B. God als Geest

5. Dit zijn is echter bij God niet te denken als een abstract zijn zonder inhoud, maar als een rijk, vol, Goddelijk leven. De H. Schrift bedient zich, om de volheid van het leven Gods aan te duiden, niet alleen van adjectiva maar ook van substantiva en noemt God waarheid, gerechtigheid, leven, licht, liefde, wijsheid, Jer. 10 : 10, 23 : 6, Joh. 1 : 4, 5, 9, 1 Cor. 1 : 30, 1 Joh. 1 : 5, 4 : 8. En de theologie behandelde deze leer onder den naam van de simplicitas Dei. Bij Irenaeus, adv. haer. I 12. II 13. 28. IV 4 heet God totus cogitatus, totus sensus, totus oculus, totus auditus, totus fons omnium bonorum, cf. Clemens, Strom. V 12. Orig. de princ. I 1, 6. Athanasius, de decr. Nic. syn. c. 22. c. Ar. II 38. De drie Cappadociers hadden tegenover Eunomius vooral het recht der verschillende Goddelijke namen te betoogen. Maar Augustinus kwam op de simplicitas Dei telkens terug. God is louter essentia, zonder accidens, de trin. V 4. Met Hem vergeleken is alle geschapen zijn een niet-zijn, de trin. VII, 5. Enarr. in Ps. 134. Conf., VII, 11. XI, 4. Bij schepselen is er verschil tusschen zijn, leven, kennen, willen; er is graadonderscheid onder hen; er zijn schepselen, die alleen zijn, andere die ook leven, nog andere die ook denken. Maar bij God is dat alles één, de civ. VIII, 6, de trin. XV, 5. God is alles wat Hij heeft, de civ. X, 10. Hij is zijn eigen wijsheid, zijn eigen leven. Zijn en leven zijn bij Hem één, cf. boven 88 v. 92 v. en Gangauf, Des h. Aug. specul. Lehre von Gott dem Dreieinigen 1883 S. 147-157. En voorts vinden wij ze bij Damascenus, de fide orth. I 9, die verschillende bewijzen voor deze leer aanvoert, bij Anselmus, Monol. c. 15, Lombardus, Sent. I dist. 8 n. 4-9, Thomas, S. Theol. I qu. 3, die in art. 3 ze kort aldus uitdrukt, Deus est Deitas, Id. S. c. Gent. I c. 16 sq. Bonaventura, Sent. I dist. 8 art. 3 en verder |141| bij alle Roomsche, Luth. en Geref. theologen, Petavius, de Deo Lib. II c. 1-8, Theol. Wirceb. III p. 64. Perrone, Prael. theol. II 92 sq. Jansen, Prael. theol. dogm. II 60 sq. Kleutgen, Theol. der Vorzeit I 183 f. Philos. der Vorzeit II 742 f. Gerhard, Loci theol. Loc. 2 cap. 8 sect. 3. Baier, Comp. theol. posit. I c. 1 § 9. Buddeus, Inst. theol. II c. 1 § 17. Hyperius, Meth. theol. p. 88, 89. Zanchius, Op. II 63-73. Polanus, Synt. theol. lib. 2 c. 8. Trigland, Antapologia cap. 4. Voetius, Disp. I 226-246. H. Alting, Theol. Elenct. p. 119 sq. Moor I p. 604-618. L. Meijer, verhand. over de Godd. eigensch. IV 517-552 enz. Daarentegen werd deze eenvoudigheid Gods van verschillende zijden bestreden. Eunomius leerde wel de volstrekte eenvoudigheid Gods, maar besloot daaruit, dat alle namen Gods slechts klanken waren en dat het wezen Gods samenviel met de ‡gennjsia. Deze ééne eigenschap maakte alle andere overbodig en onnut, Schwane, D.G. II2 21. De anthropomorphieten van vroeger en later tijd bestrijden de eenvoudigheid Gods, wijl zij Gode een lichaam toeschrijven. De arabische wijsgeeren leerden de eenvoudigheid Gods, maar bestreden daarmede de christelijke triniteitsleer, wijl de drie personen denominationes additae super substantiam waren, Stöckl, Gesch. der Philos. des M.A. II 89. Duns Scotus kwam met de eenvoudigheid Gods, die hij overigens uitdrukkelijk leert, Sent. I dist. 8 qu. 1-2, in tegenspraak, in zoover hij aannam, dat de eigenschappen onderling en van Gods wezen formaliter onderscheiden waren, ib. qu. 4. Het nominalisme ging nog veel verder en nam een reëel onderscheid der eigenschappen aan. In de eeuw der Hervorming werd dit voetspoor gevolgd door de Socinianen. Dezen kwamen er toe, om in het belang van de zelfstandigheid van den mensch het Goddelijk wezen te vereindigen en wisten dus met de eenvoudigheid Gods geen weg. Socinus twijfelde, of de eenvoudigheid Gode naar de Schrift kon toegeschreven worden. De catechismus van Rakow laat ze geheel weg. Schlichting, Volkelius e.a. ontkenden, dat de eigenschappen één waren met Gods wezen, en beweerden dat eene volheid van eigenschappen niet met zijne eenheid in strijd was, Hoornbeek, Socin. conf. I p. 368-359. Vorstius stemde hiermede in en zeide, vooral op grond van de leer der triniteit, dat er bij God onderscheiden moet worden tusschen materia en forma, wezen en eigenschappen, genus en differentiae. De Schrift zegt daarom ook, dat God zweert bij zijne |142| ziel, Jer. 51 : 14, dat de Geest in Hem is, 1 Cor. 2 : 11. Er is onderscheid tusschen weten en willen, tusschen het subject dat leeft en het leven, waardoor hij leeft, cf. Trigland, Kerk. Gescb. IV 576, 585 v. Schweizer in de Theol. Jahrb. 1856 S. 435 f. 1857 S. 153 f. Dorner, Gesammelte Schriften 1883 S. 278 f. De Remonstranten waren van hetzelfde gevoelen. In hun Apol. Conf. cap. 2 zeiden ze, dat er van de simplicitas Dei geen jota stond in de Schrift, dat ze louter metaphysische leer was en volstrekt niet noodzakelijk te gelooven. Als bezwaar werd vooral ingebracht, dat met de eenvoudigheid Gods niet overeen te brengen was de vrijheid van zijn wil en de verandering zijner gezindheid. Episcopius nam de simplicitas Dei nog op onder de attributa, en meende dat de relationes, de volitiones en decreta libera daarmede wel te vereenigen waren, Instit. Theol. Lib,. 4 sect. 2 cap. 7, maar Limborch noemde deze eigenschap niet meer. Bij het rationalisme trad ze geheel op den achtergrond, of bleef zelfs onbesproken, Wegscheider, Inst. Theol. § 61. Reinhard Dogm. § 33. Bretschneider, Handb. der Dogm. I4 486. Laatstgenoemde zegt, dat de Schrift deze subtiliteiten der philosophie niet kent. Ook het pantheisme kon de leer der eenvoudigheid Gods niet erkennen of waardeeren. Het vereenzelvigde God en wereld en schreef bij monde van Spinoza aan God zelfs de eigenschap der uitgebreidheid toe. Zoo is de simplicitas Dei uit de nieuwere theologie bijna geheel verdwenen; haar beteekenis wordt niet ingezien; soms wordt ze sterk bestreden. Schleiermacher stelde de eenvoudigheid Gods niet met de andere eigenschappen op ééne lijn en hield ze alleen voor das ungetrennte und untrennbare Ineinandersein aller göttlichen Eigenschaften und Thätigkeiten, Chr. Gl. § 56. Bij Lange, Kahnis, Philippi, Ebrard, Lipsius, Biedermann, F.A.B. Nitzsch, Oosterzee e.a. wordt deze eigenschap niet meer genoemd. Door Vilmar, Dogm. I 208 f. Dorner, Glaub. I 221 f. Id. Gesammelte Schriften S. 305. Frank, Syst. de chr. Wahrh. I2 124. Ritschl, Theol. u. Metaph. S. 12 f. Rechtf. u. Vers. III2 S. 2 f. Jahrb. f. deutsche Theol. 1865 S. 275 f. 1868 S. 67 f. S. 251 f. Doedes, Ned. Geloofsbel. bl. 9 wordt ze sterk bestreden, vooral op deze twee gronden, dat ze eene metaphysische abstractie is en strijdt met de leer der triniteit, cf. daartegen Schweizer, Chr. Gl. I 256-259. Shedd, Dogm. Theol. I 338. Kuyper, Ex ungue leonom 1882.

Toch is deze simplicitas Dei voor de kennisse Gods van de |143| grootste beteekenis. Niet alleen wordt ze in de Schrift geleerd waar God licht, leven, liefde enz. wordt genoemd, maar ze vloeit ook uit de idee Gods vanzelve voort en is met de andere eigenschappen noodzakeiijk gegeven. Eenvoudig is hier de tegenstelling van samengesteld. Als God samengesteld is uit deelen, gelijk een lichaam, of ook uit genus en differentia, substantia en accidentia, materia en forma, potentia en actus, essentia en existentia, dan is zijne volmaaktheid, zijne eenheid, zijne onafhankelijkheid, zijne onveranderlijkheid niet te handhaven. Immers is Hij dan niet de hoogste liefde, want iets anders is dan in Hem het subject, dat liefheeft en iets anders de liefde, waardoor Hij liefheeft, en zoo ten aanzien van alle andere eigenschappen. God is dan niet degene, quo melius nihil cogitari potest. Maar God is van zichzelf en heeft niets boven zich; Hij is dus met de wijsheid, met de genade, met de liefde enz. volkomen één; Hij is absoluut volmaakt, iets hooger dan God kan er niet gedacht worden, August. de trin. V 10 VI 1. Hugo a St. Victor, de trin. I 12. Bij schepselen is dat alles anders. Hier is er onderscheid tusschen bestaan, wezen, leven, kennen, willen, handelen enz., omne quod compositum est creatum est, geen schepsel kan volstrekt simplex zijn, want elk schepsel is eindig. Maar God is de oneindige, en alwat in Hem is, is oneindig. Al zijne eigenschappen zijn Goddelijk en dus oneindig, met zijn wezen één. Daarom is Hij en kan Hij ook alleen zijn genoegzaam, volzalig en volheerlijk in zichzelven, Petavius, de Deo lib. II 2. Hieruit blijkt reeds, dat deze eenvoudigheid Gods volstrekt geen metaphysische abstractie is. Zij is wezenlijk onderscheiden van de philosophische idee van to ìn, to ›n, to monacon, to ƒploun of van de substantie, van het absolute enz., waarmede Xenophanes, Plato, Philo, Plotinus en later Spinoza en Hegel God aanduiden. Zij is niet gevonden door abstractie, door boven alle tegenstellingen en onderscheidingen in de schepselen uit te gaan, en door de Godsidee te omschrijven als het boven alle tegenstellingen verheven zijn. Maar juist is men tot deze eigenschap gekomen, door alle volmaaktheden der schepselen in God te stellen op volmaakte, Goddelijke wijze. De omschrijving van God als simplicissima essentia duidt aan, dat Hij het volmaakte, oneindig-volle zijn is, dat Hij is eene oneindige en onbegrensde pelagov oÇsiav. En wel verre van het pantheisme te bevorderen, gelijk Baur, chr. Lehre van d. Dreiein. Gottes II 635 |144| meent, staat deze leer van de simplicissima essentia Dei daar lijnrecht tegenover. In het pantheisme toch heeft God geen eigen bestaan en leven buiten en zonder de wereld. Bij Hegel bijv. bestaat het absolute, het zuivere zijn, het denken, de idee niet vóór, maar alleen logisch en potentieel eerder dan de wereld. Al de bepalingen van het absolute zijn zonder inhoud, het zijn niets dan abstracte, logische denkvormen, Drews, Die deutsche Spekulation I 249. Maar de omschrijving Gods als simplicissima essentia in de christelijke theologie handhaaft juist, dat God een eigen, oneindig, volzalig leven heeft in zichzelven, al is het ook, dat wij dat wezen Gods slechts kunnen aanduiden met namen, aan de schepselen ontleend. De substantie, het hoogste zijn, het absolute enz., waarmede de pantheistische philosophie bij voorkeur het Goddelijk wezen noemt, is door abstractie verkregen; men ging van de dingen alles wegdenken totdat men niets dan het laatste, alleralgemeenste begrip, nl. het zuivere zijn, het naakte bestaan over hield. Dit zijn is inderdaad een abstractum, een begrip, waaraan geen werkelijkheid beantwoordt en dat niet nader mag bepaald worden. Elke nadere bepaling zou het vereindigen, tot iets bijzonders maken en dus de algemeenheid vernietigen. Omnis determinatio est negatio. Maar het zijn, dat in de theologie aan God wordt toegeschreven is een eigen, bijzonder, van de wereld onderscheiden zijn. Het duidt God aan, niet als een zijn, waarvan wij hoegenaamd niets kunnen denken dan dat het is, maar als een zijn, waarin alles wezen is, als de absolute volheid des zijns. Dit eenvoudige wezen sluit dus de velerlei namen niet uit, gelijk Eunomius beweerde, maar eischt ze. God is zoo rijk, dat wij niet dan met vele namen eenig denkbeeld van zijn rijkdom kunnen verkrijgen. Elke naam noemt hetzelfde volle, Goddelijke wezen, maar telkens van eene andere zijde, waarnaar het in zijne, werken zich aan ons openbaart. God is daarom simplex in zijne multiplicitas en multiplex in zijne simplicitas (Augustinus). Elke bepaling, elke naam, waarmede wij God aanduiden, is dus geen negatie, maar eene verrijking van de kennis van zijn wezen. Divinum esse est determinatum in se et ab omnibus aliis divisum per hoc quod sibi nulla additio fieri potest, Thomas, Sent. I dist. 8 qu. 4 art. 1 ad 1. Kleutgen, Theol. der Vorzeit I2 204 f. Zoo verstaan, is deze eenvoudigheid Gods ook niet in strijd met de drieëenheid. Want eenvoudig, simplex staat hier niet tegenover |145| twee- of drievoudig, duplex, triplex, maar tegenover samengesteld, compositus. En nu is het Goddelijk wezen niet samengesteld uit drie personen, noch ook iedere persoon samengesteld uit het wezen en de proprietas personalis; maar het ééne zelfde eenvoudige wezen bestaat in de drie personen, iedere persoon of personeele eigenschap is van het wezen niet re maar alleen ratione onderscheiden, elke personeele eigenschap is wel eene relatio realis maar voegt toch niet aliquid reale aan de essentia toe. De personeele eigenschappen non componunt sed solum distinguunt, Petavius, lib. 2. cap. 3-4, Zanchius, Op. II col. 68. 69.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004