2. De Schrift spreekt menigmaal van den naam Gods in zeer ruimen zin. De Joden telden er daarom niet minder dan zeventig op, Eisenmenger, Entdecktes Judenthum I 455; en in de christelijke theologie werden onder de namen Gods ook eerst zijne volmaaktheden begrepen. Maar langzamerhand kwam er onderscheid; reeds Hieronymus beperkte de namen Gods tot een tiental, nl. El, Elohim, Elohe, Tzebaoth, Eljon, Escher ehje, Adonai, Iah, Ihvh, Schaddai, en werd daarin door velen gevolgd, |104| Alsted, Theol. schol. 71 sq. Moor, I 511. De eenvoudigste naam, waarmede God in de H. Schrift aangeduid wordt, is l'. Over de afleiding is verschil. Lagarde brengt het woord in verband met den wortel yl' en de praepositie l' en meent, dat het woord God aanduidt als dengene, die het doel en het voorwerp van het menschelijk verlangen is. Maar deze afleiding is even onwaarschijnlijk, als die, welke het woord in verbinding brengt met hl', den heiligen boom. Volgens verreweg de meesten is het woord afkomstig van den stam lû', hetzij dan in de beteekenis van vooraan, de eerste, heer zijn (Nöldeke), hetzij in die van sterk, machtig zijn (Gesenius), litt. bij M. Vitringa I 132. Moor I 515 sq. Schultz, Altt. Theol. 508. Smend, Altt. Theol. 26. De naam hôl' plur. £yhl' wordt afgeleid van denzelfden stam lû' of van hl' schrikken, en doet God dus kennen of als den sterke of als voorwerp van schrik en vreeze. De singularis is weinig in gebruik en dichterlijk, b.v. Ps. 18 : 32, Job 3 : 4; daarentegen is de pluralis de gewone naam voor God. Deze pluralis is niet te verklaren als een pluralis majestatis, wijl deze nergens in de Schrift van God gebruikelijk is; evenmin kan er eene aanduiding der triniteit in worden gezien, gelijk sedert Lombardus, Sent. I dist. 2 door velen geschiedde, Zanchius, Op. I 25. Voetius, Disp. V. 27. M. Vitringa I 209 sq., want Elohim heeft bijna altijd het adjectivum en het verbum in singulari bij zich, Augustinus, de trin. II 11. Bellarminus, de Christo, c. 6. Calvijn, Inst. I 13, 9. Gomarus, Theses Theol., disp. 5. Moor I 796. De moderne critici zien er meest een overblijfsel in van het vroegere polytheïsme, maar deze verklaring stuit niet alleen op hetzelfde bezwaar als de vroegere trinitarische, doch is ook blijkens latere onderzoekingen buiten Israel als naam voor één enkelen God gebruikelijk geweest, Noordtzij, Oost. Lichtstralen over West. Schriftbeschouwing 1897 bl. 41 v. Daarom is deze pluralis beter op te vatten als een pluralis der abstractie (Ewald), of als een pluralis der quantiteit, die evenals £ym en £ymH eene onbegrensde grootte aanduidt (Oehler), of als een intensieve pluralis, die eene volheid van kracht te kennen geeft (Delitzsch). Enkele malen wordt Elohim met een adjectivum of verbum in plurali geconstrueerd, Gen. 20 : 13, 28 : 13 v., 35 : 7, Ex. 32 : 4, 8, Joz, 24: 19, 1 Sam. 4: 8, 17 : 26, 2 Sam. 7 : 23, 1 Kon. 12 : 28, Ps. 58 : 12, 121 : 5, Job 35 : 10, Jeremia 10 : 10; en een soortgelijke pluralis is ook op te merken |105| in het pron. personale, Gen. 1 : 26, 3 : 22, 11 : 7, Jes. 6 : 8, 41 : 22, in £yHdq Spr. 9 : 10, Hos. 12 : 1, £wHv Job 35 : 10, Jes. 54 : 5, £y'rb Pred. 12 : 1, Ps. 149 : 2, en in ynd'. Al deze meervoudsvormen duiden God aan als de volheid des levens en der kracht. Durch Elohim wird das göttliche Wesen in seinem Urverhältniss, und in seinem stetigen Grundverhältniss zur Welt bezeichnet. Es ist eine Verhältnissbestimmung, nicht eine unmittelbare innere Wesensbestimmung, und zwar ist es Bestimmung des absoluten Hoheitsbegriffs in Bezug auf die ganze Welt, Beck, Gl. II 22, cf. litt. bij M. Vitringa I 133, Moor I 518, Oehler, Theol. § 36, Schultz, Altt. Th. 516. De naam ¤ôyl' LXX Ãyistov, wijst God aan als den Hooge, hoven alles Verlevene; hij komt voor in den mond van Melchizedek, Gen. 14 : 18, van Bileam, Num. 24 : 16, van Babels koning, Jes. 14 : 14, cf. ook Mk. 5 : 7, Luk. 1 : 32, 35, Hd. 16 : 17 en voorts vooral in poezie. ynd', afwisselend met ¤wd'h, dat weer versterkt wordt tot £ynwd' ¤wd' of ¦r'h lk ¤wd', doet God kennen als den Heer, wien alles onderworpen is en tegen wien de mensch als een knecht overstaat, Gen. 18 : 27. In vroeger tijd werd God in dezen zelfden zin ook lvb genoemd Hos. 2 : 18, maar later kreeg deze naam een afgodisch karakter en raakte daarom buiten gebruik, Robertson, Israels oude godsdienst bl. 200 v. Al deze namen zijn nog geen nomina propria in engeren zin; zij worden ook wel van de afgoden, van menschen, Gen. 33 : 10, Ex. 7 : 1, 4 : 16, en van de overheid, Ex. 12 : 12, 21 : 5, 6, 22 : 7, Lev. 19 : 32, Num. 33 : 4, Richt. 5 : 8, 1 Sam. 2 : 25, Ps. 58 : 2, 82 : 1 gebruikt, maar het zijn toch de gewone namen, waarmede God benoemd en aangesproken wordt. Het zijn ook algemeen semietische namen, die God kennen doen in zijne verhevenheid boven alle schepsel. De Semieten noemen God gaarne Heer, Koning; zij voelen zich diep van Hem afhankelijk en buigen zich deemoedig, als knechten, voor Hem neer, doch zij drukken in die namen geen wijsgeerige beschouwing over het wezen Gods uit maar plaatsen zijne verhouding tot de schepselen, bepaaldelijk tot de menschen, op den voorgrond.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004