11. Voor de inspiratie des N.T. vinden wij in de schriften der apostelen de volgende gegevens: a) Jezus’ getuigenis geldt in heel het N.T. als goddelijk, waarachtig, onfeilbaar. Hij is de Logos, die den Vader verklaart, Joh. 1 : 18, 17 : 6; é martuv é pistov kai ‡ljqinov, Op. 1 : 5, 3 : 14; cf. Jes. 55 : 4, de Amen, in wien alle beloften Gods ja en amen zijn, Op. 3 : 14; 2 Cor. 1 : 20. Er is geen bedrog, dolov, in zijn mond geweest, 1 Petr. 2 : 22. Hij is de Apostel en Hoogepriester onzer belijdenis, Hebr. 3 : 1; 1 Tim. 6 : 13. Hij spreekt niet k twn ¸diwn, gelijk Satan die een leugenaar is, Joh. 8 : 44. Maar God spreekt door Hem, Hebr. 5 : 1. Jezus is door God gezonden, Joh. 8 : 42 en spreekt niets dan wat Hij gezien en gehoord heeft, Joh. 3 : 32. Hij spreekt de woorden Gods, Joh. 3 : 34, 17 : 8 en geeft alleen aan de waarheid getuigenis, 5 : 33, 18 : 37. Daarom is zijne getuigenis waarachtig, Joh. 8 : 14, 14 : 6, door de getuigenis van God zelven bevestigd, 5 : 32, 37, 8 : 18. Niet alleen is Jezus in ethischen zin heilig en zonder zonde, Joh. 8 : 46, maar Hij is ook intellectueel zonder dwaling, leugen of bedrog. Het is volkomen waar, dat Jezus zich in engeren zin niet bewogen heeft op het gebied der wetenschap. Hij kwam op aarde om ons den Vader te verklaren en zijn werk te volbrengen. Maar |334| de inspiratie der Schrift, waarover Jezus zich uitspreekt, is geen wetenschappelijk probleem maar een religieuse waarheid. Indien Hij hierin gedwaald heeft, heeft Hij zich vergist op een punt, dat ten nauwste samenhangt met het religieuse leven, en kan Hij ook in religie en theologie niet meer erkend worden als onze hoogste profeet. De leer van het goddelijk gezag der H. Schrift vormt een gewichtig bestanddeel in de woorden Gods, die Jezus verkondigd heeft. Deze onfeilbaarheid was bij Jezus echter geene buitengewone, bovennatuurlijke gave; geen donum gratiae en geen actus transiens; maar habitus, natuur. Indien Jezus iets geschreven had, zou Hij daarbij geene bijzondere assistentie des H.G. hebben noodig gehad. Hij had de inspiratie als eene buitengewone gave niet noodig, wijl Hij den Geest ontving niet met mate, Joh. 3 : 34, de Logos was, Joh. 1 : 1 en de volheid Gods lichamelijk in Hem woonde, Col. 1 : 19, 2 : 9. b) Jezus heeft ons echter niets in geschrifte nagelaten, en Hij zelf is heengegaan. Zoo moest Hij dan zorg dragen, dat zijne waarachtige getuigenis onvervalscht en zuiver aan de menschheid werd overgegeven. Daartoe kiest Hij de apostelen uit. Het apostolaat is een buitengewoon ambt en een gansch bijzondere dienst in Jezus’ gemeente. De apostelen zijn Hem bepaald door den Vader gegeven, Joh. 17 : 6, door Hemzelven uitverkoren, Joh. 6 : 70, 13 : 18, 15 : 16, 19 en op allerlei wijze door Hem voor hun toekomstige taak voorbereid en bekwaamd. Die taak bestond daarin, dat zij straks na Jezus’ heengaan, als getuigen moesten optreden, Luk. 24 : 48; Joh. 15 : 27. Zij waren oor- en ooggetuigen van Jezus’ woorden en werken geweest; zij hadden het woord des levens met de oogen aanschouwd en met de handen getast, 1 Joh. 1 : 1, en hadden nu deze getuigenis aangaande Jezus te brengen aan Israel en aan de geheele wereld, Mt. 28 : 19; Joh. 15 : 27, 17 : 20; Hd. 1 : 8. Maar alle mensch is leugenachtig, God alleen is waarachtig, Rom. 3 : 4. Ook de apostelen waren tot deze taak van getuigen onbekwaam. Zij waren dan ook de eigenlijke getuigen niet. Van hen bedient Jezus zich slechts als van instrumenten. De eigenlijke getuige, die trouw en waarachtig is als Hij zelf, is de H. Geest. Hij is de Geest der waarheid, en zal van Jezus getuigen, Joh. 15 : 26, en de apostelen kunnen eerst als getuigen optreden na en door Hem, Joh. 15 : 27. Die Geest wordt dan ook in bijzonderen zin aan de apostelen beloofd en geschonken, |335| Mt. 10 : 20; Joh. 14 : 26, 15 : 26, 16 : 7, 20 : 22. Vooral Joh. 14 : 26 leert dat duidelijk. De H. Geest Ãpomnjsei Ãmav panta ƒ e¸pon Ãmin. Hij zal de jongeren met hun personen en gaven, met hun herinnering en oordeel enz. in zijn dienst nemen. Hij zal aan de openbaring materieel niets nieuws toevoegen, wat niet reeds in Christus’ persoon, woord en werk besloten ligt, want Hij neemt alles uit Christus en maakt de apostelen in zooverre alleen indachtig en leidt hen op die wijze in al de waarheid, Joh. 14 : 26, 16 : 13, 14. En deze getuigenis des H. Geestes door den mond der apostelen is de verheerlijking van Jezus, Joh. 16 : 14, gelijk Jezus’ getuigenis eene verheerlijking was van den Vader, 17 : 4. c) Met dien Geest in bijzonderen zin toegerust, Joh. 20 : 22; Hd. 1 : 8; Ef. 3 : 5, treden de apostelen na den Pinksterdag ook openlijk als getuigen op, Hd. 1 : 8, 21, 22, 2 : 14, 32, 3 : 15, 4 : 8, 20, 33, 5 : 32, 10 : 39, 51, 13 : 31. In het getuigenis geven van wat zij gezien en gehoord hebben, ligt de beteekenis van het apostolaat. Daartoe zijn zij geroepen en bekwaamd. Daaraan ontlenen zij hun autoriteit. Daarop beroepen zij zich tegenover bestrijding en tegenstand. En God hecht weder aan hun getuigenis zijn zegel door teekenen enwonderen, en geestelijken zegen, Mt. 10 : 1, 9; Mk. 16 : 15 v.; Hd. 2 : 43, 3 : 2, 5 : 12-16, 6 : 8, 8 : 6 v., 10 : 44, 11 : 21, 14 : 3, 15 : 8, enz. De apostelen zijn van stonde aan, jure suo, de leiders der Jeruzalemsche gemeente, zij hebben opzicht over de geloovigen in Samaria, Hd. 8 : 14, bezoeken de gemeenten, Hd. 9 : 32, 11 : 22, nemen besluiten in den H. Geest, Hd. 15 : 22, 28, en genieten eene algemeen erkende autoriteit. Zij spreken en handelen krachtens de volmacht van Christus. En ofschoon Jezus nergens een expres bevel gaf om ook zijne woorden en daden op te teekenen — alleen in de Openb. is meermalen van een bevel tot schrijven sprake, 1 : 11, 19, enz. — de apostelen spreken in hun schrijven met dezelfde autoriteit; het schrijven is een bijzondere vorm van getuigen. Ook schrijvende, zijn zij getuigen van Christus, Luk. 1 : 2; Joh. 1 : 14, 19 : 35, 20 : 31, 21 : 24; 1 Joh. 1 : 1-4; 1 Petr. 1 : 12, 5 : 1; 2 Petr. 1 : 16; Hebr. 2 : 3; Op. 1 : 3, 22 : 18, 19. Hun getuigenis is getrouw en waarachtig, Joh. 19 : 35; 3 Joh. 12. d) Onder de apostelen staat Paulus weer op zichzelf. Hij ziet zich geroepen om tegen de Judaïsten zijn apostolaat te verdedigen, Gal. 1-2; 1 Cor. 1 : 10 - 4 : 21; |336| 2 Cor. 10-13. Hij handhaaft tegenover die bestrijding, dat hij van moeders lijf is afgezonderd, Gal. 1 : 14; door Jezus zelf tot apostel is geroepen, Gal. 1 : 1; Jezus zelf persoonlijk heeft gezien, 1 Cor. 9 : 1, 15 : 8; met openbaringen en gezichten verwaardigd werd, 2 Cor. 12; Hd. 26 : 16; van Jezus zelf zijn Evangelie ontvangen heeft, Gal. 1 : 12; 1 Tim. 1 : 12; Ef. 3 : 2-8, en dus evengoed als de andere apostelen een zelfstandig en betrouwbaar getuige is, vooral onder de Heidenen, Hd. 26 : 16; ook zijn apostolaat is bevestigd met wonderen en teekenen, 1 Cor. 12 : 10, 28; Rom. 12 : 4-8, 15 : 18, 19; 2 Cor. 11 : 23 v.; Gal. 3 : 5; Hebr. 2 : 4; en met geestelijke zegen, 1 Cor. 15 : 10; 2 Cor. 11 : 5, enz. Hij is zich daarom bewust, dat er geen ander evangelie is dan ’t zijne, Gal. 1 : 7; dat hij getrouw is, 1 Cor. 7 : 25; den Geest Gods heeft, 1 Cor. 7 : 40; dat Christus door hem spreekt, 2 Cor. 13 : 3; 1 Cor. 2 : 10, 16; 2 Cor. 2 : 17, 5 : 23; dat hij Gods woord verkondigt, 2 Cor. 2 : 17; 1 Thess. 2 : 13; tot zelfs in de uitdrukkingen en woorden toe, 1 Cor. 2 : 4, 10-13; en niet alleen als hij spreekt maar ook als hij schrijft, 1 Thess. 5 : 27; Col. 4 : 16; 2 Thess. 2 : 15, 3 : 14. Evenals de andere apostelen treedt Paulus meermalen met apostolische volmacht op, 1 Cor. 5; 2 Cor. 2 : 9, en geeft bindende bevelen, 1 Cor. 7 : 40; 1 Thess. 4 : 2, 11; 2 Thess. 3 : 6-14. En wel beroept hij zich eene enkele maal op het oordeel der gemeente, 1 Cor. 10 : 15, maar niet om zijne uitspraak aan haar goed- of afkeuring te onderwerpen, maar integendeel om door het geweten en het oordeel der gemeente, die immers ook den Geest Gods en de zalving van den Heilige heeft, 1 Joh. 2 : 20, gerechtvaardigd te worden. Zoo weinig maakt Paulus zich daarmede van het oordeel der gemeente afhankelijk, dat hij 1 Cor. 14 : 37 zegt, dat, indien iemand meent een profeet te zijn en den Geest te hebben, dit dan juist uitkomen zal in zijne erkentenis, dat hetgeen Paulus schrijft des Heeren geboden zijn. e) Deze geschriften van de apostelen hadden van stonde aan autoriteit in de gemeenten, waar ze bekend waren. Ze werden spoedig verbreid en kregen daardoor steeds uitgebreider gezag, Hd. 15 : 22 v.; Col. 4 : 16. De Synoptische Evangeliën toonen eene zoo groote verwantschap, dat het eene geheel of gedeeltelijk aan de andere bekend moet geweest zijn. Judas is aan Petrus bekend, en 2 Petr. 3 : 16 kent reeds vele brieven van Paulus en |337| stelt ze met de andere Schriften op ééne lijn. Langzamerhand kwamen er vertalingen van N.T. geschriften ter voorlezing in de gemeente, Just. M. Apol. 1 : 67. In de eerste helft der tweede eeuw moeten deze reeds hebben bestaan, Papias bij Euseb. H. E. 3 : 39. Just. M. Apol. 1 : 66, 67. Een dogmatisch gebruik wordt er al van gemaakt door Athenagoras, de resurr. c. 16, die daar zijne redeneering bewijst met 1 Cor. 15 : 33; 2 Cor. 5 : 10. En Theophilus, ad Autol. 3 : 4 haalt teksten uit Paulus aan met de formule, didaskei, keleuei é qeiov logov. Irenaeus adv. haer. 3, 11, Tert. ad Prax. 15 en anderen, de Peschitto en het fragment van Muratori stellen het boven allen twijfel vast, dat in de 2e helft der 2e eeuw de meeste geschriften van het N.T. kanonisch gezag hadden en met de boeken des O.V. eene gelijke digniteit genoten. Over sommige boeken, Jak., Jud., 2 Petr., 2 en 3 Joh. bleef er verschil bestaan, Euseb. H.E. 3 : 25. Maar de bedenkingen tegen deze antilegomena werden in de 3e eeuw steeds minder. En de Synode van Laodicea in 360, van Hippo Regius in 393, en van Carthago in 397 konden ook deze antilegomena opnemen en den kanon sluiten. Deze besluiten der kerk waren geen eigenmachtige en autoritaire handeling, maar slechts codificatie en registratie van het recht, dat ten aanzien van deze geschriften reeds lang in de gemeenten had bestaan. De kanon is niet gevormd door een besluit van concilien. Canon non uno quod dicunt actu ab hominibus, sed paulatim a Deo animorum temporumque rectore, productus est, Loescher bij Herzog2 7, 424. In den belangrijken strijd van Harnack en Zahn over de geschiedenis van den N.T. kanon legt Harnack ongetwijfeld te eenzijdig nadruk op de begrippen, Goddelijkheid, onfeilbaarheid, inspiratie, kanon, op de formeele vaststelling van het dogma der N.T. Schrift. Lang voordat dit in de 2e helft der 2e eeuw geschiedde, waren de N.T. geschriften door het gezag der apostelen, de voorlezing in de gemeente, enz. tot algemeen erkende autoriteit gekomen. Op dit innerlijk proces vestigt Zahn zeer terecht de aandacht. Verg. over dezen strijd Köppel, Stud. u. Krit. 1891, 1es Heft, en Barth, Neue Jahrb. f. d. Theol. 1893, 1es Heft. f.). Welke beginselen de gemeente, zoo onder het Oude als Nieuwe Testament, bij deze erkenning van de kanoniciteit der O. en N.T. geschriften hebben geleid, is met zekerheid niet uit te maken. De apostolische oorsprong kan den |338| doorslag niet hebben gegeven want ook Markus, Lukas en Hebr. zijn opgenomen. Evenmin heeft de erkenning der kanoniciteit haar grond in het feit, dat er geen andere geschriften aangaande Christus bestonden, want Luk. 1 : 1 maakt van vele andere gewag, en volgens Irenaeus adv. haer. 1 : 20 was er ‡muqjton pljqov ‡pokrufwn kai voqwn grafwn. Het beginsel der kanonvorming kan ook niet liggen in de grootte en belangrijkheid, want 2 en 3 Joh. zijn zeer klein; evenmin in de bekendheid der schrijvers, Markus en Lukas, met de apostelen, want brieven van Clemens en Barnabas werden niet opgenomen; en ook niet in de originaliteit, want Mattheus, Markus en Lukas; Efeze en Colosse; Judas en 2 Petr. zijn de een van den ander afhankelijk. Er kan niets anders van gezegd worden, dan dat de erkenning van deze geschriften zonder eenige afspraak, vanzelve in alle gemeenten plaats had. Op enkele uitzonderingen na, werden de O. en de N.T. geschriften terstond, van hun ontstaan af, in hun geheel, zonder een woord van twijfel of protest als heilige, goddelijke schriften aangenomen. De plaats en de tijd, waar hun het eerst gezag werd toegekend, is niet aan te wijzen. De kanoniciteit der Bijbelboeken wortelt in hun existentie. Zij hebben gezag van zichzelve, jure suo, omdat ze er zijn. Het is de Geest des Heeren, die leidde bij het schrijven en die ze in de gemeente tot erkenning bracht. Harnack, D.G. I 304 f. 318 f. Wildeboer, Het ontstaan v.d. Kanon des O.V. 107 v. Reuss, Gesch. des N.T. 298 f. Herzog2 art. Kanon. W. Lee, The Inspiration of holy Scripture, 3e ed. Dublin 1864 p. 43.






deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001