Maar deze leer van de onbegrijpelijkheid Gods en van de onkenbaarheid van zijn wezen is ook uitgangspunt en grondgedachte der christelijke theologie geweest. God gaat in zijne openbaring niet op, noch in de schepping noch in de herschepping. Hij kan zich aan schepselen niet ten volle mededeelen, wijl deze dan zelf God moesten zijn. Daarom is er geen adaequate kennis van God. Er is geen naam, die ons zijn wezen kennen doet. Er is geen begrip, dat Hem ten volle omvat. Er is geen beschrijving, die Hem volledig bepaalt. Wat achter de openbaring ligt, is ten eenenmale onkenbaar. Wij kunnen het noch met onze gedachte of verbeelding, noch met onze taal benaderen. Reeds de brief van Barnabas c. 5 vraagt: indien de zoon van God niet in het vleesch gekomen ware, hoe zouden dan de Menschen Hem gezien hebben en behouden zijn gebleven? Justinus Martyr noemt God onuitsprekelijk, onbewegelijk, naamloos, Apol. I 61; ook woorden als Vader, God, Heer zijn geen eigenlijke namen ‡llH k twn eÇpoi»wn kai twn rgwn porsrjseiv, Apol. II 6. God kan niet verschijnen, niet gaan, niet gezien worden enz., indien daarvan in het O.Test sprake is, slaat dit op den Zoon, die zijn gezant is, Dial. 127. Ook bij Irenaeus, adv. haer. IV 20 komt de in zijn tijd zeer gewone maar toch onjuiste en ten deele gnostische tegenstelling tusschen den Vader, die verborgen, onzichtbaar, onkenbaar is, en den Zoon, die Hem heeft geopenbaard. Bij Clemens Alex. is God zuivere monav, Strom. V 11. Als wij al het creatuurlijke wegdenken, bereiken wij niet wat God is, maar wat Hij niet is. Vorm, beweging, plaats, getal, eigenschap, naam enz. kunnen Hem niet toegekend worden. Indien wij Hem toch één, goed, Vader, Schepper, Heer enz. noemen, dan spreken we daarmede zijn eigenlijk wezen niet uit maar duiden slechts zijne macht aan, Strom. V 12. Hij is zelfs boven het ééne verheven, Ãper aÇtjn tjn monada, Paedag. I 8. In één woord, God is, gelijk Athanasius, c. gent. 2 zegt, pekeina pasjv oÇsiav kai ‡nqrwpinjv nnoiav. En evenzoo spreken Orig., de princ. I 1, 5 sq. |6| c. Cels. VI 65. Eusebius, Praep. Evang. V 1. Theophilus, ad Autol. I 3. Tatianus c. Gr. 5. Minucius Felix, Octav. c. 18. Novatianus, de trin. 2. Cyprianus, de idol. vanit. 5. Lactantius, Instit. div. I 6. Cf. Münscher-v. Coelln, Dogmengesch. I 132 f. Hagenbach, Dogm. § 37. Schwane, Dogmengesch. I2 72 f. Dezelfde voorstelling treffen wij ook aan bij Augustinus en Joh. Damascenus. Augustinus gaat bij de omschrijving Gods uit van het begrip des zijns. Hij is de zijnde, gelijk zijn naam Jhvh ook te kennen geeft; deze is zijn eigenlijke naam, zijn nomen in se; alle andere namen zijn ad nos, Serm. 6 n. 4. Serm 7 n. 7. Daarom, als wij zeggen willen wat Hij is, zeggen we alleen, wat Hij in onderscheiding van alle eindige substantiën niet is. Hij is ineffabilis. Facilius dicemus quid non sit quam quid sit. Hij is geen aarde, zee, hemel, engel enz., niets van al wat het schepsel is; hoc solum potui dicere quid non sit, Enarr. in Ps. 85 n. 12. de doctr. chr. I 6, de orde. II 47. Hij wordt zóó gedacht, ut aliquid quo nihil melius sit atque sublimius illa cogitatio conetur attingere, de doct. chr. I 7. Mij Hij kan niet gedacht worden gelijk Hij is. Want Hij is boven al het lichamelijke, veranderlijke, gewordene verheven, tract. 23 in Ev. Joh. n. 9. Quis est autem, qui sic cogitat Deum, quemadmodum ille est? quaest. in Jo. VI 29. Hij is onbegrijpelijk en moet dat zijn, si enim comprehendis, non est Deus, Serm. 117 n. 5. En als wij dan ten slotte zeggen willen wat wij van Hem denken, dan worstelen wij met de taal. Verius enim cogitatur Deus quam dicitur, et verius est quam cogitatur, de trin. VII 4, de doctr. chr. I 6. Zoo we toch iets aangaande Hem uitspreken, dan is dat niet adaequaat, maar dient het alleen, om ons iets te doen zeggen en om ons te doen denken aan een wezen, dat alles overtreft, de doctr. chr. I 6. Sicut Deus a nullo intellectu valet proprie cogitari, ita nulla definitione potest proprie definiri aut determinari, de cogn. verae vitae 7. Deus scitur melius nesciendo, de ord. II 44. Evenzoo zegt Damascenus, dat God to qeion, ‡rrjton kai ‡kataljpton is, de fide orth. I c. 1. Wij spreken van God op onze wijze en weten wat God van zichzelf heeft geopenbaard; maar wat Gods wezen en hoe Hij in allen is, weten wij niet, ib. c. 2. Dat God is, is duidelijk; maar ti stin katH oÇsian kai fusin, ‡kataljpton touto pantelwv kai ‡gnwston. Dat God ongeboren, onveranderlijk, zonder aanvang is enz., zegt |7| alleen wat Hij niet is. Te zeggen, wat Hij wel is, is onmogelijk. Hij is niets van al het zijnde, niet omdat Hij niet is, maar omdat Hij is Ãper panta ta ìnta kai Ãper aÇto to e¸nai. Wat wij positief van God zeggen, duidt niet zijn natuur aan, maar de betrekkingen zijner natuur, ta peri tjn fusin, ib. c. 4 cf. c. 9.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001