C. De inspiratie naar de Schrift.

9. Het Oude Testament levert voor de leer der inspiratie de volgende belangrijke momenten: a) de profeten weten zich in een bepaald oogenblik van hun leven door den Heere geroepen, Exod. 3; 1 Sam. 3; Jes. 6; Jer. 1; Ezech. 1-3; Am. 3 : 7, 8, 7 : 15. De roeping ging menigmaal in tegen hun eigen wensch en begeerte, Ex. 3; Jer. 20 : 7; Am. 3 : 8, maar Jahveh is hun te sterk geweest. De overtuiging onder Israel was algemeen, dat de profeten gezanten Gods waren, Jer. 26 : 5, 7 : 15, door Hem verwekt en gezonden, Jer. 29 : 15; Deut. 18 : 15; Num. 11 : 29; 2 Chron. 36 : 15, zijne knechten, 2 Kon. 17 : 23, 21 : 10, 24 : 2; Ezra 9 : 11; Ps. 105 : 15 enz., staande voor zijn aangezicht, 1 Kon. 17 : 1; 2 Kon. 3 : 14, 5 : 16. b) Zij zijn zich bewust, dat Jahveh tot hen gesproken heeft, en zij van Hem de openbaring hebben ontvangen. Hij leert hen, wat zij spreken zullen, Ex. 2 : 12; Deut. 18 : 18, legt de woorden in hun mond, Num. 22 : 38, 23 : 5; Deut. 18 : 18, spreekt tot hen, Hos. 1 : 2; Hab. 2 : 1; Zach. 1 : 9, 13, 2 : 2, 7, 4 : 1, 4, 11, 5 : 5, 10, 6 : 4; Num. 12 : 2, 8; 2 Sam. 23 : 2; 1 Kon. 22 : 28. Vooral wordt de formule gebruikt: alzoo zegt de Heere, of: het woord des Heeren geschiedde tot mij, of: woord, godspraak, £'n part. pass, het gesprokene van Jahveh. Heel de Oudtest. Schrift is vol van deze uitdrukking. Keer op keer wordt de profetische rede daardoor ingeleid. Zelfs wordt Jahveh telkens sprekende in den eersten persoon ingevoerd, Jos. 24 : 2; Jes. 1 : 1, 2, 8 : 1, 11; Jer. 1 vs. 2, 4, 11, 2 : 1, 7 : 1; Ezech. 1 : 3, 2 : 1; Hos. 1 : 1; Joël 1 : 1; Am. 2 : 1 enz. Eigenlijk is het Jahveh, die door hen spreekt, 2 Sam. 23 : 1, 2, die door hun mond spreekt, Ex. 4 : 12, 15; Num. 23 : 5, door hun dienst, Hagg. 1 : 1; 2 Kon. 17 : 13. Heel hun woord is gedekt door ’t gezag van Jahveh. c) Deze bewustheid is bij de profeten zoo klaar en vast, dat zij zelfs de plaats en den tijd aangeven, waar Jahveh tot hen sprak en onderscheid maken tusschen tijden, waarin Hij wel en waarin Hij niet tot hen sprak, Jes. 16 : 13, 14; Jer. 3 : 6; 13 : 3, 26 : 1, 27 : 1, 28 : 1, 33 : 1, 34 : 1, 35 : 1, 36 : 1, 49 : 34; Ezech. 3 : 16, 8 : 1, 12 : 8; Hagg. 1 : 1; Zach. 1 : 1 enz. En daarbij is die bewustheid zoo objectief, dat zij zichzelf duidelijk onderscheiden van Jahveh; |324| Hij spreekt tot hen, Jes. 8 : 1, 51 : 16, 59 : 21; Jer. 1 : 9, 3 : 6, 5 : 14; Ez. 3 : 26 enz., en zij luisteren met hun ooren en zien met hun oogen, Jes. 5 : 9, 6 : 8, 21 : 3, 10, 22 : 14, 28 : 22; Jer. 23 : 18, 49 : 14; Ezech. 2 : 8, 3 : 10, 17, 33 : 7, 40 : 4, 44 : 5; Hab. 3 : 2, 16; 2 Sam. 7 : 27; Job 33 : 16, 36 : 10, en nemen de woorden van Jahveh in zich op, Jer. 15 : 16; Ezech. 3 : 1-3. d) Vandaar dat zij eene scherpe tegenstelling maken tusschen wat God hun geopenbaard heeft en hetgeen er opkomt uit hun eigen hart, Num. 16 : 28, 24 : 13; 1 Kon. 12 : 33; Neh. 6 : 8; Ps. 41 : 6, 7. Zij leggen den valschen profeten juist ten laste, dat dezen spreken uit eigen hart, Ezech. 13 : 2, 3, 17; Jer. 14 : 14, 23 : 16, 26; Jes. 59 : 13, zonder gezonden te zijn, Jer. 14 : 14, 29 : 9; Ezech. 13 : 6, zoodat zij leugenprofeten, Jer. 23 : 32; Jes. 9 : 14; Jer. 14 : 14, 20 : 6, 23 : 21, 22, 26, 31, 36, 27 : 14; Ezech. 13 : 6 v.; Mich. 2 : 11; Zeph. 3 : 4; Zach. 10 : 2 en waarzeggers zijn, Jes. 3 : 2; Mich. 3 : 5 v. Zach. 10 : 2; Jer. 27 : 9, 29 : 8; Ezech. 13 : 9, 12, 21 : 26, 28, 34; Jes. 44 : 25. König II 163-167. Herzog2 16,726. e) De profeten zijn zich eindelijk bewust, sprekende of schrijvende, niet hun eigen woord maar het woord des Heeren te verkondigen. Trouwens, het woord werd hun niet geopenbaard voor henzelf, maar voor anderen. Zij hadden geene vrijgheid om het te verbergen. Zij moèten spreken, Jer. 20 : 7, 9; Exod. 3, 4; Ezech. 3; Amos 3 : 8; Jona, en spreken dus niet naar menschelijke gunst of berekening, Jes. 56 : 10; Mich. 3 : 5, 11. Daarom zijn zij juist profeten, sprekers in Jahvehs naam en van zijn woord. En daarbij weten zij dan, te moeten geven alwat zij ontvangen hebben, Deut. 4 : 2, 12 : 32; Jer. 1 : 7, 17, 26 : 2, 42 : 4; Ezech. 3 : 10. En uit een zelfden drang mag en moet ook het schrijven der profeten worden afgeleid. De letterlijke teksten, waar een bevel tot schrijven wordt gegeven, zijn weinige, Ex. 17 : 14, 24 : 3, 4, 34 : 27; Num. 33 : 2; Deut. 4 : 2, 12 : 32, 31 : 19; Jes. 8 : 1, 30 : 8; Jer. 25 : 13, 30 : 1, 36 : 2, 24, 27-32; Ezech. 24 : 1; Dan. 12 : 4; Hab. 2 : 2 en slaan maar op een zeer klein gedeelte der O.T. Schrift. Maar de schriftelijke opteekening is wel een later, maar toch noodzakelijk stadium in de geschiedenis van het profetisme. Vele profetieën zijn zeker nooit uitgesproken maar waren wel bestemd om gelezen en overdacht te worden. De meeste zijn met zorg, zelfs met kunst bewerkt en toonen reeds door hun vorm |325| voor het schrift bestemd te zijn. De opteekening der Godspraken werd geleid door de gedachte, dat Israël niet meer door daden te redden was, dat nu en in verre geslachten de dienst van Jahveh door woord en redelijke overtuiging ingang moest vinden, Kuenen, Prof. I 74, II 345 v. Zij gingen schrijven omdat zij zich richten wilden tot anderen, dan alleen degenen, die hen hooren konden. f) Tusschen het ontvangen en het gesproken of geschreven woord bestaat verschil. Er zou niets vernederends voor de profeten in liggen, indien zij het ontvangen woord zoo letterlijk mogelijk hadden opgeteekend. Maar de openbaring ging voort ook in ’t moment der theopneustie en wijzigde en voltooide de vroegere openbaring, en deze werd dus vrij gereproduceerd. Maar daarom juist eischen de profeten voor hun geschreven woord dezelfde autoriteit als voor ’t gesproken woord. Zelfs maken de tusschenredenen der profeten tusschen de eigenlijke woorden van Jahveh in, bv. Jes. 6, 10 : 24 - 12 : 6, 31 : 1-3, 32, of de uitwerking van een woord van Jahveh door de profeet, 52 : 7-12, 63 : 15 - 64 : 12 daarop geene uitzondering. De overgang van het woord van Jahveh in het woord van den profeet en omgekeerd is menigmaal zoo plotseling, en beide zijn zoo ineengestrengeld bijv. Jer. 13 : 18 v., dat scheiding niet mogelijk is. Zij hebben dezelfde autoriteit, Jer. 36 : 10, 11, 25 : 3. Jesaia noemt 34 : 16 zijne eigene opgeteekende profetieën het Boek van Jahveh. g) De profeten leiden hunne openbaring niet af uit de wet. Ofschoon uit hun geschriften de omvang der thora niet kan bepaald worden, toch onderstelt de profetie eene thora. Alle profeten staan op den grondslag eener wet, zij plaatsen zich met hun tegenstanders op eene gemeenschappelijke basis. Zij onderstellen allen een door God met Israel gesloten verbond, eene genadige verkiezing van Israel, Hos. 1 : 1-3, 6 : 7, 8 : 3; Jerem. 11 : 6 v., 14 : 21, 22 : 9, 31 : 31 v.; Ezech. 16 : 18 v.; Jes. 54 : 10, 56 : 4, 6, 59 : 21. De profeten zijn niet de scheppers van een nieuwen godsdienst, van een ethisch monotheïsme geweest, Kuenen, Prof. II 335 v. De verhouding van Jahveh tot Israel was nimmer gelijk aan die van Kamos tot Moab, Kuenen, Godsd. van Israel I 222. De profeten gewagen nooit van zulk eene tegenstelling tusschen hun religie en die des volks. Zij erkennen, dat het volk schier alle eeuwen door aan afgoderij zich schuldig heeft gemaakt; maar zij beschouwen dat altijd en eenparig als ontrouw en afval, zij gaan er van uit, dat het volk beter wist. Zij |326| knoopen met het volk aan dezelfde openbaring, aan dezelfde historie zich vast. Zij spreken uit de overtuiging, dat zij met het volk denzelfden dienst Gods gemeen hebben, dat Jahveh hen verkoren en geroepen heeft tot zijn dienst. Daarin vinden zij hun kracht, en daarom toetsen zij het volk aan de van rechtswege tusschen hen en Jahveh bestaande verhouding, Hos. 12 : 14; Mich. 6 : 4, 8; Jes. 63 : 11; Jer. 7 : 25 enz., König, Die Hauptprobleme der altisr. Religionsgeschichte 1884 S. 15 f. 38 f. De thora duidt niet alleen onderwijzing Gods in het algemeen aan, maar is meermalen ook de naam voor de reeds bestaande, objectieve openbaring van Jahveh, Jes. 2 : 3; Mich. 4 : 2; Am. 2 : 4; Hos. 8 : 1, 4 : 6; Jer. 18 : 18; Ezech. 7 : 26; Zeph. 3 : 4. Het verbond Gods met Israel, op welks grondslag de profeten met heel het volk staan, sluit vanzelf ook allerlei inzettingen en rechten in, en de profeten spreken daarom telkens van geboden, Jes. 48 : 18; Jer. 8 : 13, inzettingen Jes. 24 : 5; Jer. 44 : 10, 23; Ezech. 5 : 6, 7, 11 : 12, 20, 18 : 9, 17, 20 : 11 v., 36 : 27, 37 : 24; Am. 2 : 4; Zach. 1 : 6; Mal. 3 : 7; 4 : 4; rechten, Ezech. 5 : 7, 11 : 12 enz. Deze thora moet hebben bevat de leer van de eenheid van Jahveh, van zijne schepping en regeering aller dingen, het verbod der afgoderij, en andere godsdienstige en zedelijke geboden, en voorts ook allerlei ceremonieele (sabbat, offer, reinheid enz.) en historische (schepping, uittocht uit Egypte, bondssluiting enz.) bestanddeelen. Over den omvang der thora vóór het profetisme moge verschil kunnen bestaan, de verhouding van wet en profeten kan niet worden omgekeerd, zonder met heel de geschiedenis van Israel en het wezen van het profetisme in botsing te geraken. De profeet onder Israel was als het ware die lebendige Stimme des Gesetzes und der Vermittler seiner Erfüllung (Staudenmaier). De meest negatieve kritiek ziet zich gedwongen, om de persoonlijkheid van Mozes en zijn monotheisme, het verblijf in Egypte, den uittocht, de verovering van Kanaän enz. nog als historisch aan te nemen, ofschoon hun bij hunne kritiek van den Pentateuch alle grond daartoe ontbreekt, cf. bijv. Smend, Lehrb. der altt. Rel. S. 13 f. h) Het is apriori waarschijnlijk, dat bij een volk, zoo lang reeds met de schrijfkunst bekend, Herzog2 13, 689 f. de wet ook reeds lang in geschreven vorm zal hebben bestaan. In Hos. 8 : 12 schijnt dit ook uitgesproken te zijn, Bredenkamp, Gesetz und Proph. 21 f. König, Der Offenbarungsbegriff II 333 f. |327| Deze thora had van den aanvang af gezag onder Israel. Van twijfel of bestrijding is niets bekend. Mozes nam onder alle profeten eene geheel eenige plaats in, Ex. 33 : 11; Num. 12 : 6-8; Deut. 18 : 18; Ps. 103 : 7, 106 : 23; Jes. 63 : 11; Jer. 15 : 1 enz. Hij stond tot Jahveh in eene bijzondere relatie; de Heere sprak met hem als een vriend met zijn vriend. Hij was de Middelaar des O. Testaments. Overal schrijft de wet zich zelve een goddelijken oorsprong toe. Het is Jahveh, die door Mozes aan Israel de thora gegeven heeft. Niet alleen de tien woorden Ex. 20 en het Bondsboek Ex. 21-23; maar ook alle andere wetten worden uit een spreken Gods tot Mozes afgeleid. Elk oogenblik komt in de wetten van den Pentateuch de formule voor: de Heere zeide of sprak tot Mozes. Ieder hoofdstuk haast begint er mede, Ex. 25 : 1, 30 : 11, 17, 22, 31 : 1, 32 : 9 enz.; Lev. 1 : 1, 4 : 1, 6 : 1 enz.; Num. 1 : 1, 2 : 1, 3 : 44, 4 : 1 enz. En Deuteronomium wil niets geven dan wat Mozes tot de kinderen Israels gesproken heeft, Deut. 1 : 6, 2 : 1, 2, 17, 3 : 2, 5 : 2, 6 : 1 enz. i) De historische boeken des O.T. zijn alle door profeten en in profetischen geest geschreven, 1 Kron. 29 : 29; 2 Kron. 9 : 29, 20 : 34 enz. De profeten verwijzen in hunne toespraken en geschriften niet alleen herhaaldelijk naar Israels geschiedenis, maar zij zijn het ook, die deze bewaard, bewerkt en ons overgeleverd hebben. Maar zij bedoelen daarmede geenszins, om ons een getrouw en aaneengeschakeld verhaal te verschaffen van de lotgevallen van het Israelietische volk, gelijk andere geschiedschrijvers dat beoogen. De profeten stellen zich ook in de historische boeken des O.T. op den grondslag der thora en beschouwen en beschrijven van uit haar standpunt de geschiedenis van Israel, Richt. 2 : 6 - 3 : 6; 2 Kon. 17 : 7-23, 34-41. De historische boeken zijn de commentaar in feiten van het verbond Gods met Israel. Zij zijn geen geschiedenis in onzen zin maar profetie, en willen naar een anderen maatstaf beoordeeld zijn dan de geschiedboeken der andere volken. Het is hun niet daarom te doen, dat wij nauwkeurige kennis zouden verkrijgen van Israels geschiedenis, maar dat wij in de historie van Israel de openbaring Gods, zijne gedachte en zijn raad zouden verstaan. De profeten zijn altijd verkondigers van het woord van Jahveh, zoowel waar zij achterwaarts zien in de historie als wanneer zij vooruit blikken in de toekomst. j) Wat eindelijk de in engeren zin poëtische boeken betreft, die in den |328| kanon zijn opgenomen, deze dragen alle evenals de andere O.T. geschriften een religieus-ethisch karakter. Zij onderstellen de openbaring Gods als haar objectieven grondslag en laten de uitwerking en toepassing zien van die openbaring in de verschillende toestanden en verhoudingen van het menschelijk leven. De Prediker schetst de ijdelheid der wereld zonder en tegenover de vreeze des Heeren. Job houdt zich bezig met het probleem van de gerechtigheid Gods en het lijden der vromen. De Spreuken schilderen ons de ware wijsheid in hare toepassing op het rijke menschenleven. Het Hooglied bezingt de innigheid en de kracht der liefde. En de Psalmen doen in den spiegel van de ervaringen der vromen Gods menigvuldige genade ons zien. De lyrische en didactische poezie treedt onder Israel in den dienst van de openbaring Gods. Volgens 2 Sam. 23 : 1-3 sprak David, de liefelijke in zangen Israels, door den Geest van Jahveh en was diens woord op zijne tong. k) Naarmate de verschillende geschriften des O.T. ontstonden en bekend werden, werden zij ook als gezaghebbend erkend. De wetten van Jahveh werden in het heiligdom gelegd, Ex. 25 : 22, 38 : 21, 40 : 20; Deut. 31 : 9, 26; Jos. 24 : 25 v.; 1 Sam. 10 : 25. De dichterlijke voortbrengselen werden bewaard, Deut. 31 : 19; Jos. 10 : 13; 2 Sam. 1 : 18; de Psalmen werden reeds vroeg ten behoeve van den cultus verzameld, Ps. 72 : 20; van de Spreuken legden de mannen van Hizkia reeds eene tweede verzameling aan, Spr. 25 : 1. De profetieën werden veel gelezen, Ezechiel kent Jesaia en Jeremia, latere profeten beroepen zich op de voorafgaande. Daniel, cap. 9 : 2 kent reeds eene verzameling van profetische geschriften, waartoe ook Jeremia behoorde. In de na-exilische gemeente staat het gezag van wet en profetieën vast, gelijk uit Ezra, Haggai en Zacharia duidelijk blijkt. Jezus ben Sirach stelt wet en profeten zeer hoog, cap. 15 : 1-8, 24 : 23, 39 : 1 v.; cap. 44-49. In de voorrede maakt zijn kleinzoon gewag van drie deelen, waarin de Schrift is gesplitst. De LXX bevat verschillende apocriefe geschriften, maar deze getuigen zelve voor het gezag der kanonische boeken, 1 Makk. 2 : 50; 2 Makk. 6 : 23; Wijsh. 11 : 1, 18 : 4; Baruch 2 : 28; Tob. 1 : 6, 14 : 7; Jezus Sir. 1 : 5, 17 : 12, 24 : 23, 39 : 1, 46 : 15, 48 : 25 enz. Philo citeert alleen kanonische boeken. Het vierde boek van Ezra cap. 14 : 18-47 kent de indeeling in 24 boeken. Josephus, c. Ap. 1, 8, telt 22 boeken in drie deelen. Omnium consensu was |329| de Oudtestamentische kanon van Philo en Josephus aan den onzen gelijk, G. Wildeboer, Het ontstaan van den Kanon des O.V. 1889 bl. 126 v. 134. Strack in Herzog2 7, 429.






deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001