Deel II.

HET DOGMA.

Hoofdstuk IV.

Over God.


§ 20. De onbegrijpelijkheid Gods

1. Het mysterie is het levenselement der dogmatiek. Wel verstaat de Schrift onder mustjrion geen abstract-bovennatuurlijke waarheid in Roomschen zin; maar zij is even ver verwijderd van de gedachte, dat de geloovige de geopenbaarde mysteriën in wetenschappelijken zin verstaan en begrijpen zou, cf. deel I 532. Veeleer gaat de kennis, welke God van zichzelven in natuur en Schrift heeft geopenbaard, de voorstelling en het begrip van den mensch verre te boven. In zooverre is het alles mysterie, waar de dogmatiek over handelt. Zij heeft het immers niet te doen met eindige schepselen, maar van het begin tot het einde verheft ze zich boven alle creatuur tot den Eeuwige en den Oneindige zelven. Reeds terstond als ze een aanvang maakt, staat zij voor den Onbegrijpelijke. Van Hem neemt ze haar aanvang, want uit Hem zijn alle dingen. Maar ook in de verdere loci, als ze afdaalt tot de schepselen, beschouwt zij deze niet anders dan in hunne relatie tot God, gelijk ze uit en door en tot Hem zijn. Zoo is dan de kennisse Gods het eenige dogma, de uitsluitende inhoud der gansche dogmatiek. Alle leerstukken, die in haar behandeld worden, over de wereld, over den mensch, over Christus enz., zijn maar de explicatie van het ééne, centrale dogma der cognitio Dei. Van Hem uit wordt alles beschouwd. Onder Hem wordt alles gesubsumeerd. Tot Hem wordt alles teruggeleid. Het is altijd God en God alleen, wiens glorie in schepping en |2| herschepping, in natuur en genade, in wereld en kerk zij te bepeinzen en te beschrijven heeft. Het is zijne kennisse alleen, die ze uitstallen en ten toon spreiden moet. Daardoor wordt de dogmatiek geen dorre, schoolsche wetenschap, zonder vrucht voor het leven. Hoemeer ze Hem bepeinst, wiens kennisse haar eenige inhoud is, des te meer zal ze overgaan in bewondering en aanbidding. Indien ze maar nimmer vergeet, om over de zaken in plaats van over de woorden te denken en te spreken; indien ze maar eene Theologie der Thatsachen blijft en niet ontaardt in eene Theologie der Rhetorik, is zij als wetenschappelijk beschrijving van de kennisse Gods ook ten hoogste vruchtvaar voor het leven. De kennisse Gods in Christus is immers het leven zelf, Ps. 89 : 16; Jes. 11 : 9; Jer. 31 : 34; Joh. 17 :3. Daarom begeerde Augustinus niets anders en niets meer te kennen dan God en zichzelven: Deum et animam scire cupio. Nihilne plus? Nihil omnino. Daarom begon Calvijn zijne Institutie met de kennisse Gods en van ons zelven. En daarom gaf de Catechismus van Genève op de eerste vraag: quis humanae vitae praecipuus est finis? ten antwoord: ut Deum, a quo conditi sunt homines, ipsi noverint, cf. ook den Catech. van Westminster.

Maar zoodra we ons onderwinden, om over God te spreken, rijst de vraag, hoe we dat zullen vermogen. Wij zijn menschen en Hij is de Heere onze God. Er schijnt tusschen Hem en ons geen verwantschap en geen gemeenschap te bestaan, dat wij Hem zouden kunnen noemen naar waarheid. Er is tusschen Hem en ons een afstand als tusschen het oneindige en het eindige, tusschen eeuwigheid en tijd, tusschen het zijn en het worden, tuschen het al en het niet. Hoe weinig we van God weten, reeds de zwakste notie houdt in, dat Hij een wezen is, oneindig verre boven alle schepsel verheven. En de Schrift bevestigt dat niet alleen, zij stelt die majesteit en verhevenheid des Heeren Heeren voor ons eerst in het volle licht. Reeds het eerste hoofdstuk van Genesis schildert zijne onbegrijpelijke verhevenheid; Hij spreekt en het is er. En ofschoon de Schrift ons dan vervolgens God beschrijft in zijne nederbuigende liefde, en zegt, dat Hij woont bij dien, die eens verbrijzelden en nederigen geestes is, toch is Hij de Hooge en de Verhevene, die in de eeuwigheid woont, Jes. 57 : 15. God is groot en wij begrijpen het niet, Job 26 : 14, 36 : 26, 37 : 5. Hij is onvergelijkelijk, Jes. 40 : 18, 25, 46 : 5, wonende in het |3| donker, 1 Kon. 8 : 12; Jes. 45 : 15, in een ontoegankelijk licht, 1 Tim. 6 : 16. Niemand heeft Hem gezien of kan Hem zien, Ex. 33 : 20; Joh. 1 : 18, 6 : 46; 1 Tim. 6 : 16. De verborgen grond, de diepte Gods, rqx, en de grens, het uiterste, het wezen des Almachtigen, tylkt, is niet te bereiken, Job 11 : 7; Eccl. Sir. 43 : 34, 35. Hij is geest, zonder gedaante, Deut. 4 : 12, 15; Joh. 4 : 24, 5 : 37, boven al het creatuurlijke, boven behoefte, Job 22 : 2, 3; Hd. 17 : 25; verandering, Jak. 1 : 17; tijd, Jes. 41 : 4, 44 : 6, 48 : 12; Op. 1 : 8, 22 : 13; ruimte, Hd. 17 : 27, 28 enz., oneindig verre verheven. Hij is niet te beschrijven en met geen naam te noemen. Hij is zonder naam, zijn naam is wonderlijk, Gen. 32 : 29; Richt. 13 : 18; Spr. 30 : 4.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001