10. Bij de deugden van Gods verstand behoort eindelijk nog de waarachtigheid Gods. Het hebr. woord tm', hnwm', adi. ¤m' komt van het verb. ¤m' vastmaken, bouwen, steunen, intr. vast zijn, hi. zich vasthouden aan, vertrouwen op, zeker zijn van iets en duidt aan, subj. het vasthouden aan iets, geloof, pistiv, en obj. de vastheid, betrouwbaarheid, waarheid van den persoon of de zaak waarop men zich verlaat. De hebr. woorden zijn in de LXX nu eens door ‡ljqeia, n ‡ljqei‹, dan door pistow, pisteuw, pistiv, pistov weergegeven, en zoo in ’t ned. door waar, waarachtig, trouw; het begrip ‡ljqeia had in het gewone grieksch en zoo ook in LXX en N.T. te bepaalde beteekenis, dan dat het de hebr. woorden voldoende weergeven kon, het moest daarom aangevuld worden door de woorden pistov enz. Reeds de naam Ihvh drukt uit, dat Hij blijft die Hij is. Hij is waarheid en zonder onrecht, lyv, verkeerdheid, verdraaidheid, Deut. 32 : 4, Jer. 10 : 10, Ps. 31 : 6, 2 Chron. 15 : 3. Er ligt hier beide in, èn dat Hij is de waarachtige, wezenlijke God tegenoverde afgoden, die £ylbh zijn, Deut. 32 : 21 enz., èn dat Hij als zoodanig zijne woorden en beloften ten allen tijde gestand doet en waarmaakt, zoodat Hij volkomen betrouwbaar is. Hij toch is geen man, dat Hij liegen of berouw hebben zou, Num. 23 : 19, 1 Sam. 15 : 29. Al wat, van Hem uitgaat, draagt den stempel der waarheid. Telkens is er sprake van zijne weldadigheid, dsx, en trouw, Gen. 24 : 49, 47 : 29, Joz. 2 : 14, 2 Sam. 2 : 6, 15 : 20, Ps. 40 : 11, van zijne goedertierenheid, dsx, en waarheid, Gen. 24 : 27, Ex. 34 : 6, Ps. 57 : 4, 61 : 8, 89 : 15 enz. Zijne woorden, rechten, paden, werken, geboden, wetten, zijn alle loutere waarheid, 2 Sam. 7 : 28, Ps. 19 : 10, 25 : 10, 33 : 4, 111 : 7, 119 : 86, 142, 151, Dan. 4 : 37. Zijne waarheid en trouw openbaart zich op aarde |174| zoo rijk en heerlijk, dat ze reikt tot aan de wolken, Ps. 36 : 6, Ex. 34 : 6. Hij bevestigt zijn woord telkens met te zweren bij zichzelven, Gen. 22 : 16 enz., Hebr. 6 : 13. Daarom heet Hij menigmaal een rots, die door zijne onveranderlijke vastheid steun biedt aan zijne gunstgenooten, Deut. 32 : 4, 15, 18, 30, 37 en in vele eigennamen, Num. 1 : 5, 6, 10, 3 : 35, 34 : 28, en voorts in 2 Sam. 22 : 3, 32, Ps. 18 : 3, 32, 19 : 15, 28 : 1, 31 : 3, 71 : 3, 144 : 1, Jes. 26 : 4. En als zulk een God der waarheid en der trouw houdt Hij het verbond, Deut. 4 : 31, 7 : 9, Ps. 40 : 11, Hos. 12 : 1 enz. en is Hij een volkomen betrouwbare toevlucht voor al zijn volk, Ps. 31 : 6, 36 : 6 v., 43 : 3, 54: 7, 57 : 4, 71 : 22, 96 : 13, 143 : 1, 146 : 6 enz. Eveneens heet Hij in het N.T. de ‡ljqinov qeov; d.i. alleen die God is de waarachtige, wezenlijke God, die zich in Christus heeft geopenbaard, Joh. 17 : 3, 1 Joh. 5 : 20. En al wat Hij openbaart is louter waarheid. Hij is een qeov ‡ljqjv in tegenstelling van alle menschen, Joh. 3 : 33, Rom. 3 : 4. Zijn woord is de waarheid, zijn evangelie is waarheid, Christus is de waarheid, Joh. 14: 6, 17 : 17, Ef. 1 : 13. Ja, Hij is nu nog, die Hij altijd was. Het N. Test. is vervulling en bevestiging van zijne beloften in de dagen des O.V. Hij heeft gedacht aan zijn verbond en eed, Luk. 1 : 68-73. Hij is getrouw, pistov, daarin dat Hij de God des verbonds is en blijft en de zaligheid volkomenlijk schenkt, 1 Cor. 1 : 9, 10 : 13, 1 Thess. 5 : 24, 2 Thess. 3 : 3, Hebr. 10 : 23, 11 : 11, 1 Joh. 1 : 9. Hij kan zichzelf niet verloochenen, 9, Tim. 2 : 13. Al zijne beloften zijn in Christus ja en amen, 2 Cor. 1 : 18, 20. Christus is é martuv é pistov, Openb. 1 : 5, 3 : 14, 19 : 11. En daarom is Hij en kan Hij wezen het onveranderlijke voorwerp onzer pistiv, cf. Wendt, Der Gebrauch der Wörter ‡ljqeia, ‡ljqjv und ‡ljqinov im N.T., Stud. u. Krit. 1883 S. 511-547. Cremer, Wörterbuch 1895 S. 109-126.

De Schrift bezigt dus het woord waarheid in verschillenden zin. En ook de philosophie onderscheidt gewoonlijk drieërlei begrip van waarheid nl. veritas in essendo (in rebus), in significando (in verbis), in cognoscendo (in intellectu), of veritas metaphysica, ethica en logica, Liberatore, Inst. philos. ed. 8, Romae 1855 I 70 sq. Schmid, Der Begriff des Wahren in Gutberlet’s Philos. Jahrbuch 1893 S. 35-48, 140-150. Mastricht, Theol. II, 14, 5. Moor, Comm. in Marck I 676. Metaphysische, ontologische waarheid |175| bestaat daarin, dat een of ander voorwerp, een persoon of zaak, al datgene is, wat tot zijn wezen behoort. Zoo is goud, dat er niet alleen als goud uitziet, maar het wezenlijk is, echt, waar, waarachtig goud. Waarheid in dezen zin staat tegenover valschheid, onechtheid, ijdelheid, niet-zijn. Zij is eene eigenschap van alle zijn als zijn, zij is met de substantie één. Vooral Augustinus sprak dikwerf van de waarheid in deze beteekenis. Alle zijn is als zoodanig waar en schoon en goed. Er is wel rijke verscheidenheid in de mate van zijn; er is graadonderscheid onder de schepselen. Maar alle dingen hebben toch pro suo modo van God het zijn ontvangen en participeeren aan het Goddelijk zijn, cf. b.v. de civ. Xl 23, de nat. boni c. Manich. c. 19. Maar van dit zijn der schepselen klimt Augustinus op tot God. In de Schrift wordt God de waarachtige genoemd tegenover de afgoden, die ijdelheid zijn. En zoo is bij Augustinus God het waarachtige, eenige, een voudige, onveranderlijke, eeuwige zijn. Met zijn zijn vergeleken is het zijn der schepselen een niet-zijn te achten. God is summum esse, summa veritas, summum bonum. Hij is louter essentia. Hij heeft niet, maar Hij is de waarheid. O veritas quae vere es, Conf. X 41. VII 10. XII 25. Maar voorts is God ook de waarheid in den tweeden bovengenoemden, d.i. in ethischen zin. Onder veritas ethica is te verstaan de overeenstemming tusschen iemands wezen en zijne openbaring, in woord of in daad. Wie anders zegt dan hij denkt, is onwaarachtig, een leugenaar. Waarheid in dezen zin staat tegenover leugen. Bij God nu is er volkomen overeenstemming tusschen zijn zijn en zijne openbaring, Num. 23 : 19, 1 Sam. 15 : 29, Tit. 1 : 2, Hebr. 6 : 18. Het is onmogelijk, dat God liege of zichzelven verloochene. En eindelijk is God ook de waarheid in logischen zin. Deze bestaat in overeenstemming van het denken met de werkelijkheid, conformitas of adaequatio intellectus et rei. Onze begrippen zijn waar, wanneer zij zuivere afdruk zijn van de werkelijkheid. In dezen zin staat waarheid tegenover dwaling. God is nu ook daarom de waarheid, wijl Hij alle dingen kent gelijk ze werkelijk zijn. Zijn kennen is juist, onveranderlijk, adaequaat. Ja, Hij is in zijn kennen de waarheid zelve, gelijk Hij in zijn zijn de ontologische waarheid is. De kennisse Gods is levende, absolute, adaequate waarheid. Zij is niet verkregen uit onderzoek en nadenken over de dingen, maar is essentieel in God en gaat aan de dingen |176| vooraf. Zij is met het wezen Gods één en is dus substantieele waarheid. Daarom is ook zijn woord, zijn wet, zijn evangelie zuivere waarheid. Ze zijn alle gelijk ze wezen moeten. Nu zijn deze drie beteekenissen van het begrip waarheid wel onderscheiden, maar ze zijn toch ook weder één. Deze eenheid bestaat daarin, dat waarheid altijd in alle drie beteekenissen is overeenstemming van denken en zijn, van het ideëele en het reëele zijn. God is de waarheid in metaphysischen zin, want Hij is de eenheid van denken en zijn. Hij is volkomen zichzelven bewust. Hij is God in waarachtigen zin, ten volle beantwoordende aan de idee Gods, die in Hemzelf is. Hij is de waarheid in ethischen zin, want Hij openbaart zich, spreekt, handelt, verschijnt gelijk Hij waarlijk is en denkt. En Hij is de waarheid in logischen zin, want Hij denkt de dingen gelijk ze zijn, of liever, de dingen zijn gelijk Hij ze denkt. Hij is de waarheid in vollen, absoluten zin. En daarom is Hij de prima veritas, de oorspronkelijke waarheid, de bron van alle waarheid, de waarheid in alle waarheid; de grond van de waarheid, van het ware zijn aller dingen, van hun kenbaarheid en denkbaarheid; het ideaal en de archetype van alle waarheid, van alle ethische zijn, van alle regelen en wetten waarnaar het wezen en de openbaring aller dingen beoordeeld en genormeerd moet worden; de bron en de oorsprong van alle kennis der waarheid op alle terrein, het licht waarin wij alleen het licht kunnen zien, de zon der geesten. Te invoco Deus veritas, in quo et a quo et per quem vera sunt, quae vera sunt omnia, Aug. Solil. I 1. Cf. verder Thomas, S. Theol. I qu. 16 en 17. I, 2 qu. 3 art. 7. S. c. Gent. I c. 59-62. III c. 51. Bonaventura, Sent. I dist. 8 art. 1. Scheeben, Kath. Dogm. I 578 f. 663 f. Gerhard, Loci Theol. II c. 8 sect. 16. Polanus, Synt. theol. II c. 27. Zanchius, Op. II col. 226-242. L. Meyer, Verhand. over de Godd. eigensch. IV bl. 1-88.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004