Gereformeerde Dogmatiek

door Dr. H. Bavinck

Tweede deel

Kampen (J.H. Bos) 1897

a



Inhoud.

IV. Over God.

§ 20. De onbegrijpelijkheid Gods.

1. De dogmatiek leeft in het mysterie, want zij heeft altijd te doen met God, die volgens de H.S. onbegrijpelijk en zelfs met geen naam te noemen is.

2. Deze onbegrijpelijkheid Gods is ook buiten het terrein der bijzondere openbaring erkend,

3. in de christelijke theologie

4. van de kerkvaders,

5. van de scholastici,

6. van de reformatoren opgenomen,

7. en in de nieuwere philosophie vervangen

8. door de volstrekte onkenbaarheid Gods.

9. De gronden, welke dit agnosticisme aanvoert,

10. zijn, al is er zeer zeker geen adaequate kennis van God, niet houdbaar, wijl het agnosticisme alle spreken bij ons over God en alle openbaring van Gods zijde aan ons onmogelijk zou maken.

11. De loochening van de kenbaarheid Gods sluit in, dat God zich niet heeft willen en niet heeft kunnen openbaren, en dat wij ook zelfs den grond missen, om zijn bestaan aan te nemen.


§ 21. De kenbaarheid Gods (cognitio Dei insita).

1. God is kenbaar, voorzoover Hij zich openbaart. En dat Hij zich openbaart, staat vast volgens Schrift en natuur en wordt door alle menschen bevestigd; atheisten zijn er schier niet.

2. De natuurlijkheid, algemeenheid en noodzakelijkheid der Godskennis

3. hebben velen geleid tot het geloof aan aangeboren begrippen.

4. Maar de christelijke theologie verwierp deze leer, niet alleen patres en scholastici,

5. maar ook Lutherschen en Gereformeerden,

6. wijl zij tot rationalisme of mysticisme voerde.

7. Doch daarmede werd niet ontkend, dat de mensch de potentia en inclinatio meebrengt, om vanzelf, zonder wetenschappelijke redeneering tot eenige kennisse Gods te komen.


§ 22. De kenbaarheid Gods (cognitio Dei acquisita).

1. De cognitio Dei insita wordt vermeerderd door de langs den weg van nadenken en redeneering verkregen cognitio Dei acquisita.

2. Beide behooren tot de theologia naturalis, die geen product is van de menschelijke rede maar in de Schrift is opgenomen en door den geloovige uit de natuur wordt afgeleid.

3. De H.S. bewijst Gods bestaan niet maar getuigt ervan.

4. De zoogenaamde bewijzen voor Gods bestaan, deels over-, deels onderschat,

5. n.l. het ontologisch,

6. kosmologisch,

7. teleologisch

8. en moreel bewijs,

9. heeten ten onrechte bewijzen maar zijn signa en testimonia, dat God zich niet onbetuigd laat aan den mensch.


§ 23. De Namen Gods.

1. Al wat van God door zijne openbaring kenbaar wordt, vat de H.S. saam onder de namen, waarmede God, op grond van zijne openbaring (nomen editum), genoemd wordt (nomen inditum).

2. Al die namen zijn anthropomorphistisch,

3. en naar de analogie in schepselen gevormd,

4. maar dit terecht, wijl God zelf in en door de schepselen zich openbaart en op geen andere wijze noembaar is.

5. Zij geven daarom wel geen adaequate doch ook geen onware,

6. maar eene ectypische, analoge kennis van God.


§ 24. Indeeling der namen Gods

1. De H.S. eert gelijkelijk alle deugden Gods en kent de onderscheiding niet tusschen wezen en eigenschappen,

2. die later in de theologie opkwam

3. en het wezen Gods deed omschrijven

4. als het Absolute of als Souverein of als Vader enz.,

5. en de eigenschappen daarvan afzonderde.

6. Maar er is bij God geen onderscheid tusschen wezen en eigenschappen,

7. al zijn ook de eigenschappen onderling verschillend ratione ratiocinata.

8. De eigenschappen werden op velerlei wijze ingedeeld,

9. maar al die indeelingen komen zakelijk overeen en worden door dezelfde bezwaren gedrukt, zoodat eene goede indeeling moeilijk te vinden is.


§ 25. De eigennamen Gods.

1. De eigennamen Gods, in ruimer zin zoo genomen, zijn die, waarmede God benoemd en aangesproken wordt, zooals qeov, deus, God,

2. in de H.S., El, Elohim, Eljon, Adonai,

3. El Schaddai, Ihvh,

4. Ihvh Zebaoth,

5. kuriov, patjr, Vader, Zoon en H. Geest.


§ 26. De wezensnamen Gods.

1. De wezensnamen Gods, welke vóór de leer der triniteit dienen behandeld te worden, bevatten eerst die, waarmede God als de Zijnde in volstrekten zin wordt aangeduid, n.l. de onafhankelijkheid,

2. de onveranderlijkheid,

3. de oneindigheid, welke weder insluit de eeuwigheid,

4. en de alomtegenwoordigheid.

5. Vervolgens zijn er namen, die ons God doen kennen als den Levende, als Geest, n.l. de eenvoudigheid,

6. de geestelijkheid,

7. de onzienlijkheid.

8. Verder zijn er namen, die het Goddelijk wezen omschrijven als volkomen zichzelf bewust, als Licht, n.l. kennis van zichzelven en van de wereld (waarbij de praescientia en de scientia media ter sprake komt),

9. wijsheid (ideeën in God),

10. waarachtigheid.

11. Voorts zijn er namen, die ons wijzen op de ethische natuur van Gods wezen en Hem doen kennen als den Heilige, n.l. goedheid (goedertierenheid, barmhartigheid, lankmoedigheid, genade, liefde),

12. heiligheid,

13. heerlijkheid,

14. gerechtigheid.

15. En eindelijk zijn er namen, waarin God ons tegemoet treedt als de absolute macht, als Souverein, n.l. de wil, die als propensio Dei in se ipsum (necessaria) en als propensio in creaturas (libera) onderscheiden wordt,

16. in laatstgenoemden zin wel als vrij maar niet als pure willekeur te denken is,

17. voorts, in voluntas beneplaciti en signi uiteenvalt,

18. en eindelijk als almacht te eeren is.


§ 27. De personeele namen Gods.

1. De personeele namen Gods doen ons in het ééne Goddelijke wezen de zelfonderscheidingen kennen, welke reeds in het O.T. (Elohim of Ihvh brengt alles tot stand door Woord en Geest) voorkomen,

2. maar, vooral ook in tegenstelling met

3. de dwaalleer der tusschenwezens in de Joodsche philosophie,

4. in het N. Testament veel helderder wordt geopenbaard. Het N.Test. leert niet alleen, dat alles in natuur en genade tot stand komt door Vader, Zoon en Geest,

5. maar doet ons ook iets kennen van de relatiën tusschen deze drie personen, als het den Vader in metaphysischen zin den Vader van Christus,

6. Christus in specialen zin het Woord, den Zoon, het Beeld Gods,

7. en den Geest in bijzonderen zin Geest des Vaders en des Zoons noemt.

8. Deze gegevens der H.S. leidden de kerk tot de belijdenis van de triniteit, een leerstuk, dat in den eersten tijd door Justinus, Irenaeus, Tertullianus, Origenes ontwikkeld,

9. vervolgens vooral door Athanasius

10. en Augustinus uitgewerkt en verdedigd werd,

11. maar door Arianisme en Sabellianisme,

12. en de daarbij zich aansluitende richtingen

13 sterk bestreden werd.

14. De termen, die bij dit dogma gebruikelijk zijn, wezen, personen, drieëenheid enz., zijn el niet uit de Schrift genomen maar zijn daarom niet ongeoorloofd.

15. Het woord wezen duidt de Godheid, de Goddelijke natuur aan, gelijk die in de personen bestaat.

16. Personen heeten de drie zelfstandige modi subsistendi in het ééne Goddelijk wezen,

17. die van dat wezen niet re maar toch realiter verschillen en onderling onderscheiden zijn in namen, personeele eigenschappen en wijze van werken.

18. De eerste persoon heeft als personeele eigenschap de paternitas.

19. De tweede persoon is de Zoon, die door geestelijke, eenvoudige, eeuwige generatie uit het wezen des Vaders is gegenereerd.

20. De derde persoon is de Geest, wiens persoonlijkheid en Godheid, schoon in de kerk later erkend dan die des Zoons, voor leer en leven van het hoogste belang is,

21. en wiens personeele eigenschap de kporeusiv is, niet alleen uit den Vader,

22. maar ook uit den Zoon, Filioque.

23. Deze ontologische triniteit spiegelt zich af in de oeconomische, welke met de eenheid ook het onderscheid der drie personen in de openbaring doet uitkomen,

24. maar zij is, schoon het zeer veel beproefd is, moeilijk door beelden op te helderen of door redeneeringen te bewijzen.

25. Toch is zij voor de leer van God, van schepping en herschepping, ja voor heel de christelijke religie van de grootste beteekenis.


§ 28. De Raad Gods.

1. De Raad Gods, die, als omvattend de opera essentialia ad intra, het verband aanwijst tusschen God en zijne werken (opera ad extra), komt in het O.T. vooral voor als feit in de historie,

2. en blijkt in het N.T. duidelijk te zijn eeuwig, persoonlijk en betrekking hebbende op de bestemming hiernamaals.

3. Maar in de christelijke kerk werd de leer der praedestinatie door de Grieksche kerk, door Pelagianisme, Semipelagianisme,

4. door de Roomsche kerk,

5. en zelfs door de Lutherschen verzwakt,

6. terwijl de Gereformeerden haar wel handhaafden, maar over de methode van behandeling,

7. en over de infralapsarische of supralapsarische orde der decreten verschilden,

8. en vele anderen, Socinianen, Remonstranten enz., ze ontkenden of in een wijsgeerig determinisme omzetten of in pelagiaansche of semipelagiaansche zin wijzigden.

9. Nu is Gods raad niets anders dan zijn eenvoudig en eeuwig besluit over alwat in den tijd zijn of geschieden zal,

10. allereerst omvattend de providentia in den zin van ratio ordinis rerum,

11. en vervolgens de praedestinatio, die door het Pelagianisme voor de praescientia ingeruild,

12. en vooral op drie punten bestreden wordt.

13. Onder de Gereformeerden was er verschil over hare infralapsarische of supralapsarische orde,

14. die beide iets voor en iets tegen hebben

15. en geen van beide de ware oplossing bieden.

16. De reprobatio, die in de H.S. herhaaldelijk voorkomt, behoort in zekeren zin beslist tot de praedestinatie,

17. maar behoort er toch in een anderen zin toe dan de electie,

18. in welke de praedestinatie haar einde bereikt en tot haar volle realiteit komt,

19. want de verkiezing heeft Christus en zijne gemeente tot voorwerp en de eere Gods in de redding van de gevallen wereld tot doel.


V. Over de wereld in haar oorspronkelijken staat.

§ 29. De Schepping.

1. De Schepping is het begin der uitvoering van Gods raad. Haar leer neemt in de H.S. eene breede plaats in,

2. en is alleen te verstaan door het geloof, zoodat de Heidenen haar niet kenden en de philosophie haar gewoonlijk verwierp, om de wereld pantheistisch of materialistisch te verklaren.

3. Pantheisme en materialisme zijn echter beide onbekwaam, om ons den oorsprong der dingen te doen kennen.

4. De christelijke kerk hield zich dan ook aan de leer der H.S.,

5. en leerde eene schepping uit niets,

6. welke door God drieëenig, Vader, Zoon en Geest, tot stand was gebracht,

7. en bepaaldelijk den Zoon tot Middelaar heeft.

8. Zij had niet plaats in, maar viel saam met de schepping van den tijd,

9. en had haar oorzaak niet in Gods overvloeiende volheid van zijn noch in zijn armoede en behoefte,

10. maar in Gods wil, die daarbij de heerlijkheid van zijn naam beoogt.

11. Als product van Gods wil, is de wereld één geheel, dat de grootste verscheidenheid in zich bevat.


§ 30. De geestelijke wereld.

1. De geestelijke wereld omvat de wezens, die gewoonlijk den naam van engelen dragen. Hun bestaan wordt schier in alle godsdiensten aangenomen, maar is toch ook menigmaal verworpen;

2. wijsgeerig en historisch onbewijsbaar, is het voor de religie, schoon geen centraal dogma, toch van belang.

3. De Schrift heeft voor hen niet één gemeenschappelijken naam, maar noemt verschillende klassen.

4. Zij zijn echter daarin toch één, dat zij allen geschapene,

5. geestelijke, onlichamelijke,

6. redelijke,

7. zedelijke wezens zijn,

8. wezenlijk onderscheiden van den mensch, die beeld Gods is,

9. tot een buitengewonen en gewonen dienst in het koninkrijk der hemelen geroepen, die echter geen personeele bescherming en voorbede insluit,

10. en op geen godsdienstige vereering aanspraak geeft.


§ 31. De stoffelijke wereld.

1. De stoffelijke wereld blijft in haar oorsprong buiten de H.S. onverklaard,

2. maar ontstaat volgens Gen. 1 : 1 door schepping uit niets (creatio prima) en wordt in de zes dagen toebereid (creatio secunda),

3. waarbij eene bepaalde orde valt op te merken.

4. Dit hexaemeron werd in de christelijke theologie dikwerf uitvoerig behandeld en zonder bezwaar naar de heerschende wereldbeschouwing (ptolemaeisch, kopernikaansch) gewijzigd).

5. Maar de hypothese van Kant en Laplace,

6. alsmede die van de op de aardlagen gebouwde ontwikkelingsperioden der aarde zijn met de Schrift moeilijk overeen te brengen.

7. De pogingen tot verzoening kunnen niet geslaagd heeten,

8. al bevatten zij ook goede elementen.

9. Maar eene juiste opvatting van het scheppingsverhaal,

10. en eene zuivere schifting tusschen het zekere en het onzekere in de geologische wetenschap brengen toch eene voorloopige overeenstemming.


§ 32. De oorsprong van den mensch.

1. De oorsprong van den mensch is in het eerste en tweede scheppingsverhaal verschillend beschreven maar volgens beide verhalen aan Gods scheppende almacht te danken.

2. De christelijke kerk hield dezen goddelijken oorsprong van den mensch tegen alle materialistische, evolutionistische verklaring in vroeger en later tijd vast,

3. en vond daarin ook bij vele mannen van wetenschap, die het darwinisme bestreden, steun.

4. En voorts is tusschen de H.S. en de hedendaagsche wetenschap niet alleen de oorsprong van den mensch in geschil, maar ook de ouderdom,

5. de eenheid,

6. en de bakermat der menschheid.


§ 33. Het wezen van den mensch.

1. Het wezen van den mensch ligt volgens de H.S. daarin, dat hij beeld Gods is.

2. De inhoud van dit beeld werd in de christelijke kerk verschillend opgevat. Vooral kwamen er allengs twee opvattingen tegenover elkander te staan, de naturalistische,

3. die door historie, Schrift en gezonde redeneering gelijkelijk weersproken wordt,

4. en de supranaturalistische, die in de Roomsche leer van het donum superadditum tot ontwikkeling kwam,

5. maar op eene valsche conceptie van den mensch en van zijne bestemming berust.

6. De Hervorming leerde daarom, dat het beeld Gods wezenlijk eigen was aan den mensch,

7. niet als een substantie, maar als eene bij het wezen des menschen behoorende qualiteit.

8. De gansche mensch is toch beeld Gods, gelijk de Gereformeerden met hun onderscheiding van beeld Gods in ruimer en enger zin tegen de Lutherschen erkenden, naar ziel en geest, die geen twee substantiën zijn, en naar al hun vermogens,

9. naar de deugden van kennis, gerechtigheid en heiligheid (justitia originalis) en zelfs in zekeren zin naar het lichaam.

10. De menschelijke natuur is onder de werken der schepping de hoogste openbaring Gods.


§ 34. De bestemming van den mensch.

1. Adam, schoon Gods beeld, had volgens de H.S. terstond het hoogste nog niet en werd daarom in het verbond der werken geplaatst.

2. De christelijke theologie heeft deze waarheid niet ten volle erkend en Adams toestand beurtelings te laag of te hoog geschat. Maar de Gereformeerden hebben haar in de leer van het foedus operum opgenomen,

3. eene leer, die, schoon al te schoolsch ontwikkeld, toch eene diepe gedachte bevat, wijl zij de religie als gemeenschap met God handhaaft,

4. met Adams staat vóór den val ten volle rekening houdt,

5. den rijkdom van het beeld Gods eerst in het menschelijk geslacht zich ontvouwen laat,

6. en daarom ook verklaart, waarom Roomschen en Gereformeerden,

7. in onderscheiding van de Lutherschen, over het algemeen aanhangers van het creatianisme waren.




a. De tekst van de uitgebreide inhoudsopgave is afkomstig uit deel 4.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004