5. Doordat echter de theologie op deze wijze het wezen Gods omschreef en ééne eigenschap tot hoofdbegrip maakte, liep zij gevaar, om tusschen het wezen Gods en de later daarbij komende eigenschappen onderscheid te maken. Zij kon daarbij natuurlijk niet den weg van het polytheisme inslaan, dat van de verschillende eigenschappen, gelijk die in de schepselen openbaar werden, zoovele goddelijke personen maakte. Ook Plato gaf aan de ideeën, |86| als archetypen der reëele dingen, een eigen, zelfstandig bestaan naast God. Het gnosticisme omschreef God als het onkenbare en onnoembare, maar maakte de Platonische ideeën tot aeonen, die uit God emaneerden en in dalende reeks van God zich verwijderden. Zij heetten nnoia, nouv, logov, zwj, sofia enz. en waren de gepersonificeerde, uit God emaneerende, als goddelijke wezens voorgestelde eigenschappen Gods, Iren. adv. haer. I 11. 24. Philo stelde onder Plato’s invloed menigmaal de goddelijke krachten, vooral de goedheid, de macht en den logos als hypostasen voor, Zeller, Philos. der Gr. V3 S. 358 f. De joodsche theologie nam verschillende hypostasen aan, zooals metatron, memra, schechina, ruach, bath kol, Weber, System der altsyn. pal. Theol. S. 172; en in de kabbala werden de tien sefiroth of eigenschappen Gods menigmaal beschreven als emanaties uit het Goddelijk wezen, Franck, La Kabbale ou la philos. religieuse des Hébreux, Paris Hachette. 1873. Ueberweg, Gesch. der Philos. II § 27. Herzog2 7, 375 f. Dr. Th. Bloch, Gesch. der Entw. der Kabbala u. der jüd. Rel. Philos. Trier Mayer 1894. Ook later heeft deze gnostische en kabbalistische philosophie nog dikwerf grooten invloed geoefend. In het arianisme werkte nog iets van dit gnosticisme na, in zoover het eene gradatie aannam onder de Goddelijke personen. Het monotheisme, niet meer door de leer der triniteit gesteund en gehandhaafd, gaat licht in polytheisme over. Wij vernemen het dagelijks, dat staat, wetenschap, kunst, fortuin, toeval, noodlot enz. door velen als zelfstandige machten naast en in de plaats van God worden beschouwd en vereerd.

Al ging nu de christelijke theologie zoover niet, zij maakte toch spoedig onderscheid tusschen Gods wezen en eigenschappen. De kerkvaders spraken reeds lang van het wezen Gods in onderscheiding van de drie personen, maar langzamerhand werd ook het woord wezen tegengesteld aan zijne eigenschappen. Vooral door den strijd tegen Eunomius kwam deze onderscheiding op. Eunomius in zijn liber apologeticus sprak telkens uit, dat de namen eene aanduiding waren van het wezen der zaak, tav prosjgoriav e¸nai twn oÇsiwn sjmantikav, ib. c. 18. Bibl. patr. gr. dogm. ed. Thilo II p. 598. Daartegenover beweerden Basilius en Gregorius Nyss., dat er geen enkele naam was, die Gods wezen uitdrukte, maar dat er toch wel vele ìnomata, ¸diwmata, nnoiai, nojmata, ‡xiwmata waren, waardoor caraktjr tiv Ûmin gginetai tou qeou, Bibl. patr. gr. dogm. II p. 42. |87| En Greg. Nyss. sprak van oÇsia Gods als to Ãpokeimenon en van poiotjtev of ¸diwmatwn diaforai in betrekking tot dat wezen, Diekamp, Die Gotteslehre des h. Gregor. van Nyssa, Münster 1896 I 190 f. Zoodra deze onderscheiding opkwam, moest wel de vraag worden gedaan, wat tot het wezen en wat tot de eigenschappen behoorde. Daarmede werd de goede weg verlaten. Als de kerkvaders bij de beschrijving Gods uitgingen van den naam Ihvh en Hem omschreven als het zijn, dan hadden zij daarmee niet het wezen Gods in onderscheiding van zijne eigenschappen op het oog, maar het gansche wezen Gods gelijk het zich openbaart in zijne eigenschappen. Het zijn, dat Gode werd toegeschreven, was dus geen abstractum, maar een levend, oneindigvol, concreet zijn, een summum esse, dat terstond en in eens met summa vita, summa veritas, summa sapientia, summus amor enz. identisch was, gelijk Augustinus telkens zeide, een pelagov oÇsiav ‡peiron kai ‡oriston, mare substantiae infinitum et interminatum, Greg. Naz. Or. 38. Damasc., de fide orth. I 9. De omschrijving Gods als essentia gaf te kennen, dat Hij het inbegrip was van alle realiteit, en volstrekt niet, dat Hij was het abstracte zijn, in den philosophischen zin van dat woord. Baur, Gesch. der Lehre von der Dreiein. II 644 f., en Ritschl, in zijne studiën over God, Jahrb. f.d. Theol. 1865 S. 275-318. 1868 S. 67-133 en, S. 251-302 hebben dit verschil niet genoeg in het oog gehouden. Ook bij Basilius en Gregorius Nyss. diende de onderscheiding van wezen en eigenschappen nog voornamelijk, om tegenover Eunomius de onbegrijpelijkheid van Gods wezen te handhaven.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004