2. Uit de aseitas Gods vloeit vanzelve zijne onveranderlijkheid voort. Toch schijnt deze al weinig steun in de Schrift te vinden. Daar staat God immers steeds in het levendigst verkeer met de wereld. In den beginne schiep Hij hemel en aarde en ging dus van niet-scheppen tot scheppen over. En van dat begin leeft Hij als het ware het leven der wereld en vooral van zijn volk Israel mede, Hij komt en Hij gaat, Hij openbaart en verbergt zich, Hij wendt zijn aangezicht af en keert het toe in genade. Hij heeft berouw, Gen. 6 : 6, 1 Sam. 15 : 11, Amos 7 : 3, 6, Joel 2 : 13, Jon. 3 : 9, 4 : 2, en verandert van voornemen, Ex. 32 : 10-14, Jon. 3 : 10. Hij wordt toornig, Num. 11 : 1, 10, Ps. 106 : 40, Zach. 10 : 3, en legt zijn toorn af, Deut. 13 : 17, 2 Chr. 12 : 12, 30 : 8, Jer. 18 : 8, 10, 26 : 3, 19, 36 : 3. Hij is anders tegenover de vromen dan tegenover de goddeloozen, Spr. 11 : 20, 12 : 22; bij den reine houdt Hij zich rein maar bij den verkeerde bewijst Hij zich een worstelaar, Ps. 18 : 26, 27. In de volheid des tijds wordt Hij zelfs mensch in Christus en gaat door den H. Geest wonen in de gemeente; Hij verwerpt Israel en neemt de Heidenen aan. En in het leven der kinderen Gods blijft er eene voortdurende wisseling van schuldgevoel en bewustzijn van vergeving, van ervaringen van Gods toorn en van zijne liefde, van zijne verlating en van zijne nabijheid. Maar tevens getuigt diezelfde Schrift, dat God onder dat alles dezelfde is en dezelfde blijft. Alles verandert maar Hij blijft staande, Hij blijft die Hij is, Ps. 102 : 26-28. Hij is Ihvh, de zijnde en zichzelf steeds gelijkblijvende; de eerste en met de laatsten nog dezelfde God, Jes. 41 : 4, 43 : 10, 46 : 4, 48 : 12. Hij is die Hij is, Deut. 32 : 39, cf. Joh. 8 : 58, Hebr. 13 : 8, ‡fqartov, é monov cwn ‡qanasian, altijd é aÇtov, Rom. 1 : 23, 1 Tim. 1 : 17, 6 : 16, Hebr. 1 : 11, 12. En onveranderlijk in zijn bestaan en wezen, is Hij het ook in zijn gedachte en wil, in al zijne voornemens en besluiten. Hij is geen mensch dat Hij liegen of berouw hebben zou. Wat Hij zegt, doet Hij, Num. 15 : 29, 1 Sam. 15 : 29. Zijne charismata en roeping zijn ‡metameljta, Rom. 11 : 29. Hij verstoot zijn volk niet, Rom. 11 : 1. |120| Hij voleindigt wat Hij begon, Ps. 138 : 8, Phil. 1 : 6. In één woord, Hij, Ihvh, verandert niet, Mal. 3 : 6; bij Hem oÇk ni paralagj × tropjv ‡poskiasma, Jak. 1 : 17. Hierop werd in de christelijke theologie de leer gebouwd van de immutabilitas Dei. De mythologische theogonie kon zich tot deze hoogte niet verheffen, maar de wijsbegeerte noemde en omschreef God menigmaal als den eenigen, eeuwigen, onveranderlijken, onbewogen, zich zelf gelijken heerscher aller dingen, Philolaus e.a., bij Zeller, Phil. d. Gr. I4 425, 488 f. II 928. Aristoteles besloot uit de beweging der wereld tot een primum movens, eene a¸diov oÇsia ‡kinjtov, die ééne was en eeuwig, noodzakelijk, onveranderlijk, vrij van alle samenstelling, zonder eenige mogelijkheid, Ãlj, dunamiv, maar enkel nergeia, zuivere e¸dov, louter wezen, absolute vorm, to ti jn e¸nai to prwton, ib. 359-365. Philo noemde God ‡treptov, ¸saitatov ›autû, ‡klinjv, pagiov, bebaiov, ‡metabljtov, Dähne, Gesch. Darst. der jüd.-alex. Rel. Philos. I 118. En hiermede stemde de christelijke theologie overeen. God is volgens Irenaeus, semper idem, sibi aequalis et similis, adv. haer. IV c. 11, cf. Orig. c. Cels. I 21. IV 14. Bij Augustinus vloeide de onveranderlijkheid Gods rechtstreeks daaruit voort, dat Hij was het hoogste, volmaakte zijn. Aan alle redelijk schepsel is het naturaliter et veraciter insitum, esse omnino incommutabilem et incorruptibilem Deum, de Gen. ad litt. VII 11. Door de zintuigen is dit begrip van een eeuwig en onveranderlijk wezen niet te verkrijgen, want alle schepsel, ook de mensch zelf, is veranderlijk; maar binnen in zich ziet en vindt hij dat onveranderlijke, dat beter en grooter is dan alwat verandert, de lib. arb. II 6, de doctr. chr. I 9. Indien God niet onveranderlijk ware, zou Hij niet God zijn, Conf. VII 4. Zijn naam is zijn en deze naam is een nomen incommutabilitatis. Alwat verandert, houdt op te zijn wat het was. Maar het waarachtige zijn is alleen het deel van Hem, die niet verandert. Wat waarlijk is, dat blijft. Quod est, manet. Maar, wat verandert fuit aliquid et aliquid erit; non tamen est, quia mutabile est, de trin. V 2. God echter, die is, kan niet veranderen, wijl elke verandering eene vermindering van zijn zou wezen. En even onveranderlijk als God is in zijn wezen, is Hij het ook in zijn kennen, willen en besluiten. Dei essentia, qua est, nihil mutabile habet, nec in aeternitate, nec in veritate, nec in voluntate, de trin. IV prooem. Gelijk Hij is, zoo weet en wil Hij, |121| op onveranderlijke wijze. Essentia tua scit et vult incommutabiliter et scientia tua est et vult incommutabiliter et tua voluntas est et scit incommutabiliter, Conf. XIII, 16. Schepping, openbaring, vleeschwording, affecten enz. brachten in God geen verandering te weeg. In God is er nooit een novum consilium gekomen, de ord. II 17. Er is altijd in God een eenige, onveranderlijke wil geweest. Una eademque sempiterna et immutabili voluntate res, quas condidit, et ut prius non essent egit, quamdiu non fuerunt, et ut posterius essent, quando esse coeperunt, de civ. XII, 17. Alleen is er verandering in het schepsel van niet-zijn tot zijn, van goed tot kwaad enz. Dezelfde gedachte vinden we dan later telkens terug, bij Joh. Damascenus, de fide orthod. I c. 8. Thomas, S. Theol. I qu 9. Lombardus, Sent. I dist. 8, 3. Bonaventura, Sent. 1 dist. 8 art. 2 qu 1-2. Petavius, de Deo III c. 1-2. en zoo ook bij Luth. en Geref. theologen, Gerhard, Loc. II cap. 8 sect. 5. Zanchius, Op. II col. 77-83. Polanus, Synt. theol. II c. 13, cf. Conf. Gall. art. 1. Conf. Belg. 1 enz.

Maar deze onveranderlijkheid Gods vond veel bestrijding, zoowel van deistische als van pantheistische zijde. Bij Epicurus zijn de goden geheel aan voortreffelijke menschen gelijk, die veranderen, van plaats, werkzaamheid, gedachte enz., Zeller IV 430 f., en bij de Stoa werd de Godheid evenals vroeger bij Heraclitus als de immanente oorzaak der wereld opgenomen in haar onophoudelijke wisseling, ib. IV 133 f. Van denzelfden aard was de bestrijding der onveranderlijkheid Gods in de christelijke theologie. Aan de eene zijde staat het pelagianisme, socinianisme, remonstrantisme, rationalisme, dat vooral de onveranderlijkheid van Gods, weten en willen bestrijdt, en den wil Gods afhankelijk maakt van en dus veranderen laat naar het gedrag van den mensch. Inzonderheid Vorstius in zijn werk de Deo et ejus attributis bestreed de onveranderlijkheid Gods. Hij onderscheidde tusschen de essentia Gods, die eenvoudig en onveranderlijk is, en de voluntas Dei, welke als libera ook niet alles eeuwiglijk en niet altijd hetzelfde wil, Dorner, Gesammelte Schriften 278. Maar veel ernstiger is nog de bestrijding van de onveranderlijkheid Gods van pantheistische zijde. Gemeenschappelijk is aan deze bestrijding, dat de idee van het worden op God wordt overgebracht en alzoo de grens tusschen Schepper en schepsel geheel wordt uitgewischt. De idee van God als substantia, gelijk ze bij Spinoza voorkomt, |122| bleek een abstract begrip zonder inhoud te zijn. Om leven in dat begrip te brengen, verving de philosophie dikwerf het zijn door het worden. Natuurlijk is daarbij nog groot verschil, naar gelang men dit proces, waardoor God zelf wordt, unitarisch of trinitarisch opvat en zich voltrekken laat immanent in het wezen Gods of transeunt in de wereld. Hiertoe behoort in de eerste plaats het gnosticisme, maar dan voorts de theosophie van de kabbala, van Böhme, Baader, Schelling, Rothe, Hamberger, enz., nawerkende in de leer van de kenosis, en eindelijk de pantheistische philosophie van Fichte, Hegel, Schleiermacher, Schopenhauer, Hartmann enz. Hoe ook verschillend uitgewerkt, de grondgedachte is ééne. God is niet maar wordt. An sich, in het eerste moment, is Hij buqov ‡gnwstov, een abstract louter potentieel zijn, natuur zonder meer, inhoudloos denken, een donkere drang, een blinde alogische wil, in één woord, een zijn dat niets is maar alles worden kan. Maar uit dat potentieele zijn brengt God zichzelf in den vorm van een proces allengs tot actualiteit. Hij is zijn eigen Schepper. Hij produceert zichzelf. Hij komt allengs, hetzij dan in zichzelf of in de wereld, tot persoonlijkheid, tot zelfbewustzijn, tot geest. God is causa sui. Onder invloed van deze philosophische idee van het absolute worden is de onveranderlijkheid Gods ook in de nieuwere theologie meermalen ontkend of beperkt, en God met voorliefde causa sui, zichzelf actualiseerende macht genoemd, Rothe, Theol. Ethik § 16-38. Martensen, Chr. Dogm. 1856 S. 86. 116, cf. Chr. Ethik. I 90 f. Luthardt zegt, Gott ist seine eigene That, Apol. Vortr. über die Grundwahrh. des Chr. 1870 I 45, cf. Müller, Die chr. Lehre v. d. Sünde II5 171 f. Anderen spreken van eene Selbstsetzung Gottes, Dorner, Chr. Gl. I 244. 245. Frank, Syst, der chr. Wahrh. I2 116 f. In zijne verhandeling Ueber die richtige Fassung des dogm. Begriffs der Unveränderlichkeit Gottes, Ges. Schriften 1883 S. 188-377, tracht Dorner deisme en pantheisme (akosmisme) beide te vermijden en de onveranderlijkheid en de Lebendigkeit Gods met elkander te vereenigen. Hij meent dit doel te bereiken, door de onveranderlijkheid Gods te stellen in het ethische, S. 340 f. Ethisch is God onveranderlijk en altijd zichzelf gelijk, Hij blijft heilige liefde, S. 352. Maar overigens meent Dorner, dat er door de schepping, de menschwording en voldoening enz. wel verandering in God is gekomen, S. 309. 311 f. 358 f. 364, |123| dat Hij in Wechselverhältniss staat tot den mensch, S. 319. 362, dat Hij de werkelijkheid slechts kent uit de wereld, S. 320, dat er ook voor Hem een verleden, heden en toekomst is, S. 322, dat Hij toornt, rechtvaardigt, en eene aan den mensch beantwoordende stemming heeft, S. 324 enz. En zoo wezenlijk ook Weisse, Philos. Dogm. I 573. F.A.B. Nitzsch, Ev. Dogm. 365 e.a. Velen spreken ook in de leer van God over deze belangrijke eigenschap zich niet uit, maar laten het eerst bij de schepping of bij de vleeschwording of bij de kenosis enz. merken, dat ze verandering in God aannemen, zooals b.v. Ebrard, Hofmann, Thomasius e.a.

Niettemin is de leer van de onveranderlijkheid Gods voor de religie van het hoogste belang. Het onderscheid tusschen Schepper en schepsel is gelegen in de tegenstelling van het zijn en het worden. Al wat schepsel is, is wordende. Het is veranderlijk, streeft voortdurend, zoekt naar rust en bevrediging en vindt die rust alleen in Hem, die louter zijn is zonder worden. Daarom heet God in de Schrift zoo dikwerf de rotssteen, Deut. 32 : 4, 15, 18, 30, 31, 37. 1 Sam. 2 : 2, 2 Sam. 22 : 3, 32, Ps. 19 : 15, 31 : 3, 62 : 3, 7, 73 : 26 enz. Op Hem kan de mensch zich verlaten, Hij verandert niet in zijn wezen, noch in zijn kennen of willen, Hij blijft die Hij is eeuwiglijk. Elke verandering is Gode vreemd. Er is in Hem geen verandering van tijd, want Hij is eeuwig; noch van plaats want Hij is alomtegenwoordig; noch ook van wezen want Hij is louter zijn. De christelijke theologie drukte dit laatste ook menigmaal uit door den term purus actus. Aristoteles had zoo het wezen Gods opgevat, als prwton e¸dov zonder eenige dunamis, als absolute nergeia. De scholastiek ging daarom van God spreken als actus purissimus et simplicissimus, om aan te duiden, dat Hij het volmaakte, absolute zijn is zonder eenige potentia tot niet-zijn of tot anders-zijn. Zoo zegt Boethius, de cons. philos. lib. III, dat God niet verandert van wezen (forma), quia purus actus est, cf. Thomas, S. Theol. I qu. 3. Daarom werd ook de uitdrukking causa sui van God vermeden. De idee van het absolute worden is het eerst door Heraclitus duidelijk uitgesproken en daarna telkens in de philosophie teruggekeerd. Vooral Plotinus maakt van dit begrip gebruik, niet alleen in toepassing op de materie, maar ook op datgene, wat hij voor het absolute zijn houdt. Hij leert aangaande God, dat Hij zijn eigen |124| zijn heeft voortgebracht, dat Hij werkzaam was, eer Hij was, Thilo, Kurze pragm. Gesch. d. Philos. I 352 f. Nu sprak de christelijke theologie wel van God dat Hij was een ens a se, en dus van zijne aseitas. En ook bezigden Lactantius, Synesius en Hieronymus de uitdrukking causa sui; de laatste schreef: Deus qui semper est nec habet aliunde principium et ipse sui origo, est suaeque causa substantiae, non potest intelligi aliunde habere quod subsistit, Comm. ad Eph. cap. 3 : 15. Maar deze uitdrukking werd toch altoos zoo verstaan, dat God wel van zichzelf bestond maar niet dat Hij van zichzelf geworden en voortgebracht was, Klee, Kath. Dogm. II 43. Toen later Cartesius aan den wil Gods den voorrang toekende boven het verstand en de essentia aller dingen van dien wil liet afhangen, ja zelfs Gods bestaan een product liet zijn van zijn wil, zoodat hij zeide, Deus se revera conservat, God is causa sui en a se, niet in negatieven maar in positieven zin, God is causa efficiens sui ipsius, Hij heeft het zijn a reali potentiae immensitate, Resp. ad primas objectiones p. 57, 58; toen namen wel enkele volgelingen deze uitdrukking over, zooals bijv. Burmannus, Synopsis theol. I c. 15 § 2, maar de Geref. theologen wilden de uitdrukking causa sui, existentia a se niet anders opgevat hebben dan in zuiver negatieven zin, Ryssenius, De oude rechtsinnige waerheyt, enz. Middelb. z.j. bl. 24. Mastricht Theol. theor. pract. II c 3 § 22. Moor, I 590 sq. Eene causa sui in positieven zin is niet mogelijk, omdat eene zelfde zaak dan op hetzelfde oogenblik zou gezegd worden te bestaan, voorzoover zij zichzelve voortbrengt en niet te bestaan, voor zooverre zij voortgebracht wordt. Nu is het te begrijpen, dat de monistische philosophie tot deze idee van het absolute worden de toevlucht heeft genomen, om althans een schijn van verklaring der werkelijkheid te geven. Maar Herbart heeft deze idee terecht aan eene scherpe kritiek onderworpen, en zijne aanhangers Thilo, Die Wissenschaftlichkeit der mod. Theol. S. 25 en Flügel, Die spekul. Theol. in der Gegenwart 1888 S. 201. f., Die Probleme der Philos. und ihre Lösungen 1888 S. 10 f. hebben niet zonder reden hun verwondering erover te kennen gegeven, dat deze idee in de speculatieve th eologie zulk een opgang heeft gemaakt. Er is toch in de theologie, met toepassing op het Goddelijk wezen, niets mede aan te vangen. Niet alleen de Schrift getuigt dat er in God geen verandering is noch schaduw van |125| omkeering, maar het denken leidt tot dezelfde slotsom. Bij het worden moet naar eene oorzaak gevraagd worden, want er is geen worden zonder oorzaak. Maar het zijn, in absoluten zin, laat de vraag naar eene oorzaak niet meer toe. Het absolute zijn is, wijl het is. De Godsidee brengt de onveranderlijkheid vanzelve mee. Er is geene vermeerdering of vermindering in Hem denkbaar. Hij kan niet veranderen ten goede of ten kwade. Want Hij is het volstrekte, volmaakte, waarachtige zijn. Het worden is eigen aan het schepsel en is een vorm van verandering in ruimte en tijd. Maar God is, die Hij is, eeuwiglijk, boven ruimte en tijd, boven al het schepsel verre verheven. Hij rust in zichzelf en is daarom het doel en het rustpunt van alle schepselen, de rotssteen des heils, wiens werk volkomen is. Wie Gode verandering toekent, van wezen, kennis of wil, komt al zijne deugden, de afhankelijkheid, de eenvoudigheid, de eeuwigheid, de alwetendheid, de almacht te na. Hij berooft God van zijne Goddelijke natuur en de religie van haar vasten grond en zekeren troost. Toch is deze onveranderlijkheid geen monotone eenheid, geen star onbewegelijk zijn. De Schrift zelve gaat ons voor, om ons God te beschrijven in de menigvuldigste relatiën tot al zijne schepselen. Onveranderlijk in zichzelven, leeft Hij toch als het ware het leven zijner schepselen mede en neemt in hunne wisselingen deel. De Schrift spreekt van God op menschelijke wijze en kan niet anders. Maar hoe menschelijk zij spreke, zij verbiedt ons tegelijkertijd, om eenige verandering in God zelven te stellen. Er is verandering om Hem heen en buiten Hem, er is verandering in de relatie tot Hem, maar er is geen verandering in God zelven. En hierin bestaat juist de onbegrijpelijke grootheid Gods en tevens de heerlijkheid der christelijke belijdenis, dat God onveranderlijk in zichzelf, toch veranderlijke schepselen in het aanzijn roepen kan; dat Hij eeuwig in zichzelf, toch in den tijd kan ingaan; dat Hij onmetelijk in zichzelf toch ieder punt der ruimte met zijn wezen doordringen kan; dat Hij die het absolute zijn is, toch ook aan het wordend schepsel eene eigene plaatse schenken kan. In de eeuwigheid Gods is geen moment des tijds, in zijne onmetelijkheid geen punt der ruimte, in zijn zijn geen element des wordens te ontdekken. Maar omgekeerd is het God, die het schepsel, is het de eeuwigheid die den tijd, is het de onmetelijkheid die de ruimte, is het het zijn dat het worden, is het de onveranderlijkheid die de verandering |126| poneert. Een overgang tusschen beide is er niet; er is een diepe klove tusschen het zijn Gods en het zijn van alle creatuur. Het is Goddelijke grootheid, dat Hij neerdalen kan tot het schepsel; dat Hij, transcendent, toch immanent wonen kan in al het geschapene; dat Hij, zichzelf behoudende, zich zelf kan geven en, zijne onveranderlijkheid absoluut handhavende, toch in een oneindig aantal relatiën treden kan tot zijne schepselen. Met verscheidene voorbeelden trachtte men dit op te helderen. De zon blijft dezelfde, hetzij ze verschroeit of verwarmt, pijn doet of verkwikt (Augustinus). Een geldstuk verandert niet, al wordt het nu eens een prijs en dan een pand genoemd (id.) Eene zuil blijft staan, hetzij iemand ze nu eens aan zijne rechter-, dan aan zijne linkerhand ziet (Thomas). Een kunstenaar verandert niet, als hij zijne conceptie in woord of toon, in stem of kleur gestalte geeft, en een geleerde niet, als hij zijne gedachten neerlegt in een boek. Al deze vergelijkingen gaan mank, maar ze geven toch eenig denkbeeld, hoe iets, in wezen gelijkblijvend, in relatie veranderen kan. Bij God geldt dit nu nog zooveel te meer, wijl Hij, de onveranderlijke, zelf de eenige oorzaak is van al wat verandert. Hij stelt zich niet in relatie tot eenig schepsel, alsof dit ook maar eenigszins bestaan zou zonder Hem, maar Hij stelt zelf alle dingen in die relaties tot zichzelf, welke Hij eeniglijk en onveranderlijk wil en juist zoo, op die wijze en in dat moment des tijds, waarin zij werkelijk plaats grijpen. Elk prius en posterius valt niet in God, maar in rebus prius non existentibus et posterius existentibus, Aug. de civ. XII 17. Het is het onveranderlijke zijn zelf, dat het veranderende worden met een geheel eigene orde en wet buiten zich plaatst en als voor zichzelf ten tooneele voert.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001