§ 24. Indeeling der namen Gods

1. De H.S. noemt God met vele namen, maar gaat nooit van een abstract Godsbegrip uit. Nooit verheft zij de eene eigenschap Gods ten koste van de andere. Wel treedt na eens de eene, dan weder de andere, eigenschap meer op den voorgrond, maar er is tusschen alle eigenschappen volkomen harmonie. Het is de bedoeling der Schrift alle deugden Gods gelijkelijk tot hare eere te brengen. Evenals de persoon van Christus niet een bepaald eenzijdig karakter of temperament vertegenwoordigt en toch een persoon is vol leven en realiteit, zoo is ook God in zijne openbaring altijd ontvouwende al zijne deugden in harmonischen samenhang. Nergens is er van het wezen Gods in abstracto sprake. Het Hebr. woord hyHt a rad. hHy, bestaan, zijn, arab. III helpen, oprichten, duidt datgene aan, wat bestand heeft, bestendig is, |79| voordeel verschaft, in concreto vooral ware wijsheid en geluk, Joh 5 : 12. 6 : 13. 12 : 16. 26 : 3 (30 : 22). Spr. 2 : 7. 3 : 21. 8 : 14 en voorts alleen nog Jes. 28 : 29. Mich. 6 : 9, maar staat in geen dezer plaatsen voor het wezen Gods, cf. Delitzsch op Job 5 : 12. Evenmin kunnen de N.T. woorden qeotjv Col. 2 : 9, qeiotjv Rom. 1 : 29, morfj qeou Phil. 2 : 6, qeia fusiv 2 Petr. 1 : 4 cf. Gal. 4 : 8 bewijzen, dat daar van het wezen of de natuur Gods in onderscheiding van zijne eigenschappen gesproken wordt, gelijk Polanus wil, Synt. theol. p. 135. Gods wezen wordt voor ons in zijne openbaring, d.i. in zijne namen kenbaar. De namen Gods zijn benamingen van zijne ‡retai, 1 Petr. 2 : 9. Dit spraakgebruik sluit zich aan bij Jes. 42 : 8, 12. 43 : 21. 63 : 5, waar het Hebr. hlt lof, eer, in de LXX door ‡retj is overgezet, cf. Hab. 3 : 3. Zach. 6 : 13. De gemeente heeft de roeping, om Gods deugden te verkondigen, d.i. om Hem eere te geven voor de doxa, die in al zijne werken ten toon gespreid wordt. Van eene beschrijving van Gods wezen, buiten de eigenschappen om, is in de H. Schrift nimmer sprake. In den eersten tijd werd ook in de christelijke theologie iets dergelijks niet beproefd. Onder de nomina Dei werd alles saamgevat, wat men van God te zeggen had. De namen Gods waren aanduiding niet alleen van de nomina propria maar ook van de later zoo genoemde eigenschappen en zelfs van de personen in het Goddelijk wezen, Clemens Alex. Strom. V 12. Augustinus, de doctr. chr. I 5. Pseudodion., de div. nom. c. 1 sq. Damascenus, de fide orth. I c. 12. Thomas, S. Theol. I qu. 13. Catech. Rom. I c. 2 qu. 11. 13. Kleutgen, Theol. der Vorzeit I2 S. 211 f., Gerhard, Loci Theol. loc. 2. Hyperius, Meth. Theol. p. 89 sq. c. 3. Polanus, Synt. Theol. Lib. 2 c. 6. Zanchius, Op. II col. 9. 10. Walaeus, Op. I p. 152 sq. Alsted, Theol. did. schol. p. 61. De eigenschappen werden dan ook terstond in de idee Gods opgenomen; zoo bijv. bij Irenaeus, adv. haer. I c. 14. II c. 13, 35 etc. Augustinus spreekt wel van Gods essentia, maar hij verstaat daaronder de volheid van het zijn Gods en neemt terstond alle eigenschappen, eenvoudigheid, eeuwigheid, goedheid, wijsheid enz. daarin op. In de confessies wordt meermalen ook op die wijze van God gesproken, zonder onderscheiding van wezen en eigenschappen, en zonder indeeling der eigenschappen, Conc. Lateran. bij Denzinger, Enchir. symb. n. 355, Conc. Vatic. de fide c. 1. Conf. August. art. 1. Conf. Gall. art. 1. |80| Scot. art. 1. Belg. art. 1. Conf. Westm. cap. 2. En ook later nog gaan verscheidene theologen op deze distincties niet in en behandelen de eigenschappen, zonder vooral over de natuur Gods te spreken, bijv. Thomas, S. Theol. I qu. 3 sq. Ursinus, Tract. theol. p. 46-70.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001