5. In het N. Test. zijn al deze namen behouden. El en Elohim zijn weergegeven door qeov, Eljon is vertaald door Ãyistov qeov, Mk. 5 : 7, Luk. 1 : 32, 35, 76, 8 : 28, Hd. 7 : 48, 16 : 17, Hebr. 7 : 1, cf. n Ãyistoiv qeov, Luk. 2 : 14. Ook de benaming van God als God van Abraham, Izak en Jakob of als God Israels gaat over in het N. Test., Mt. 15 : 31, 22 : 32, Mk. 12: 26, Luk. 1 : 68, 20 : 37, Hd. 3 : 13, 7 : 32, 46, 22 : 14, 24 : 14, Hebr. 11 : 16. Maar meestentijds worden deze bijstellingen vervangen door de genitivi mou, sou, Ómwn, Ãmwn, want in Christus is God de God en Vader van zijn volk, en van ieder zijner kinderen geworden, Hebr. 8 : 10, Op. 7 : 12, 19 : 5, 21 : 3. De naam Jahveh wordt in het N.T. enkele malen geexpliceerd door to ‡lfa kai to ÷, é ÷n kai é ×n kai é rcomenov, Ó ‡rcj kai to telov, é prwtov kai é scatov, Op. 1 : 4, 8, 11, 17, 2 : 8, 21 : 6, 22 : 13. Overigens wordt hij op het voetspoor van de LXX, die reeds Adonai las, vertaald door kuriov, van kurov, macht. Kuriov doet God kennen als den Machtige, den Heer, den Eigenaar, den Heerscher, die rechtens macht en autoriteit bezit in onderscheiding van despotjv, de heer, die feitelijk mach oefent, en wordt in het N.T. nu eens van God, dan van Christus gebruikt. Ook de verbindingen van Ihvh Elohim, Ihvh Elohim Zebaoth, worden in het N.T. teruggevonden, als kuriov é qeov, Luk. 1 : 16, Hd. 7 : 37, 1 Petr. 3 : 15, Op. 1 : 8, 22 : 5, kuriov é qeov pantokratwr, Op. 4 : 8, 11 : 17, 15 : 3, 16 : 7, 21 : 22; terwijl in Rom. 9 : 29, Jak. 5 : 4 Zebaoth onvertaald is gebleven. Eén nieuwe naam schijnt er in het N. Test. bij te komen, het is de naam van Patjr. Toch wordt deze naam ook reeds in het O. Test. verscheidene malen van God gebezigd, Deut. 32 : 6, Ps. 103 : 13, Jes. 63 : 16, 64 : 8, Jer. 3 : 4, 19, 31 : 9, Mal. 1 : 6, 2 : 10, gelijk ook Israel meermalen zijn zoon wordt genoemd, Ex. 4 : 22, Deut. 14 : 1, 32 : 19, Jes. 1 : 2, Jer. 31 : 20, Hos. 1 : 10, 11 : 1. De naam drukt hier de bijzondere, theocratische |114| verhouding uit, waarin God tot zijn volk Israel staat; Hij heeft dat volk op wondere wijze uit Abraham geformeerd. In den meer algemeenen zin van Oorsprong en Schepper aller dingen wordt de Vadernaam in het N. Test. gebezigd in 1 Cor. 8 : 6, Ef. 3 : 15, Hebr. 12 : 9, Jak. 1 : 18, cf. Luk. 3: 38, Hd. 17 : 18. Maar overigens drukt de naam de ethische verhouding uit, waarin God nu door Christus tot al zijne kinderen staat. De verhouding, die in het O.T. tusschen God en Israel bestond, is hiervan type en voorbeeld; zij is thans verdiept en uitgebreid, geethiseerd en geindividualiseerd. De naam van Vader wordt nu de gewone naam van God in het N. Test. De benaming Jahveh is door kuriov onvoldoende weergegeven; zij wordt als het ware aangevuld door den Vadernaam. Deze is de hoogste openbaring Gods. God is maar niet de Schepper, de Almachtige, de Getrouwe, de Koning en Heer; Hij is ook de Vader van zijn volk. Het theocratische koninkrijk onder Israel gaat over in een koninkrijk van den Vader, die in de hemelen is. De onderdanen zijn tevens kinderen; de burgers huisgenooten. Beide, recht en liefde, staat en huisgezin komen in de Nieuwtestamentische verhouding van God tot zijn volk tot volkomen vervulling. Hier is het volmaakte Koningschap, want hier is een Koning, die tevens Vader is, die zijne onderdanen niet met geweld onderwerpt maar die zelf zijne onderdanen schept en bewaart. Zij zijn als kinderen uit Hem geboren, zij dragen zijn beeld, zij zijn zijne familie. Deze verhouding is in het N. Test. mogelijk geworden door Christus, die de eigen, eengeboren en geliefde Zoon des Vaders is. En de geloovigen worden dit kindschap deelachtig en worden zich daarvan ook bewust door den H. Geest, Joh. 3 : 5, 8, Rom. 8 : 15 v. In den naam Vader, Zoon en Geest heeft God zich het rijkst geopenbaard. De volheid, die van den beginne af in Elohim lag opgesloten, heeft langzamerhand zich ontplooid en in den trinitarischen naam Gods zich het luisterrijkst en het volledigst ontvouwd. Litt. over de namen Gods, Hieronymus, de decem nominibus. Pseudodion., de div. nom. Thomas, S. Theol. I qu. 13. Petavius, de Deo VIII c. 8, 9. Gerhard, Loci theol. II c. 1-3. Bretschneider, Syst. Entw. 345 f. Zanchius, Op. II 26-50. Voetius, Disp. V 48 sq. Buxtorf, de nominibus Dei, Dissert. philol. theol., diss. 5. Hottinger, de nominibus Dei orient., Diss. phil. theol. 1660. Moor I 505-552. M. Vitringa I 127-135, en voorts van de nieuwere, behalve de |115| reeds bovengenoemde, Hofmann, Schriftbew. I 76-89. Beck Chr. Gl. II 14 f. Grau, Gottes Volk und sein Gesetz 1895.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004