : 5, 9, Jes. 5 : 16, 6 : 3 enz. Jesaia gebruikt dikwerf den naam van Heilige Israels, cap. 29 : 23, 40 : 25, 43 : 15, 49 : 7, 62 : 12, cf. 2 Kon. 19 : 22, Ezech. 39 : 7, Hab. 1 : 12, 3 : 3. En voorts wordt er ook gesproken van Gods heiligen naam, Lev. 20 : 3, |189| 22 : 32, 1 Chron. 11 : 11, Ps. 19 : 3, 103 : 1, 111 : 9 enz., heiligen arm, Jes. 52 : 10, heilige majesteit, 2 Chr. 20 : 21. Nu heet Ihvh in de eerste plaats zoo, wijl Hij zich in eene bijzondere relatie tot Israel gesteld heeft; heilig is ook bij God allereerst een Verhältnissbegriff. Jahveh’s heiligheid openbaart zich daarin, dat hij Israel tot zijn Volk heeft aangenomen, zichzelf aan Israel gaf en onder hen wonen ging, Ex. 29 : 43-46, Lev. 11 : 44, 45, 20 : 26, Ps. 114 : 1, 2. Doch deze relatie is geen abstractie, maar is rijk van inhoud. God heeft zelf deze relatie geregeld in de wetten, die Hij aan Israel gaf. Heel de wetgeving van Israel heeft haar principe in de heiligheid van Ihvh en haar doel in de heiliging des volks. Wat de heiliging van Ihvh inhoudt, wordt openbaar in de gansche wet; en het volk is heilig, wanneer het daaraan beantwoordt. Als Heilige is Hij degene, die zich aan Israel gaf en onder Israel woont, maar nu ook verder zich houdt aan zijn woord, trouw blijft aan zijn verbond, Ps. 89 : 35 v. en Israel telkens weer uitredt en verlost. God is de Heilige Israels, die Israel toebehoort en die zoo is, als zijne wet Hem kennen doet. Uit zijne heiligheid vloeit voor Israel voort: redding, Ps. 22 : 4, 5, 89 : 19, 98 : 1, 103 : 1, 105 : 3, 145 : 21, gebedsverhooring, Ps. 3 : 5, 20 : 7, 28 : 2, troost, Jes. 5 : 16, Hab. 1 : 12, vertrouwen, Ps. 22 : 4, 5, 33 : 21, Jes. 10 : 20. Zijne heiligheid laat niet toe, dat Hij Israel verderve. Als de Heilige is Hij de Schepper, Verlosser en Koning Israels, Jes. 43 : 14, 15, 49 : 7, 54 : 5, 62 : 12. En zoo wordt Hij door zijn volk, dat verlost is, als de Heilige gedankt en geprezen, Ps. 30 : 5, 71 : 22, 97 : 12, 1 Chron. 16 : 10, 35. Maar tegelijk is deze heiligheid Gods ook principe van straf en kastijding. Als Israel zijn verbond verbreekt, zijn naam ontheiligt, zijne wetten overtreedt, dan is het juist de heiligheid Gods, die Hem tot straf aanspoort; zijne heiligheid eischt dat Israel heilig zij en Hem heilige, Lev. 11 : 44, 45, 19 : 2, 20 : 7, 26, 21 : 8. Ingeval van ongehoorzaamheid, kastijdt Hij Israel, 1 Kon. 9 : 3-7, 2 Chron. 7 : 16-20. Dezelfde heiligheid, die principe is van verlossing en voorwerp van lof, is voor de overtreders beginsel van verderving en voorwerp van vreeze. Heilig is dan synoniem van ijverig, Joz. 24 : 19, groot en vreeselijk, Ex. 15 : 11, Ps. 99 : 3, 111 : 9, van heerlijk en verheven, Jes. 6 : 3, 57 : 15. Niemand is Hem als Heilige gelijk, Ex. 15 : 11, 1 Sam. 2 : 2, Jes. 40 : 25. Hem heiligen is Hem |190| vreezen, Jes. 8 : 13, 29 : 23. Als menschen zijn naam en zijn verbond ontheiligen, dan heiligt Hij zichzelf door recht en gerechtigheid, Jes. 5 : 16, Ezech. 28 : 22. Maar ook dan vergeet Hij zijn volk niet. Zijne heiligheid blijft voor Israel de oorzaak der verlossing, Jes. 6 : 13, 10 : 20, 27 : 13, 29 : 23, 24, 43 : 15, 49 : 7, 52 : 10 enz. Jer. 51 : 5, Hos. 11 : 8, 9, en zal zich eindelijk daarin openbaren, dat Hij de Heidenen zal doen weten dat Hij de Heere is, Jer. 50 : 29, Ezech. 36 : 23, 39 : 7 en Israel verlost en reinigt van alle ongerechtigheden, Ezech. 36 : 25 v., 39 : 7. Dit laatste leidt nu rechtstreeks henen naar de heiligheid in Nieuw-Testamentischen zin. Reeds de keuze van het grieksche woord is van beteekenis. Semnov van sebomai, duidt aan wat eerwaardig is, Phil. 4 : 8, 1 Tim. 3 : 8, 11, Tit. 2 : 2; ³erov drukt alleen eene relatie uit tot de Godheid, 1 Cor. 9 : 31, 2 Tim. 3 : 15, Hebr. 8 : 2, 9 : 8 enz.; ƒgnov heeft de beteekenis van rein, kuisch, 2 Cor. 11 : 2, Tit. 2 : 5 enz. Deze woorden worden nimmer van God gebruikt. God wordt in het N.T. alleen genoemd ésiov, Op. 15 : 4, 16 : 5, cf. Hebr. 7 : 26 en vooral ƒgiov, Luk. 1 : 49, Joh. 17 : 11, 1 Joh. 2 : 20, 1 Petr. 1 : 15, 16, Op. 4 : 8, 6 10. In het O. Test. is de heiligheid Gods nog niet duidelijk naast en in onderscheiding van alle andere volmaaktheden Gods bepaald. Zij duidt daar nog aan de gansche relatie, waarin de Heere tot Israel en Israel tot den Heere staat. Daarom kan Ihvh de Heilige Israels heeten, die zich geheel en al aan Israel gegeven heeft en het langs allerlei wegen als zijn eigendom handhaaft en bewaart. Daarom is ook van de zijde des volks de heiliging niet alleen religieus en ethisch maar ook ceremonieel, burgerlijk, politiek van aard. Gelijk de heiligheid in God nog niet naast andere deugden is begrensd, zoo is zij ook aan de zijde van Israel heel het volk naar alle zijden omvattend. Maar als in het N.T. é ƒgiov tou qeou verschijnt, Mk. 1 : 24, Luk. 4 : 34, Hd. 3 : 14. 4 : 27, die met de wereld de diepste tegenstelling vormt, Joh. 15 : 18 en zichzelven in absoluten zin Gode heiligt en wijdt, Joh. 17 : 19, dan houdt de heiligheid Gods op beginsel van straf en kastijding te wezen, en wordt zij in den Heiligen Geest, die in het O.T. nog maar enkele malen zoo heet, Ps. 51 : 13, Jes. 63 : 10, doch thans geregeld dien naam draagt, het principe van de heiliging der gemeente. Deze is thans het qnov ƒgion, 1 Petr. 2 : 5, 9, Ef. 2: 19, 5 : 27, bestaande uit klektoi, ƒgioi, ‡mwmoi, Ef. 1 : 1, 4, |191| Col. 1 : 2, 22, 3 : 12, 1 Cor. 7 : 24, geheel en al van de zonde bevrijd en gereinigd en eeuwiglijk met ziel en lichaam Gode gewijd. De heiligheid, welke Ihvh zich geven doet aan Israel en Israel geheel en al opeischt voor zijn dienst, openbaart zich ten slotte het hoogste daarin, dat God zich in Christus aan de gemeente geeft en deze verlost en reinigt van alle ongerechtigheden.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004