10. Deze kanon des Ouden Testaments bezat voor Jezus en de apostelen, evenals voor hunne tijdgenooten, goddelijke autoriteit. Dit blijkt duidelijk uit de volgende gegevens: a) de formule, waarmede het O.T. in het N. wordt aangehaald, is verschillend maar bewijst altijd, dat het O.T. voor de schrijvers van het N.T. van goddelijken oorsprong is en een goddelijk gezag draagt. Jezus haalt soms eene plaats uit het O.T. aan met den naam van den schrijver, bijv. van Mozes, Mt. 8 : 4, 19 : 8; Mk. 7 : 10; Joh. 5 : 45, 7 : 22; Jesaia, Mt. 15 : 7; Mk. 13 : 14; David, Mt. 22 : 43; Daniël, Mt. 24 : 15, maar citeert menigmaal ook met de formule: er staat geschreven, Mt. 4 : 4 v., 11 : 10; Luk. 10 vs. 26; Joh. 6 : 45, 8 : 47, of: de Schrift zegt, Mt. 21 : 42; Luk. 4 : 21; Joh. 7 : 38, 10 : 35, of ook naar dan auctor primarius, d. i. God of den H. Geest, Mt. 15 : 4, 22 : 43, 45, 24 : 15; Mk. 12 : 26. De Evangelisten bezigen dikwerf de uitdrukking: hetgeen gesproken is door den profeet, Mt. 1 : 22, 2 : 15, 17, 23, 3 : 3 enz. of door den Heere of door den H. Geest, Mt. 1 vs. 22, 2 : 15; Luk. 1 : 70; Hd. 1 : 16, 3 : 18, 4 : 25, 28 : 25. Johannes citeert gewoonlijk bij den auctor secundarius, cap. 1 : 23, 46, 12 : 38. Paulus spreekt altijd van de Schrift, Rom. 4 : 3, 9 : 17, 10 : 11, 11 : 2; Gal. 4 : 30; 1 Tim. 5 : 18 enz., die soms zelfs geheel persoonlijk wordt voorgesteld, Gal. 3 : 8, 22, 4 : 30; Rom. 9 : 17. De brief aan de Hebreën noemt meest God of den H. Geest als auctor primarius, 1 : 5 v., 3 : 7, 4 : 3, 5, 5 : 6, 7 : 21, 8 : 5, 8, 10 : 16, 30, 12 : 26, 13 : 5. Deze wijze van citeeren leert klaar en duidelijk, dat de Schrift des O.V. voor Jezus en de apostelen wel uit verschillende deelen samengesteld en van verschillende schrijvers afkomstig was, maar toch één organisch geheel vormde, dat God zelven tot auteur had. b) Meermalen wordt dit goddelijk gezag der O.T. Schrift door Jezus en de apostelen ook beslist uitgesproken en geleerd, Mt. 5 : 17; Luk. 16 : 17, 29; Joh. 10 : 35; Rom. 15 : 4; 1 Petr. 1 : 10-12; 2 Petr. 1 : 19, 21; 2 Tim. 3 : 16. De Schrift is eene eenheid, die noch in haar geheel noch in haar deelen gebroken en vernietigd kan worden. In den laatst aangehaalden tekst wordt |330| de vertaling: iedere theopneuste Schrift is ook nuttig, gedrukt door het bezwaar, dat dan achter ÷felimov het praedicaat stin niet had kunnen ontbreken, Hofmann, Weiss. u. Erf. I 43. De overzetting: iedere schrift, gansch in het algemeen, is theopneust en nuttig, wordt door den aard der zaak uitgesloten. Er blijft dus slechts keuze tusschen de beide vertalingen: de gansche Schrift, of: iedere Schrift, n.l. die in ta ³era grammata, vs. 15 begrepen is, is theopneust. Zakelijk geeft dit geen verschil, en met het oog op plaatsen als Mt. 2 : 3; Hd. 2 : 36; 2 Cor. 12 vs. 12; Ef. 1 : 8, 2 : 21, 3 : 15; Col. 4 : 12; 1 Petr. 1 : 15; Jak. 1 : 2 schijnt pav zonder artikel toch ook wel geheel te kunnen beteekenen. c) Nooit staan Jezus of de apostelen kritisch tegenover den inhoud van het O.T., maar zij aanvaarden dien geheel en zonder voorbehoud. In alle deelen, niet alleen in de religieus-ethische uitspraken of in die plaatsen, waarin God zelf spreekt, maar ook in haar historische bestanddeelen wordt de Schrift des O.T. onvoorwaardelijk door hen als waar en goddelijk erkend. Jezus houdt bijv. Jes. 54 voor afkomstig van Jesaia, Mt. 13 : 14; Ps. 110 van David, Mt. 22 : 43, de Mt. 24 : 15 aangehaalde profetie van Daniël, en schrijft de wet aan Mozes toe, Joh. 5 : 46. De historische verhalen des O.T. worden telkens aangehaald en onvoorwaardelijk geloofd, bijv. de schepping des menschen, Mt. 19 : 4, 5; Abels moord, Mt. 22 vs. 35; de zondvloed, Mt. 24 : 37-39; de geschiedenis der aartsvaders, Mt. 22 : 32, Joh. 8 : 56; de verwoesting van Sodom, Mt. 11 : 23, Luk. 17 : 28-33; de brandende braambosch, Luk. 20 : 37; de slang in de woestijn, Joh. 3 : 14; het manna, Joh. 6 : 32; de geschiedenis van Elia, Luk. 4 : 25, 26; Naäman, ib., Jona, Mt. 12 : 39-41 enz. d) Dogmatisch is het O.T. voor Jezus en de apostelen sedes doctrinae, fons solutionum, pasjv ‡ntilogiav perav. Het O.T. is vervuld in het Nieuwe. Het wordt meermalen zoo voorgesteld, alsof alles is geschied met het doel om de H. Schrift te vervullen, ³na pljrwqÛ to rjqen, Mt. 1 : 22 en passim, Mk. 14 : 49, 15 : 28; Luk. 4 : 2, 24 : 44; Joh. 13 : 18, 17 : 12, 19 : 24, 36; Hd. 1 : 16; Jak. 2 : 23 enz. Tot in kleine bijzonderheden toe wordt die vervulling opgemerkt, Mt. 21 : 16; Luk. 4 : 21, 22 : 37; Joh. 15 : 25, 17 : 12, 19 : 28 enz.; alwat aan Jezus is geschied, is tevoren in het O.T. beschreven, Luk. 18 : 31-33. Jezus en de apostelen rechtvaardigen |331| hun gedrag en bewijzen hunne leer telkens met een beroep op het O. Test., Mt. 12 : 3, 22 : 32; Joh. 10 : 34; Rom. 4; Gal. 3; 1 Cor. 15 enz. En deze goddelijke autoriteit der Schrift strekt zich zoo ver voor hen uit, dat zelfs een enkel woord, ja een tittel en jota daardoor gedekt wordt, Math. 5 : 17, 22 : 45; Luk. 16 : 17; Joh. 10 : 35; Gal. 3 : 16. e) Desniettemin wordt het O.T. in het N.T. doorgaans naar de grieksche vertaling der LXX geciteerd. De schrijvers van het N.T., schrijvende in het grieksch en voor grieksche lezers, gebruikten gemeenlijk de vertaling, die aan dezen bekend en voor hen toegankelijk was. De citaten kunnen naar hunne verhouding tot den Hebr. tekst en tot de grieksche vertaling in drie groepen worden verdeeld. In sommige teksten is er afwijking van de LXX en overeenstemming met den Hebr. tekst, b. v. Mt. 2 : 15, 18, 8 : 17, 12 : 18-21, 27 : 46; Joh. 19 : 37; Rom. 10 : 15, 16, 11 : 9; 1 Cor. 3 : 19, 15 : 54. In andere is er omgekeerd overeenstemming met de LXX en afwijking van het Hebr., bijv. Mt. 15 : 8, 9; Hd. 7 : 14, 15 : 16, 16; Ef. 4 : 8; Hebr. 10 : 5, 11 : 21, 12 : 6. In eene derde groep van citaten is er min of meer belangrijke afwijking beide van LXX en Hebr. tekst, bijv. Mt. 2 : 6, 3 : 3, 26 : 31; Joh. 12 : 15, 13 : 18; Rom. 10 : 6-9; 1 Cor. 2 : 9. Ook verdient het opmerking, dat sommige boeken des O. T. nl. Ezra, Neh., Ob., Nah., Zef., Esth., Pred. en Hoogl. nooit in het N. T. worden aangehaald; dat er wel geen apocriefe boeken worden geciteerd maar toch in 2 Tim. 3 : 8; Hebr. 11 : 34 v.; Judas 9 v. 14 v., namen en feiten worden vermeld, die in het O.T. niet voorkomen; en dat enkele malen ook grieksche klassieken worden aangehaald, Hd. 17 : 18; 1 Cor. 15 : 33; Tit. 1 : 12. f) Wat eindelijk het materieel gebruik van het O.T. in het N.T. aangaat, ook hierin is er groot verschil. Soms dienen de citaten tot bewijs en bevestiging van eenige waarheid, bijv. Mt. 4 : 4, 7, 10, 9 : 13, 19 : 5, 22 : 32; Joh. 10 : 34; Hd. 15 : 16, 23 : 5; Rom. 1 : 17, 3 : 10 v., 4 : 3, 7, 9 : 7, 12, 13, 15, 17, 10 : 5; Gal. 3 : 10, 4 : 30; 1 Cor. 9 : 9, 10 : 26; 2 Cor. 6 : 17. Zeer dikwijls wordt het O.T. aangehaald ten bewijze, dat het in het N.T. vervuld moest worden en vervuld is; hetzij in letterlijken zin, Mt. 1 : 23, 3 : 3, 4 : 15, 16, 8 : 17, 12 : 18, 13 : 14, 15, 21 : 42, 27 : 46; Mk. 15 : 28; Luk. 4 : 17 v.; Joh. 12 : 38; Hd. 2 : 17, 3 : 22, 7 : 37, 8 : 32, enz., hetzij in typischen zin, Mt. 11 : 14, 12 : 39 v., 17 : 11; |332| Luk. 1 : 17; Joh. 3 : 14, 19 : 36; 1 Cor. 5 : 7, 10 : 4; 2 Cor. 6 : 16; Gal. 3 : 13, 4 : 21; Hebr. 2 : 6-8, 7 : 1-10, enz. Meermalen dienen de citaten uit het O.T. eenvoudig tot opheldering, toelichting, vermaning, vertroosting, enz., bijv. Luk. 2 : 23; Joh. 7 : 38; Hd. 7 : 3, 42; Rom. 8 : 36; 1 Cor. 2 : 16, 10 : 7; 2 Cor. 4 : 13, 8 : 15, 13 : 1; Hebr. 12 : 5, 13 : 15; 1 Petr. 1 : 16, 24, 25, 2 : 9. Bij dat gebruik worden wij door den zin, dien de N. T. schrijvers in den tekst des O.T. vinden, menigmaal verrast; zoo vooral in Mt. 2 : 15, 18, 23, 21 : 5, 22 : 32, 26 : 31, 27 : 9, 10, 35; Joh. 19 : 37; Hd. 1 : 20, 2 : 31; 1 Cor. 9 : 9; Gal. 3 : 16, 4 : 22 v.; Ef. 4 : 8 v.; Hebr. 2 : 6-8, 10 : 5. Deze exegese van het O. in het N.T. onderstelt bij Jezus en de apostelen de gedachte, dat een woord of zin veel dieper beteekenis en veel verdere strekking kan hebben, dan de schrijver er bij vermoed of er in neergelegd heeft. Dit is ook meermalen bij klassieke schrijvers het geval. Niemand zal meenen, dat Goethe bij het neerschrijven van zijne klassieke poëzie dat alles voor den geest heeft gehad, wat er nu in gevonden wordt. Hamerling heeft in zijn Epilog an die Kritiker, Poet. Werke, Tiel Campagne I 142 f. dit duidelijk uitgesproken. Bij de Schrift is dit nog in veel sterker mate het geval, wijl zij naar de overtuiging van Jezus en zijne apostelen den H. Geest tot auctor primarius heeft en een teleologisch karakter draagt, cf. ook Valeton, Theol. Stud. 1887 aflev. 6. Theremin, Die Beredsamkeit eine Tugend S. 236. Niet in die enkele bovengenoemde plaatsen slechts, maar in heel de opvatting en uitlegging van het O. Test., wordt het N. Test. gedragen door de gedachte, dat het Israelietische zijne vervulling heeft in het Christelijke. De gansche oeconomie des O.V. met al hare instellingen en rechten en in heel haar geschiedenis wijst henen naar de bedeeling des N. Verbonds. Niet het Talmudisme, maar het Christendom is de rechtmatige erfgenaam van de schatten des heils, aan Abraham en zijn zaad beloofd. Litt. over het O.T. in het N.T., Glassius, Philologia Sacra, ed. 6a 1691. Surenhusius, Biblov katallagjv, in quo sec. vet. theol. hebr. formulas allegandi et modos interpretandi conciliantur loca V.T. in N.T. allegata, Amst. 1713. J. Hoffmann, Demonstr. evang. per ipsum scripturarum consensum in oraculis ex V.T. in N. allegatis, Tub. 1773-81. Th. Randolph, The prophecies and other texts cited in the New Test. |333| compared with the Hebr. Original and with the Sept. version, Oxf. 1782. Dr. H. Owen, The modes of quotation used by the evangelical writers explained and vindicated, Lond. 1821 II 356-463. C. Sepp, De leer des N.T. over de H. Schrift des O.V. 1849. Tholuck, Das A.T. im N. 6e Aufl. 1877. Rothe, Zur Dogm. 184 f. Hofmann, Weissagung und Erfüllung im alt. u. n. Test. 1841. E. Haupt, Die altt. Citate in den vier Evang. 1871. Kautzsch, De V.T. locis a Paulo allegatis, 1869. E. Böhl, Forschungen nach einer Volksbibel zur Zeit Jesu 1873. Id. Die altt. Citate im N.T. 1878. K. Walz, Die Lehre der Kirche von der Schrift nach der Schrift selbst geprüft, Leiden 1884. Kuenen, De Profeten II 199 v. Caven, Our Lords testimony to the Old Test. Presb. and Ref. Rev. July 1892. A. Clemen, Der Gebrauch des A.T. im N. 1893. Kuyper, Encycl. II 378 v. Hans Vollmer, Die altt. Citate bei Paulus usw. Freiburg 1895.






deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001