2. De namen, waarmede God door ons genoemd en aangesproken wordt, zijn daarom niet willekeurig; ze zijn niet door ons naar ons goedvinden uitgedacht. Het is God zelf, die in natuur en genade bewust en vrij zich openbaart, die ons recht schenkt om op grond van deze openbaring Hem te noemen, ja die in zijn Woord zijn eigen namen op grond van zijne openbaring ons heeft bekend gemaakt. Al deze namen dragen nu zonder onderscheid dit karakter, dat zij aan de openbaring zijn ontleend. Er is geen enkele naam, die Gods wezen an sich aanduidt. Het nomen editum is de grondslag van alle nomina indita. En wijl de openbaring Gods in natuur en Schrift bepaaldelijk aan menschen is gericht, daarom is het eene menschelijke taal, waarin God van zichzelven tot ons spreekt; daarom zijn het menschelijke woorden, waarvan Hij zich bedient; daarom zijn het menschelijke gedaanten, waaronder Hij verschijnt. In de Schrift komen dus niet hier en daar enkele anthropomorphismen voor; de gansche Schrift is anthropomorphistisch. Van de eerste tot de laatste biadgijde getuigt zij van een komen Gods tot en een zoeken van den mensch. De gansche openbaring Gods concentreert zich in den Logos, die sarx is geworden, en is |66| als het ware ééne vermenschelijking, ééne menschwording Gods. Als God tot ons sprak op goddelijke wijze, geen schepsel zou Hem verstaan, maar dit is zijne genade, welke reeds met de schepping een aanvang nam, dat Hij tot zijn schepselen zich nederbuigt en tot hen spreekt en aan hen verschijnt op menschelijke wijze. Daarom zijn al de namen, waarmede God zichzelven noemt en door ons noemen laat, aan aardsche en menschelijke verhoudingen ontleend. Zoo heet Hij in de Schrift El, de Sterke, El-schaddai de Machtige, Jahveh, de Zijnde, voorts Vader, Zoon, Geest, goed, barmhartig, genadig, rechtvaardig, heilig enz., altemaal begrippen, die eerst van schepselen gelden en dan in eminenten zin op God worden overgedragen. Zelfs de zoogenaamde onmededeelbare eigenschappen, zooals onveranderlijkheid, onafhankelijkheid, eenvoudigheid, eeuwigheid, alomtegenwoordigheid worden in de Schrift voorgesteld in vormen en uitdrukkingen, aan het eindige ontleend en daarom ook in negatieven zin; de eeuwigheid kan niet voorgesteld worden dan als eene negatie van den tijd. De Schrift wendt zelfs geene enkele poging aan, om deze volmaaktheden Gods positief, naar haar eigen wezen, afgedacht van hare relatie tot het eindige, te omschrijven. Maar het anthropomorphisme gaat in de Schrift nog veel verder. Al wat aan menschen en zelfs aan schepselen eigen is, wordt ook aan God toegeschreven, inzonderheid partes hominis, membra corporis, sensus, affectus, actiones, subjecta en adjuncta humana. God heeft eene ziel, Lev. 26 : 11, Mt. 12 : 28, en een Geest, Gen. 1 : 2 enz. Van een lichaam Gods is nooit sprake, ofschoon God in Christus ook een waarachtig lichaam aannam, Joh. 1 : 14, Col. 2 : 17, en de gemeente Christus’ lichaam heet, Ef. 1 : 22. Maar alle lichamelijke organen worden toch aan God toegekend. Er wordt gesproken van zijn aangezicht, Ex. 33 : 20, 23, Jes. 63 : 9, Ps. 16 : 11, Mt. 18 : 10, Op. 22 : 4, van zijne oogen, Ps. 11 : 4, Hebr. 4 : 13, van zijne oogleden, Ps. 11 : 4, van zijn oogappel, Deut. 32 : 10, Ps. 17 : 8, Zach. 2 : 8, van zijne ooren, Ps. 55 : 2, van zijn neus, Deut. 33 : 10, van zijn mond, Deut. 8 : 3, van zijne lippen, Job 11 : 5, van zijne tong, Jes. 30 : 27, van zijn nek, Jer. 18 : 17, van zijn arm, Ex. 15 : 16, van zijn hand, Num. 11 : 23, van zijne rechterhand, Ex. 15 : 12, van zijn vinger, Ex. 8 : 19, van zijn hart, Gen. 6 : 6, van zijne ingewanden, Jes. 63 : 15, Jer. 31 : 20, Luk. 1 : 78, van zijn boezem, Ps. 74 : 4, van zijn schoot, Joh. 1 : 28, |67| van zijn voet, Jes. 66 : 1. Vervolgens is er geene menschelijke aandoening of ze is ook in God aanwezig, zooals vroolijkheid, Jes. 62 : 5, verheuging, Jes. 65 : 19, smart, Ps. 78 : 40, Jes. 63 : 10, verdriet, Ps. 95 : 10, Jer. 7 : 18, 19, vrees, Deut. 32 : 27, liefde met al de wijzigingen daarvan zooals barmhartigheid, ontferming, genade, lankmoedigheid enz., voorts ijver en jaloerschheid, Deut. 32 : 21, berouw, Gen. 6 : 6, haat, Deut. 16 : 22, toorn, Ps. 2 : 5, wraak, Deut. 32 : 35. Verder worden ook alle menschelijke handelingen op God overgedragen, zooals kennis nemen, Gen. 18 : 21, onderzoeken, Ps. 7 : 10, weten, Gen. 3 : 5, denken, Gen. 50 : 20, vergeten, 1 Sam. 1 : 11, zich herinneren, Gen. 8 : 1, Ex. 2 : 24, spreken, Gen. 2 : 16, roepen, Rom. 4: 17, gebieden, Jes. 5 : 6, schelden, (= bestraffen, berispen) Ps. 18 : 16, 104 : 7, antwoorden, Ps. 3 : 5, getuigen, Mal. 2 : 14; rusten, Gen. 2 : 2, werken, Joh. 5 : 17; zien, Gen. 1 : 10, hooren, Ex. 2 : 24, rieken, Gen. 8 : 21, proeven, Ps. 11 : 4, 5; zitten, Ps. Ps. 68 : 2, gaan, Ex. 34 : 9, komen, Ex. 25 : 22, 26: 12, nederdalen, Gen. 11 : 5, ontmoeten, Ex. 3 : 18, bezoeken, Gen. 21 : 1, voorbijgaan, Ex. 12 : 13, verlaten, Richt. 6 : 13 ; schrijven, Ex. 34 : 1, verzegelen, Joh. 6 : 27, graveeren, Jes. 49 : 16; slaan, Jes. 11 : 4, kastijden, Deut. 8 : 5, straffen, Job 5 : 17, verbinden, Ps. 147 : 3, genezen, Ps. 103 : 3, heelen, Deut. 32 : 39, dooden en levend maken, Deut. 32 : 39 afwisschen, Jes. 25 : 8, uitwisschen, 2 Kon. 21 : 13, wasschen, Ps. 51 : 4, reinigen, Ps. 51 : 4, zalven, Ps. 2 : 6, versieren, Ezech. 16 : 11, bekleeden, Ps. 132 : 16, kronen, Ps. 8 : 6, omgorden, Ps. 18 : 33; verdelgen, Gen. 6 : 7, verwoesten, Lev. 26 : 31, dooden, Gen. 38 : 7, plagen, Gen. 12 : 17, richten, Ps. 58 : 12, verdoemen, Job 10 : 2 enz. Voorts wordt God ook zeer dikwerf aangeduid met namen, die een zeker beroep, ambt, betrekking, verhouding onder menschen te kennen geven. Hij is een bruidegom, Jes. 61 : 10, een man, Jes. 54 : 5, een vader, Deut. 32 : 6, een richter, koning, wetgever, Jes. 33 : 22, een krijgsman, Ex. 15 : 3, een held, Ps. 78 : 65, Zef. 3 : 17, een kunstenaar en bouwmeester, Hebr. 11 : 10, een landman, Joh. 15 : 1, een herder, Ps. 23 : 1, een heelmeester, Ex. 15 : 26 enz.; terwijl dan in deze hoedanigheden weder sprake is van zijn zetel, troon, voetbank, roede, schepter, wapens, boog, pijl, zwaard, schild, wagen, banier, boek, zegel, schat, erfenis enz. Ja zelfs worden, om uit te drukken wat God voor de zijnen is, |68| allerlei beelden aan de bezielde en onbezielde schepping ontleend. Hij wordt vergeleken bij een leeuw, Jes. 31 : 4, een arend, Deut. 32 : 11, een lam, Jes. 53 : 7, eene hen, Mt. 23 : 37, bij de zon, Ps. 84 : 12, de morgenster, Op. 22 : 16, bij een licht, Ps. 27 : 1, eene kaars, Op. 21 : 23, een vuur, Hebr. 12 : 29, eene bron of fontein, Ps. 36 : 10, een sprinkader, Jer. 2 : 13, bij spijze, brood, drank, water, zalf, Jes. 55 : 1, Joh. 4 : 10, 6 : 35, 55, bij een rotssteen, Deut. 32 : 4, eene schuilplaats, Ps. 119 : 114, toren, Spr. 18 : 10, een hoog vertrek, Ps. 9 : 10, eene schaduw, Ps. 91 : 1, 121 : 5, een schild, Ps. 84 : 12, een weg, Joh. 14 : 6, een tempel, Op. 21 : 22 enz., Polanus, Synt. Theol. II c. 35, Alsted, Theol. schol. 104 sq. Glassius, Philol. Sacra 1691 p. 1116-1181.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001