4. De naam Ihvh is in het Oude Testament de hoogste openbaring Gods. Nieuwe namen komen er niet meer bij. Ihvh is Gods eigenlijke naam, Ex. 15 : 3, Ps. 83 : 19, Hos. 12 : 6, Jes. 42 : 8; wordt daarom nooit van een ander dan Israels God gebezigd en komt ook nooit in statu constructo, in plurali of met suffixa voor. Wel wordt deze naam meermalen in den vorm gewijzigd of door eene of andere bijvoeging versterkt. Door verkorting onstond de vorm why, ûhy, hy, die vooral in samenstellingen gebezigd wordt, en daaruit ontstond weer het zelfstandige nomen hy. Deze verkorte naam wordt regelmatig gebezigd in den |111| uitroep hy-ûllh maar komt voorts ook meermalen zelfstandig voor, Ex. 15 : 2, Ps. 68 : 5, 89 : 9, 94 : 7, 12, 118 : 14, Jes. 12 : 2, 38 : 11, soms in verbinding met hwhy, Jes. 26 : 4. Zeer gebruikelijk is ook de combinatie Adonai Ihvh, bijv. Ezech. 23 : 12. Eene bijzondere versterking krijgt de naam Ihvh ook door de toevoeging Zebaoth, tw'bc hwhy,Ps. 69 : 7, 84 : 2, Hagg. 2 : 7-9, één maal tw'bch hwhy, Am. 9 : 5, eigenlijk verkort uit tw'bc yhl' hwhy, 1 Sam. 1 : 3, 4 : 4, Jes. 1 : 24, of tw'bc £yhl' hwhy. Ps. 80 : 5, 84 : 9. Omdat Zebaoth, verbonden werd met Ihvh, dat geen status constructus toelaat, en soms met Elohim in statu absoluto, leidden Origenes, Hieronymus e.a. daaruit af, dat Zebaoth een appositie was; en zij werden hierin nog versterkt door het feit, dat het woord in de LXX, vooral in 1 Sam. en Jes., en ook in Rom. 9 : 29, Jak. 5 : 4 onvertaald is gebleven, Moor I 512,sq. Maar dit gevoelen mist allen grond. Elders is Zebaoth weergegeven door pantokratwr of kuriov twn dunamewn, en de naam Ihvh, die Zebaoth, d.i. legers, heirscharen is, geeft geen zin. Moeilijk is het echter te zeggen, wat onder die Zebaoth verstaan moet worden. Sommigen hebben daarbij gedacht aan de krijgslegers van Israel en meenen dat de naam van Heer der heirscharen God aanduidt als God van den krijg. Maar de meeste plaatsen daarvoor aangehaald, zooals 1 S. 1 : 3, 11, 4 : 4, 15 : 2, 17 : 45, 2 S. 5 : 10, 6 : 2, 18, 7 : 8, 26, 27, 1 Kon. 17 : 1 LXX 18 : 15, 19 : 10, 14, 2 Kon. 19 : 31, Ps. 24 : 10 bewijzen niets; slechts een drietal plaatsen, 1 S. 4 : 4, 17 : 45, 2 S. 6 : 2 leveren een schijn van bewijs; én 2 Kon. 19 : 31 is er veelmeer mede in strijd. Voorts is de pluralis Zebaoth wel in gebruik voor de volksscharen Israels, Ex. 6 : 25, 7 : 4, 12 : 17, 41, 51, Num. 1 : 3, 2 : 3, 10 : 14, 33 : 1, Deut. 20 : 9, maar het krijgsleger van Israel wordt altijd met den singularis zaba aangeduid, Richt. 8 : 6, 9 : 29, 2 S. 3 : 23, 9 : 16, 10 : 7, 17 : 25, 20 : 23, 1 Kon. 2 : 35. En eindelijk stemmen allen toe, dat de naam Heere der heirscharen bij de profeten deze beteekenis van God van den oorlog niet meer heeft; maar zij laten dan onverklaard, hoe en waardoor deze uitdrukking zoo van beteekenis gewijzigd is. Anderen denken bij het woord heirscharen aan de sterren met beroep op teksten als Deut. 4 : 19, Ps. 33 : 6, Jer. 19 : 13, 33 : 22, Jes. 34 : 4, 40 : 26, Neh. 9 : 6; Smend breidt dit nog uit en verstaat er onder de machten en elementen van den kosmos, op grond van |112| plaatsen als Gen. 2 : 1, Ps. 103 : 21, Jes. 34: 2. En inderdaad spreekt de Schrift meermalen van de sterren als het heir des hemels, Deut. 4 : 19, en van alle schepselen als het heir van hemel en aarde, Gen. 2 : 1, maar vooreerst is dan nooit de pluralis doch alleen de singulatis gebruikelijk; verder worden de sterren wel het heir des hemels maar nooit het heir Gods genoemd; en eindelijk worden wel alle schepselen, maar nooit een zoo abstract begrip als machten en elementen van den kosmos met den naam van heir aangeduid. De onaannemelijkheid van deze nieuwere verklaringen doet de oude uitlegging, die bij de heirscharen aan de engelen dacht, in waarde rijzen. En deze uitlegging vindt in de Schrift overvloedig steun. De naam van Heere der heirscharen wordt meermalen met de engelen in verband gebracht, 1 S. 4 : 4, 2 S. 6 : 2, Jes. 37 : 16. Hos. 12 : 5, 6, Ps. 80 : 2, 5 v., 89 : 6-9, en de engelen worden telkens voorgesteld als een heir, dat den troon Gods omringt, Gen. 28 : 12, 13, 32 : 2, Jos. 5 : 14, 1 Kon. 22 : 19, Job 1 : 6, Ps. 68 : 18, 89 : 8, 103 : 21, 148 : 2, Jes. 6 : 2. Al is het, dat zaba gewoonlijk van het heir der engelen in singulari staat, dit kan toch geen bezwaar zijn, omdat de Schrift meermalen van vele scharen van engelen gewag maakt, Gen. 32 : 2, Deut. 33: 2, Ps. 68 : 18, 148 : 2. En hiermede komt de beteekenis van den naam overeen. Deze draagt hoegenaamd geen oorlogzuchtig of krijgshaftig karakter; zelfs uit 1 Sam. 4 : 4, 17 : 5, 2 Sam. 6 : 2 is dit niet af te leiden. Maar in dezen naam wordt allerwege uitgedrukt de heerlijkheid van God als Koning, Deut. 33 : 2, 1 Kon. 22 : 19, Ps. 24 : 10, Jes. 6 : 2, 24 : 23, Zach. 14 : 16, Zach. 1 : 14. De engelen behooren bij de doxa van God of van Christus, zij verhoogen en verbreiden die, Mt. 25 : 31, Mk. 8 : 38, 2 Thess. 1 : 7, Op. 7 : 11. Iahveh Zebaoth is door heel de Schrift heen de plechtige koningsnaam Gods, vol majesteit en heerlijkheid. Elohim duidt God aan als Schepper en Onderhouder aller dingen; El Schaddai doet Hem kennen als den Sterke, die de natuur dienstbaar maakt aan de genade; Iahveh beschrijft Hem als dengene, die in zijne genade trouwe houdt in eeuwigheid; Iahveh Zebaoth teekent Hem als den Koning vol heerlijkheid, die, door zijne geordende heirscharen omringd, in zijnen tempel eere en hulde ontvangt van al zijne schepselen. Cf. over Ihvh Zebaoth, Delitzsch, Luth. Zeits. 1869 en 1874 en op Ps. 24 : 10, Schrader, Jahrb. f. prot. Theol. 1875 S. 316-320, |113| 0ehler, Theol. § 195 f. Schultz, Theol. 529 f. Smend, Altt. Rel. 185 f. König, Die Hauptprobl. der altisr. Rel. S. 49 f., Kuenen, G. v. I. II 46. Stade, Gesch. Isr. I 437. Valeton, t.a.p. bl. 208 v. art. Zebaoth in Herzog2 en Riehm, Handwörterbuch. Borchert, Der Gottesname Jahve Zebaoth, Stud. u. Kr. 1896 S. 619-642.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004