D. God als de Heilige

11. Onder de ethische deugden komt de eerste plaats toe aan de goedheid Gods. Ook uit de natuur is deze bekend. Bij Plato was de idee van het goede met de Godheid één. Maar het woord goed heeft verschillenden zin. De oorspronkelijke en eerste |177| beteekenis van goed schijnt geen innerlijke qualiteit maar eene relatie tot iets anders aan te duiden. Bij Socrates was het goede identisch met het nuttige, met wat goed, bruikbaar, nuttig was voor een ander, Xen., Memor. IV 6, 8 v.; een absoluut goed is er dus niet, er is alleen een relatief goed; nut en schade zijn de maatstaf van goed en kwaad. De grieksche ethiek bleef op dit standpunt staan; de vraag naar het hoogste goed valt saam met die naar het geluk; goed is dat, wat allen begeeren, Plato, Symp. 204 E v. Arist. Nie. Eth. I 2. Vandaar de gewone definitie: bonum est id quod omnia appetunt, b.v. bij Dionys., de div. nom. c. 4. Thomas, S. Theol. I qu. 5 art. 1. qu., 16 art. 1 en 3. S. c. Gent. I c. 38. 40. Sent. I dist. 8 art. 3. De utilistische moraal houdt zich aan deze beteekenis van het woord goed, en grondt daarop hare leer, cf. Paulsen, System der Ethik 1889 S. 171 f. Wundt, Ethik 1886 S. 18 f. En Fr. Nietzsche heeft daarop heel zijne revolutie der moraal gebouwd; goed was oorspronkelijk zooveel als voornaam, sterk, machtig, schoon, en slecht was de benaming van den schlichten, gemeinen Mann, Zur Genealogie der Moral S. 6. Nu heeft het woord goed inderdaad dikwerf deze beteekenis, als wij spreken van een goed huis, een goed vriend enz., en daarmede aanduiden, dat een persoon of zaak zekere eigenschappen bezit en ergens voor deugt. Goed heeft dan geen eigen inhoud, maar ontvangt dien van het doel, waartoe iemand of iets dienen moet, en wisselt daarom bij de verschillende volken in beteekenis. De Griek denkt er bij aan schoonheid, kalokagaqia, de Romein aan voorname geboorte en rijkdom, de Germaan aan wat passend en tüchtig is; en daarmee in verband verschilt ook de beteekenis van ‡retj, virtus, deugd. Dit goede in algemeenen zin bevat onder zich het nuttige, het aangename, het aesthetisch en het ethisch goede, bonum utile, bonum delectabile en bonum honestum, Thomas, S. Theol. I qu. 5 art. 6, I 2 qu. 99 art. 5 enz. In al deze beteekenissen is goed nog een relatief begrip en duidt aan id quod omnia appetunt. Maar toch gaat het woord in deze beteekenis niet op. Wij spreken ook van een bonum in se. De beteekenis van goed als bonum morale of honestum vormt daartoe den overgang. Het zedelijk goede is op zichzelf goed, afgedacht van alle voor- of nadeelige gevolgen; het heeft absolute waarde. Volgens de Schrift is God het inbegrip van alle volmaaktheden. Alle deugden zijn in absoluten zin in Hem aanwezig. De Schrift noemt Hem |178| slechts enkele malen goed in absoluten zin, OÇdeiv ‡gaqov e¸ mj e³v é qeov, Mr. 10 : 18, Luk. 18 : 19; Hij is teleiov, Mt. 5 : 48. Maar welke deugd zij Gode ook toeschrijft, zij gaat altijd van de onderstelling uit, dat deze Hem toekomt in volstrekten Zin. Kennis, wijsheid, macht, liefde, gerechtigheid enz. komen Hem toe op geheel eenige, d.i. Goddelijke wijze. Deze zijne goedheid is dus één niet zijne absolute volmaaktheid. In Hem is idee en realiteit één. Hij is louter e¸dov, actus purissimus. Hij behoeft niets te worden, maar is wat Hij is eeuwiglijk. Hij heeft geen doel buiten zich, maar is zelfgenoegzaam, xarkjv, panarkjv, aÇtarkjv, Ps. 50 : 9 v., Jes. 40 : 28 v., Hab. 2 : 20. Hij ontvangt niets maar geeft alleen. Alles heeft Hem, Hij heeft niets of niemand van noode. Hij bedoelt altijd zichzelf, omdat Hij in iets minder dan zichzelf niet rusten kan. Wijl Hijzelf is de absoluut-goede, de volmaakte, kan en mag Hij iets anders niet beminnen dan in en om zichzelven. Hij kan en mag met minder dan de absolute volmaaktheid niet tevreden zijn. Waar Hij anderen bemint, bemint Hij in hen zichzelven, zijn eigen deugden, werken, gaven. Over de goedheid Gods, in den zin van volmaaktheid, cf. August., de nat. boni c. Manich. 1, de trin. VIII 3. Pseudodion., de div. nom. c. 13. Thomas, S. Th. I qu. 4-6, c. Gent. I 28. Petavius, de Deo VI c. 1 sq. Gerhard, Loc. II c. 8 sect. 10, 17. Zanchius, Op. II 138 sq. 326 sq. Polanus, Synt. theol. II c. 9 enz. Daarom is Hij ook absoluut zalig in zichzelven, als het inbegrip van alle goed, van alle volmaaktheid. Aristoteles zeide reeds, dat God daarom de zalige was, wijl Hij de eenheid was van denken en gedachte en boven alle begeeren, streven, willen, volkomen verheven was, Zeller III3 367 f. En ten allen tijde hebben zij, die het primaat stelden in het verstand, bij Aristoteles zich aangesloten en de zaligheid in het denken, het kennen, de contemplatie gezocht, cf. Thomas S. Theol. I 2 qu. 3 art. 4. Er lag hierin waarheid, inzoover absolute zaligheid een toestand is van rust, met geen streven naar een doel vereenigbaar is en ook het bewustzijn onderstelt. Zaligheid is alleen eigen aan redelijke wezens. Het onbewuste bij von Hartmann, is, evenals de wil bij Schopenhauer, absolute onzaligheid, die zelf verlossing behoeft, Hartmann, Philos. des Unbew. II9 434. Religionsphilosophie II 152 f. Drews zegt dan ook, dat de eigenschap der volmaaktheid Gode niet kan worden toegekend; een volmaakte God ware een totes Abstraktum |179| en zou de wereld niet kunnen verklaren; een God, die alles had, die volkomen zalig en zichzelf genoeg was, heeft geen verandering, geen wereld van noode, Die deutsche Spekulation seit Kant, II 593 f. Maar juist deze leer van de absolute onzaligheid Gods maakt behoedzaam, om bij God en mensch het primaat toe te schrijven aan den wil, gelijk Duns Scotus en velen na hem deden. Veel juister is daarom het standpunt van Bonaventura, die de zaligheid stelde in beide, in verstand en wil, Sent. IV dist. 49 pars 1 art. 1 qu. 4, 5. Gelijk de zaligheid des menschen ziel en lichaam en al zijne vermogens omvatten zal, zoo bestaat ze bij God niet alleen in zijne volmaakte kennis maar eveneens in zijne volmaakte macht, goedheid, heiligheid enz. Beatitudo status est omnium bonorum aggregatione perfectus, Boethius, de cons. philos. 4. Over de zaligheid Gods, August. de civ. Dei XII 1. Thomas, S. Theol. I qu. 26, Gerhard, Loc. II c. 8 sect. 19. Zanchius, II 155 sq. Polanus II c. 17. Maar wat goed is in zichzelf, is goed ook voor anderen. En God is als de volmaakte en zalige het hoogste goed voor zijne schepselen, bonum summum quod omnia appetunt; fons bonorum omnium; bonum omnis boni; bonum unum necessarium et sufficiens, finis bonorum omnium, Ps. 4 : 7, 8, 73 : 25, 26. Hij alleen is het bonum quo sit fruendum, maar schepselen zijn bona, quibus sit utendum, August. de doctr. chr. I c. 3 sq. de trin. X 10. Lombardus, Sent. I dist. 1. Bonaventura, Sent. I dist. 1. Vooral Augustinus heeft God dikwerf zoo als summum bonum voorgesteld, de trin. VIII 3, Enarr. in Ps. 26, de doctr. chr. I 7, cf. Anselmus, Prosl. c. 23-25. In Hem is alles en in Hem is alleen, wat alle schepselen zoeken en noodig hebben. Hij is het summum bonum voor alle schepselen, schoon voor deze in verschillende mate, naar gelang ze meer of minder aan zijne goedheid deel hebben, Hem meer of minder genieten kunnen. Hij is het, naar wien alle schepselen bewust of onbewust, willens of onwillens streven, het voorwerp van aller begeeren. En het schepsel vindt geen rust dan in God alleen, August. Conf. I 1. Zoo werd het hoogste goed door de christelijke theologie ten allen tijde in God gesteld, en het kwam in de gedachte niet op, om dat hoogste goed te zoeken in eenige zedelijke daad of deugd van het schepsel, in den plicht (Kant), in het rijk Gods (Ritschl), in de liefde (Drummond) of in eenig ander creatuur. Maar voorts als summum bonum is God ook de overvloedige fontein van alle goeden, Ned. Gel. art. 1. |180| Deus, cum perfecte bonus sit, perpetuo beneficus est, Athenagoras, Leg. pro christ. n. 26. Er is geen goed in eenig schepsel dan uit en door Hem. Hij is de causa efficiens, exemplaris et finalis van alle goed, hoe onderscheiden dit ook in de schepselen moge zijn. Al het natuurlijk, zedelijk en geestelijk goed heeft zijn oorsprong in Hem. De H. Schrift is een lofzang op de goedheid des Heeren. Uit haar wordt de schepping afgeleid, en alle leven en zegen voor mensch en voor beest, Ps. 8, 19, 36 : 6-8, 65 : 12, 147 : 9, Mt. 5 : 45, Hd. 14 : 17, Jak. 1 : 17. Zij breidt zich uit over al zijne werken, Ps. 145 : 9 en duurt in eeuwigheid, Ps. 136. Telkens wordt heel de schepping opgeroepen, om Gods goedheid te loven, 1 Chr. 16 : 34, 2 Chr. 5 : 13, Ps. 34 : 9, 106 : 1, 107 : 1, 118 : 1, 136 : 1, Jer. 33 : 11, enz. Schultz, Altt. Theol. 545 f. Dionysius, de div. nom. c. 4, die de goedheid Gods op verheven wijze schildert en vergelijkt bij de zon, die alles verlicht, Thomas, S. Theol. I qu. 6, vooral art. 4. c. Gent. I c. 40, 41. Petavius, de Deo VI c. 3. Gerhard, Loc. II c. 8 sect. 10. Polanus, Synt. Theol. II c. 20. Zanchius, Op. II col. 326-342 enz. Deze goedheid Gods treedt in verschillende vormen op, naar gelang van de objecten, waarop zij zich richt. Nauw verwant met haar is de goedertierenheid, dsx a.v. dsx, stringere, binden, crjstotjv, verwant met prautjv, 2 Cor. 10 : 1. Soms wordt ze in algemeenen zin gebruikt, 1 Chr. 16 : 34, maar meest duidt ze aan Gods bijzondere gunst tot zijn volk, de genegenheid, waarmee Hij gebonden is aan zijne gunstgenooten, aan Jozef, Gen. 39 : 21, Israel, Num. 14 : 19, David, 2 Sam. 7 : 15, 22 : 51, Ps. 18 : 51, 1 Chr. 17 : 13, de vromen, Ps. 5 : 8. Zij staat in verband met Gods verbond, Neh. 1 : 5, is principe van vergeving, Ps. 6 : 5, 31 : 17, 44 : 27, 109 : 26, Klaagl. 3 : 22, van genade, Ps. 51 : 3, van troost, Ps. 119 : 76, duurt eeuwig, Jes. 54 : 8, 10 en is beter dan het leven, Ps. 63 : 4. In al haar rijkdom heeft zij zich geopenbaard in Christus, Rom. 2 : 4, 2 Cor. 10 : 1, Ef. 2 : 7, Col. 3 : 12, Tit. 3 : 4 en betoont zich nu aan de geloovigen, leidende hen tot bekeering, Rom. 2 : 4, 11 : 22, Gal. 5 : 22, cf. Delitzsch op Ps. 4 : 4. Cremer s.v. leov. De goedheid Gods heet, als ze bewezen wordt aan ellendigen, barmhartigheid, £ymxr, splagcna, viscera, misericordia, N.T. leov, o¸ktirmov. Van deze barmhartigheid Gods maakt de Schrift ieder oogenblik gewag, Ex. 34 : 6, Deut. 4 : 31, 2 Chr. 30 : 9, |181| Ps. 86 : 15, 103 : 8, 111 : 4, 112 : 4, 145 : 8 enz., in tegenstelling met de menschen, 2 Sam. 24 : 14, Spr. 12 : 10, Dan, 9 : 9, 18. Zij is veelvuldig, 2 Sam. 24 : 14, Ps. 119 : 156, groot, Neh. 9 : 19, Ps. 51 : 13, zonder einde, Klaagl. 3 : 22, teeder als van een vader, Ps. 103 : 13, wordt bewezen aan duizenden, Ex. 20 : 6 en keert na kastijding weer, Jes. 14 : 1, 49 : 13 v. 54 : 8, 55 : 7, 60 : 10, Jer. 12 : 15, 30 : 18, 31 : 20, Hos. 2 : 22, Mich. 7 : 19 enz. In het N.T. heeft God, de Vader der barmhartigheid, 2 Cor. 1 : 3, zijne barmhartigheid geopenbaard in Christus, Luk. 1 : 50 v., die een barmhartig hoogepriester is, Mt. 18 : 27, 20 : 34 enz. Hebr. 2 : 17 en Hij toont voorts den rijkdom zijner barmhartigheid, Ef. 2 : 4, in de behoudenis der geloovigen, Rom. 9 : 23, 11 : 30, 1 Cor. 7 : 25, 2 Cor. 4 : 1, 1 Tim. 1 : 13, Hebr. 4 : 16, enz., cf. Thomas, S. Theol. I qu. 21 art. 3. Zanchius, Op. II 370 sq. Polanus, Synt. theol. II c. 23. Gerhard, Loc. II c. 8 sect. 11. De sparende goedheid Gods tegenover strafwaardigen heet lankmoedigheid, xûr of £yp' ¢r', makroqumia, ‡nocj, crjstotjv. Meermalen is ook van deze deugd Gods sprake in de Schrift, Ex. 34 : 6, Num. 14 : 18, Neh. 9 : 17, Ps. 86 : 15, 103 : 8, 145 : 8, Jon. 4 : 2, Joel 2 : 13, Nah. 1 : 3. Zij heeft zich betoond in heel den tijd vóór Christus, Rom. 3 : 25, en wordt ook nu nog naar het voorbeeld van Christus, 1 Tim. 1 : 16, 2 Petr. 3 : 15, menigmaal aan zondaren bewezen, Rom. 2 : 4, 9 : 22, 1 Petr. 3 : 20, Polanus, Synt. Theol. II c. 24. Veel rijker is de goedheid Gods, waar ze bewezen wordt aan zulken, die niets goeds maar alle kwaads hebben verdiend; dan draagt ze den naam van genade, ¤x, hnxt a.v. ¤nx zich buigen, neigen, cariv, v. carizomai. Dit woord duidt ook aan de gunst, welke door den eenen mensch bij den ander gevonden of aan den ander geschonken wordt, Gen. 30 : 27, 33 : 8, 10, 47 : 29, 50 : 4 enz., Luk 2 : 52. Van God gebezigd, heeft ze echter nooit de schepselen in het algemeen noch ook de Heidenen maar alleen zijn volk tot object. Zij wordt bewezen aan Noach, Gen. 6 : 8, Mozes, Ex. 33 : 12, 17, 34: 9, Job, cap. 8 : 5, 9 : 15, Daniel, cap. 1 : 9, aan de zachtmoedigen en ellendigen, Spr. 3 : 34, Dan. 4 : 27, en dan vooral aan Israel als volk. Zijne verkiezing en leiding, zijne uitredding en verlossing en al de weldaden die het in onderscheiding van andere volken ontving, zijn alleen aan Gods genade te danken, Ex. 15 : 13, 16, 19 : 4, 33 : 19, 34 : 6, 7, Deut. 4 : 37, 7 : 8, 8 : 14, 17, 9 : 5, 27, 10 : 14 v. 33 : 3, |182| Jes. 35 : 10, 42 : 21, 43 : 1, 15, 21, 54 : 5, 63 : 9, Jer. 3 : 4, 19, 31 : 9, 20, Ezech. 16, Hos. 8 : 14, 11 : 1 enz. In historie en wet, in psalmodie en profetie is altijd de grondtoon: niet ons, o Heer, maar Uwen naam geef eer, Ps. 115 : 1. Hij doet alles om zijns, naams wil, Num. 14 : 13 v., Jes. 43 : 21, 25 v., 48 : 9, 11, Ezech. 36 : 22 enz. En daarom wordt die genade ook telkens geroemd en verheerlijkt, Ex 34: 6, 2 Chron. 30 : 9, Neh. 9 : 17, Ps. 86 : 15, 103 : 8, 111 : 4, 116 : 5, Jon. 4 : 2, Joel 2 : 13, Zach. 12 : 10. In het N. Test. blijkt die genade nog rijker en dieper van inhoud te zijn. Cariv beteekent in objectieven zin schoonheid, bevalligheid, gratie, Luk. 4 : 22, Col. 4 : 6, Ef. 4 : 29, en subjectief gunst, genegenheid van de zijde van den gever en dank, vereering van de zijde van den ontvanger. In God duidt zij aan zijne vrijwillige, ongehoudene, onverdiende genegenheid, die bewezen wordt aan schuldige zondaren en in plaats van het vonnis des doods hun de dikaiosunj en de zwj schenkt. Als zoodanig is zij een deugd en eigenschap Gods, Rom. 5 : 15, 1 Petr. 5 : 10, die zich betoont in de zending van Christus, die vol is van genade, Joh. 1 : 14 v., 1 Petr. 1 : 13 en voorts in de schenking van allerlei geestelijke en lichamelijke weldaden, die alle gaven dergenade en zelve genade zijn, Rom. 5 : 20, 6 : 1, Ef. 1 : 7, 2 : 5, 8, Phil. 1 : 2, Col. 1 : 2, Tit. 3 : 7 enz. en alle verdiensten van ’s menschen zijde ten eenenmale uitsluiten, Joh. 1 : 17, Rom. 4 : 4, 16, 6 : 14, 23, 11 : 5 v., Ef. 2 : 8, Gal. 5 : 3, 4, Schultz, Altt. Theol. 425 f. Cremer s.v. De leer der genade werd in de christelijke kerk het eerst ontwikkeld door Augustinus, maar men dacht daarbij gewoonlijk niet aan de genade als deugd Gods, maar aan de weldaden, die door God uit genade in Christus aan de gemeente werden geschonken. Onder de eigenschappen Gods, wordt de genade gewoonlijk niet behandeld. Wel ontbreekt dit begrip der genade, nl. als virtus Dei niet; Thomas zegt b.v. quandoque tamen gratia Dei dicitur ipsa aeterna dilectio, secundum quod dicitur etiam gratia praedestinationis, in quantum Deus gratuito et non ex meritis aliquos praedestinavit sive elegit, S. Theol. II 1 qu. 110 art. I., cf. Schwetz, Theol. dogm. cath. I 1851 p. 193. Gerhard, Loc. II c. 8 sect. 11 qu. 4. Musculus, Loci Communes 1567 p. 317 sq. Polanus, Synt. theol. II c. 21. Zanchius Op. II 342-358, maar terstond wordt de genade toch genomen in ruimer zin, gelijk ze eerst later in de dogmatiek, in |183| den locus de salute ter sprake moet komen. Cf. ook Lange, art. Gnade in Herzog2, Dogm. II § 18. Voorts treedt de goedheid Gods als liefde op, als zij niet enkele weldaden slechts, maar zichzelve geeft. In het O. Test. is er nog niet zoo dikwerf van deze liefde als eigenschap Gods sprake, maar toch ontbreekt ze volstrekt niet, Deut. 4 : 37, 7 : 8, 13, 10 : 15, 23 : 5, 2 Chron. 2 : 11, Jes. 31 : 3, 43 : 4, 48 : 14, 63 : 9, Jer. 31 : 3, Hos. 11 : 1, 4, 14 : 5, Zef. 3 : 17, Mal. 1 : 2. En niet alleen deugden en eigenschappen, zooals het recht en de gerechtigheid, Ps. 11 : 7, 33 : 5, 37 : 28, 45 : 8, maar ook personen zijn haar object, Ps. 78 : 68, 146 : 8, Spr. 3 : 12, Deut. 4 : 37, 7 : 8, 13, 23 : 5, 2 Chron. 2 : 11, Jer. 31 : 3, Mal. 1 : 2. Veel klaarder treedt deze liefde Gods in het N.T. aan het licht, nu God zichzelven gegeven heeft in den Zoon zijner liefde. Het Hebr. hbh' wordt niet weergegeven door rwv, hetwelk de gewone naam voor de zinnelijke liefde is, noch ook door filia, het woord voor de liefde tusschen bloedverwanten, maar door ‡gapj. hetwelk aan het gewone grieksch vreemd is en ook bij Philo en Josephus niet voorkomt maar juist geschikt is om de volle, reine, Goddelijke liefde aan te duiden, evenals het latijnsche caritas (dilectio) in onderscheiding van amor. De verhouding van Vader en Zoon wordt als een leven der liefde geteekend, Joh. 3 : 35, 5 : 20, 10 : 17, 14 : 31, 15 : 19, 17 : 24, 26. Maar in Christus, die zelf liefheeft en zijne liefde bewezen heeft in zijne overgave, Joh. 15 : 13, openbaart die liefde zich ook jegens de menschen, niet alleen de wereld of de gemeente in het algemeen, Joh. 3 : 16, Rom. 5 : 7, 8 : 37, 1 Joh. 4 : 9, maar ook individueel en persoonlijk, Joh. 14 : 23, 16 : 27, 17 : 23, Rom. 9 : 13, Gal. 2 : 20. Ja, God heeft niet lief, maar Hij is liefde, 1 Joh. 4 : 8, en zijne liefde is grondslag, bron, voorbeeld van de onze, 1 Joh. 4 : 10. Nu kan er wel van Gods liefde in het algemeen tot de schepselen, en tot de menschen gesproken worden, filoktisia, amor complacentiae en filanqrwpia, amor benevolentiae, maar de Schrift bezigt daarvoor toch meest het woord goedheid, en spreekt in den regel van Gods liefde evenals van zijne genade alleen in betrekking tot het volk of de gemeente, die Hij verkoren heeft, lektofilia, amor amicitiae, Oehler, Theol. des Alt. Test. § 81. Schultz, Altt. Theol. 545 f. Smend, Altt. Religionsgesch. 197 f. Cremer, s.v. Deze liefde is nu wel niet in dien zin het wezen Gods, dat zij het middenpunt en het hart |184| daarin uitmaakt en de andere eigenschappen hare modi zijn, Schleiermacher, Chr. Gl. § 167. Schoeberlein, Princip u. System der Dogm. 1881 S. 129. Dorner, Glaub. I 437. Oosterzee, Dogm. § 50, want alle eigenschappen zijn zijn wezen in gelijken zin; in God is geen hooger en lager, geen minder en meer, Lange, Dogm. II 203. Thomasius, Christi Person undWerk, I3 S. 105. Doedes, Leer van God 231. Maar toch is de liefde zeer zeker met het Goddelijk wezen identisch. Zij is onafhankelijk, eeuwig, onveranderlijk als God zelf. Zij heeft in Hem haar oorsprong en keert ook door de schepselen heen tot Hem weder. Pseudodionysius sprak daarom van de Goddelijke liefde tamquam sempiternus circulus, propter bonum, ex bono, in bono, et ad bonum indeclinabili conversione circumiens, in eodem et secundum idem et procedens semper et manens et remeans, de div. nom. c. 4 § 14. Cf. Augustinus, de trin. VIII 6-12. IX 6. X 1. Conf. IV 12. Solil. I 2. de vera relig. c. 46. Lombardus, Sent. III dist. 32, 1. Thomas, S. Theol. I qu. 20. S. c. Gent. I c. 91. Scheeben, Dogm. I 692 f. Gerhard, Loci theol. loc. II c. 8 sect. 11 qu. 2. Zanchius, Op. II 359 sq. Polanus, Synt. theol. II c. 22.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004