§ 23. De namen Gods

1. Al wat van God in zijne openbaring voor ons kenbaar wordt, wordt in de H. Schrift aangeduid met den Naam Gods. De oorspronkelijke beteekenis van het woord £H is waarschijnlijk die van teeken, kenteeken, sjma, signum, evenals het gr. ìnoma en het lat. nomen van den stam gno zijn afgeleid en dus aanduiden datgene, waaraan iets gekend wordt, kenteeken. Een naam is een |63| teeken van dien, die hem draagt, eene benoeming haar eene of andere eigenschap, waarin hij zich openbaart en kenbaar wordt. Er is verband tusschen den naam en zijn drager, en dat verband is niet willekeurig maar in den drager zelven gegrond. Zelfs bij ons, en thans nog, nu de namen meest tot klanken geworden zijn zonder zin, wordt dat verband nog gevoeld. Een naam is iets persoonlijks en geheel iets anders dan een nummer of een exemplaar van zijn soort. Het doet altijd min of meer onaangenaam aan, als onze naam verkeerd geschreven of gebruikt wordt. Aan den naam hangt onze eer, onze waarde, onze persoon en individualiteit. Maar veel sterker was dat verband in vroeger tijd, toen de namen nog eene doorzichtige beteekenis hadden en eene openbaring waren van den persoon of de zaak, die hem ontving. Zoo is het ook in de Schrift. Adam moest den dieren namen geven naar hun aard, Gen. 2 : 19, 20. Van vele namen in de Schrift wordt de beteekenis aangegeven en tevens de reden, waarom ze gegeven worden, b.v. Eva, Gen. 3 : 20, Kain, 4 : 1, Seth, 4 : 25, Noach, 5 : 29, Babel, 11 : 9, Ismael, 16 : 11, Ezau en Jakob, 25 : 25, Mozes, Ex. 2 : 10, Jezus, Mt. 1 : 21 enz. Meermalen wordt een naam veranderd of een bijnaam toegevoegd, wanneer een persoon optreedt in eene andere qualiteit, Abraham, Gen. 17 : 5, Sara, 17 : 15, Israel, 32 : 28, Jozua, Num. 13: 16, Jedidjah, 2 Sam. 12 : 25, Mara, Ruth 1 : 20, Petrus, Mk. 3 : 16, enz. Na zijne hemelvaart heeft Christus een naam ontvangen boven allen naam, Phil. 2 : 9, Hebr. 1 : 4, en aan de geloovigen wordt in het nieuwe Jeruzalem een nieuwe naam gegeven, Op. 2 : 17, 3 : 12, 22 : 4. Ditzelfde geldt van den naam Gods. Er is een innig verband tusschen God en zijn naam. Ook dit verband is naar de Schrift niet toevallig of willekeurig maar door God zelven gelegd. Menschen noemen Hem niet: Hij geeft zichzelf een naam. Op den voorgrond staat dus de naam als openbaring van Gods zijde, in actieven en objectieven zin, als nomen editum. Dan is de naam Gods identisch met de deugden of volmaaktheden, welke Hij naar buiten openbaart, met zijne heerlijkheid, Ps. 8 : 2, 72 : 19, zijne eer, Lev. 18 : 21, Ps. 86 : 11, 102 : 16, zijne verlossende macht, Ex. 15 : 3. Jes. 47 : 4, zijn dienst, Jes. 56 : 6, Jer. 23 : 27, zijne heiligheid, 1 Chr. 18 : 10, Ps. 105 : 3, 3 : 21 enz. De naam is God zelf, gelijk Hij zich in de eene of andere relatie openbaart. Die naam als openbaring Gods, is daarom groot, |64| Ezech. 36 : 23, heilig, Ezech. 36 : 20, vreeselijk, Ps. 111 : 9, een hoog vertrek, Ps. 20 : 2, een sterke toren, Spr. 18 : 10. Met eigen namen, bepaaldelijk met den naam Jhvh, heeft God zich aan Israel bekend gemaakt. Door den Malak, in wiens binnenste zijn naam is, Ex. 23 : 20, heeft Hij zich aan Israel geopenbaard. En door Hem heeft Hij zijn naam op de kinderen Israels gelegd, Num. 6 : 27, de gedachtenis zijns naams onder hen gesticht, Ex. 20 : 24, zijn naam onder hen gezet en doen wonen, Deut. 11 : 14, 12 : 5, bijzonderlijk in den tempel, die voor zijnen naam is gebouwd, 2 S. 7 : 13. In dien tempel woont nu zijn naam, 2 Chr. 20 : 9, 33 : 4. Door dien naam verlost Hij, Ps. 54 : 3 en om dien naam kan Hij Israel niet verlaten, 1 S. 12 : 22, Jes. 48 : 9, 11, Ps. 31 : 4, 23 : 3, 143 : 11 v. Maar Israel mag dien naam dan ook niet lasteren, ontheiligen of ijdel gebruiken. EX. 20 : 7, Lev. 18 : 21, 24 : 11. Integendeel, die naam moet aangeroepen, verteld, grootgemaakt, gekend, beleden, gevreesd, verhoogd, verwacht, gezocht, geheiligd worden, Gen. 4 : 26, 12 : 2, Ex. 9 : 16, Deut. 28 : 58, 1 K. 8 : 33, Ps. 5 : 12, 34 : 4, 52 : 11, 83 : 17, 122 : 4, Jes. 26 : 8, Mt. 6 : 9, Joh. 12 : 28 enz. In het N. Test. is er maar één naam, door wien God zaligheid schenkt; het is de naam van Jezus Christus, Hd. 4 : 12. Maar in dien éénen naam heeft Hij zich ook ten volle geopenbaard; daarin is begrepen al wat God voor de zijnen is en wezen zal; in dien naam deelt Hij zichzelven, met al zijne weldaden, aan zijn volk mede, Mt. 28 : 19, Luk. 24 : 47, Joh. 20 : 31, Hd. 2 : 38, 1 Cor. 6 : 11, Jak. 5 : 14. En nog rijker openbaring hebben de geloovigen te wachten in het nieuwe Jeruzalem, Op. 3 : 12, als zijn naam op aller voorhoofd zal zijn, Op. 22 : 4. De naam Gods is in de H. Schrift de aanduiding, niet van God, gelijk Hij in zichzelf bestaat, maar van God in zijne openbaring, in zijne velerlei relatiën tot de schepselen. Deze naam is echter niet willekeurig, maar God openbaart zich zoo en op die wijze, omdat Hij is, die Hij is. Aan zijn naam hangt daarom zijn eer, zijn roem, al zijne deugden, heel zijne openbaring, zijn eigen Goddelijk wezen. Maar die naam schenkt daarom aan hem, wien hij geopenbaard wordt, bijzondere voorrechten en legt hem tevens eigenaardige verplichtingen op. De naam Gods sluit in, dat Hij, daarin zich openbarende, nu ook door schepselen daarnaar genoemd wordt. Het nomen editulm gaat over in het nomen inditum. Het e¸nai en kaleisqai zijn in |65| de H. Schrift twee zijden van dezelfde zaak. God is die Hij heet, en Hij heet die Hij is. Wat Hij van zichzelven openbaart, wordt in bepaalde namen uitgedrukt en weergegeven. Hij schenkt aan zijne schepselen het voorrecht, om op grond van en in overeenstemming met zijne openbaring Hem te noemen en aan te spreken. De ééne naam Gods, als het inbegrip van zijne gansche openbaring beide in natuur en genade, valt voor ons in vele, vele namen uiteen. Alleen op die wijze krijgen wij een overzicht van den rijkdom zijner openbaring en de diepe beteekenis van zijnen naam. Wij noemen Hem en mogen Hem noemen naar al wat van zijn wezen in schepping en herschepping openbaar wordt. Maar al die namen, als benoemingen Gods, leggen ons de verplichting op, om ze te heiligen en te verheerlijken. Het is de ééne naam, de volle openbaring, en in zooverre het eigen wezen Gods zelf, waarmede wij in al die namen te doen hebben. God stelt zich door zijn naam in eene bepaalde relatie tot ons; daaraan behooren wij in onze relatie tot Hem te beantwoorden, Schultz, Altt. Theol.4 513 f. Oehler, Theol. des A.T. § 56. art. Name in Herzog2. Smend, Lehrb. S. 281 f. Cremer, s.v. ìnoma.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001