12. Het resultaat van dit onderzoek naar de leer der Schrift over zichzelve kan hierin worden samengevat, dat zij zichzelve houdt en uitgeeft voor het woord van God. De uitdrukking woord Gods of woord des Heeren heeft in de Schrift verschillende beteekenissen. Dikwerf wordt er door aangeduid de kracht Gods, waardoor Hij alle dingen schept en onderhoudt, Gen. 1 : 3; Ps. 33 : 6, 147 : 17, 18, 148 : 18; Rom. 4 : 17; Hebr. 1 : 3, 11 : 3. Vervolgens wordt zoo de bijzondere openbaring genoemd, waardoor God iets bekend maakt aan de profeten. In het O.T. komt de uitdrukking in dezen zin bijna op iedere bladzijde voor; telkens heet het daar: het woord des Heeren geschiedde. In het N.T. vinden we het in dezen zin alleen, Joh. 10 : 35; het woord |339| geschiedt nu niet meer en komt niet eene enkele maal van boven en van buiten tot de profeten, het is geschied in Christus en blijft. Verder beteekent woord Gods den inhoud der openbaring; dan is er sprake van woord of woorden Gods, naast rechten, wetten, geboden, inzettingen, welke aan Israel gegeven zijn, Ex. 9 : 20, 21; Richt. 3 : 20; Ps. 33 : 4, 119 : 9, 16, 17 enz. Jes. 40 : 8; Rom. 3 : 2 enz. In het N. Test. heet zoo het Evangelie, dat door God in Christus is geopenbaard en door de apostelen verkondigd werd, Luk. 5 : 1; Joh. 3 : 34, 5 : 24, 6 : 63, 17 : 8, 14, 17; Hd. 8 : 25, 13 : 7; 1 Thess. 2 : 13 enz. Niet onwaarschijnlijk is het, dat de naam woord Gods dan voorts in de Schrift eene enkele maal wordt gebruikt, om er de geschreven wet, dus een gedeelte der Schrift, mede aan te duiden, Ps. 119, 11, 105. Schultz, Grundriss der ev. Dogm. 4 f. In het N.T. laat zich zulke eene plaats niet aanwijzen. Ook Hebr. 4 : 12 is woord Gods niet gelijk de Schrift. Maar toch ziet het N.T. feitelijk in de boeken des O.V. niets anders dan het woord Gods. God, of de H. Geest is de auctor primarius, die door, dia c. gen., de profeten sprak in de Schrift, Hd. 1 : 16, 28 : 25. De Schrift heet dan zoo èn om haar oorsprong èn om haar inhoud. De formeele en materieele beteekenis der uitdrukking is in de Schrift ten nauwste verbonden. En eindelijk wordt de naam woord Gods gebezigd voor Christus zelven. Hij is de Logos in geheel eenigen zin, revelator en revelatio tegelijk. Alle openbaringen Gods, alle woorden Gods, in natuur en geschiedenis, in schepping en herschepping, onder O. en N.T. hebben in Hem hun grond, hun eenheid en middelpunt. Hij is de zon, de andere woorden Gods zijn zijne stralen. Het woord Gods in de natuur, onder Israel, in het N. Test., in de Schrift mag geen oogenblik van Hem worden losgemaakt en afgedacht. Er is alleen openbaring Gods, wijl Hij de Logos is. Hij is het principium cognoscendi, in algemeenen zin van alle wetenschap, in bijzonderen zin, als Logov nsarkov, van alle kennisse Gods, van religie en theologie, Mt. 11 : 27.






deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001