4. Wonderen. Gelijk de mensch, behalve door zijne verschijning en zijn woord, ook door zijne daden zich kennen doet, zoo openbaart zich God ook niet alleen door zijn woorden maar ook door zijne werken. Woord en daad staan in nauw verband. Gods woord is een daad, Ps. 33 : 9; en zijn doen is een spreken, Ps. 19 : 2, 29 : 3; Jes. 28 : 26. Beide, woord en daad, verzellen elkaar in schepping zoowel als in herschepping. Gemeenlijk gaat het woord vooraf, als belofte of als bedreiging, maar het bevat de daad als in kiem in zich. Zijn woord keert niet ledig weer, maar doet wat Hem behaagt, Jes. 55 : 10, 11. Het woord eischt de daad; |259| het wonder verzelt de profetie; niet alleen het bewustzijn, ook het zijn moet vernieuwd worden. De woorden, waarmede in de Schrift de daden, de werken Gods worden aangeduid, zijn verschillend. Naar hunne uitwendige verschijning zijn ze t'lpn Ex. 3 : 20, 34 : 10; Ps. 71 : 17; 'lp Ex. 15 : 11; Jes. 25 : 1, insignia, ingentia, of £ytpm Ex. 4 : 21, 7 : 19; Ps. 105 : 5, splendidum quid, beide gr. terata, iets bijzonders, ongewoons, dat van de gewone gebeurtenissen zich onderscheidt. Zij heeten trwbg Deut. 3 : 24; Ps. 21 : 14, 54 : 3, 66 : 7, dunameiv, £yWvm Ps. 8 : 7, 19 : 2, 103 : 22; Jes. 5 : 19 of tlylv Ps. 9 : 12, 77 : 13 rga megaleia, om de groote, goddelijke kracht, die er zich in openbaart. Vooral worden ze ook genoemd ttw' Ex. 3 : 12, 12 : 13, enz. omdat ze een bewijs en teeken zijn van de tegenwoordigheid Gods. Die werken Gods zijn allereerst op te merken in zijne schepping en onderhouding. Al Gods werken zijn wonderen. Ook de werken der natuur worden menigmaal in de Schrift met den naam van wonderen aangeduid, Ps. 77 : 13, 97 : 3, 98 : 1, 107 : 24, 139 : 14. Daaruit mag echter niet met Scholten, Supranaturalisme in verband met Bijbel, Christendom en Protestantisme Leiden 1867 bl. 9 v. worden afgeleid, dat de H. Schrift geen onderscheid kent tusschen natuur en wonder. Zeker, de gedachte, dat een wonder in strijd zou zijn met de wetten der natuur en dus onmogelijk zou wezen, komt niet op. Veeleer gaat heel de Schrift uit van het geloof, dat voor God niets te wonderlijk is, Gen. 18 : 14; Deut. 8 : 3 v.; Mt. 19 : 26. Maar daarom ontbreekt het niet aan eene onderscheiding tusschen de gewone orde der natuur en de buitengewone machtsdaden Gods. Het O. T. kent eene vaste orde der natuur, ordinantiën die voor hemel en aarde gelden, die vastliggen in het bestel des Heeren, Gen. 1 : 26, 28, 8 : 22; Ps. 104 : 5, 9, 119 : 90, 91, 148 : 6; Pred. 1 : 10; Job 38 : 10 v.; Jer. 5 : 24, 31 : 25 v., 33 : 20, 25. En het N.T. maakt een even duidelijk onderscheid, Mt. 8 : 27, 9 : 5, 24, 33, 13 : 54; Luk. 5 : 9, 7 : 16, 8 : 53; Joh. 3 : 2, 9 : 32, enz. Wonderen zijn een h'yrb eene schepping, iets nieuws, dat anders nooit gezien wordt, Ex. 34 : 10; Num. 16 : 30. De feiten, die in de H.S. als wonderen zijn vermeld, worden ook door ons nog als wonderen beschouwd; over de qualificatie dier feiten is er geen verschil, cf. Herzog2 17 : 360. Pierson, Gods wondermacht en ons geestelijk leven 1867 bl. 10 v. |260| Gloatz in Stud. u. Krit. 1886, 3tes Heft S. 403 f. W. Bender, Der Wunderbegriff des N. T. Frankf. 1871 S. 100 f. Schultz, Altt. Theol. 577 f. Voorts erkent de Schrift wel, dat ook buiten de openbaring ongewone krachten kunnen werken en ongewone dingen kunnen geschieden, Ex. 7 : 11, 22, 8 : 7, 18, 9 : 11; Mt. 24 : 24; Apoc. 13 : 13 v.; een teeken of wonder is op zichzelf dus niet genoeg tot verzegeling van een profeet, Deut. 13 : 1-3. Maar toch is het alleen Israels God, die wonderen doet, Ps. 72 : 18, 77 : 15, 86 : 10, 136 : 4. Soms brengt Hij die wonderen zelf rechtstreeks tot stand; soms bedient Hij zich van menschen of engelen. Maar altijd is het God, die ze doet. Zijne dunamiv wordt daarin openbaar, Luk. 5 : 17, 14 : 19; Mk. 7 : 34; Luk. 11 : 20; Joh. 3 : 2, 5 : 19 v., 10 : 25, 32; Hd. 2 : 22, 4 : 10. Het is de Geest des Heeren, die ze werkt, Mt. 12 : 28; Hd. 10 : 38.

De wonderen hebben hun aanvang en hun grondslag in de schepping en onderhouding aller dingen, welke een voortdurend werk en wonder Gods is, Ps. 33 : 6, 9; Joh. 5 : 17. Al wat geschiedt, heeft zijn laatsten grond in den wil en de macht van God. Niets kan Hem wederstaan. Hij doet met ’t heir des hemels naar zijn welbehagen, Jes. 55 : 8 v. Ps. 115 : 3. Deze macht en vrijheid Gods wordt gepredikt door de natuur, Jer. 5 : 22, 10 : 12, 14 : 22, 27 : 5; Jes. 40 : 12, 50 : 2, 3; Ps. 33 : 13-17, 104; Job 5: 9 v., 9 : 4 v., enz. maar komt vooral uit in de geschiedenis van zijn volk, Deut. 10 : 21, 11 : 3, 26 : 8, 29 : 2, 32 : 12 v.; Ps. 66 : 5 v., 74 : 13 v., 77 : 15 v., 78 : 4 v., 135 : 8 v.; Jes. 51 : 2, 9; Jer. 32 : 20 v.; Hd. 7 : 2 v. In deze geschiedenis treden vooral de wonderen op. Ze geschieden met verschillend doel. Nu eens, om de goddeloozen te straffen, Gen. 6 : 6 v., 11, 19; Ex. 5 v.; Lev. 10 : 1; Num. 11 : 30 v., 14 : 21, 16 : 1 v., 21 : 6, enz. Mt. 8 : 32, 21 : 19; Hd. 13 : 11, enz. Dan, om Gods volk te redden en te verlossen, om heil en genezing aan te brengen, zooals de plagen in Egypte, de doortocht door de Roode Zee, de wonderen in de woestijn, de genezingen van Jezus. Meermalen hebben zij ook de rechtstreeksche of zijdelingsche bedoeling, om de zending der profeten, de waarheid van hun woord, en alzoo het geloof aan hun getuigenis te bevestigen, Ex. 4 : 1-9; Deut. 13 : 1 v.; Richt. 6 : 37 v.; 1 Sam. 12 : 16 v.; 1 Kon. 17 : 24; 2 Kon. 1 : 10, 20 : 8; Jes. 7 : 11, enz.; Mt. 14 : 33; Luk. 5 : 24; Joh. 2 : 11, 3 : 2, 5 : 36, 6 : 14, |261| 7 : 31, 9 : 16, 10 : 38, 12 : 37; Hd. 2 : 22, 10 : 38, enz. Profetie en wondergave gaan samen. Al de profeten en ook de apostelen hebben het bewustzijn, wonderen te kunnen doen. Mozes is groot ook in zijne wonderen geweest, Ex. 5-15; Deut. 34 : 10-12. Zijne zonde bestond eenmaal in twijfel aan Gods wondermacht, Num. 20 : 10 v. Om Elia en Eliza groepeert zich een cyclus van wonderen, 1 Kon. 17 - 2 Kon. 13. Bij de latere profeten nemen de wonderen niet zoo groote plaats meer in. Dikwerf bedienen zij zich van zoogenaamde symbolische handelingen, om daarmede hunne profetie te bevestigen en als het ware aanvankelijk te realiseeren, 1 Kon. 11 : 29-39, 20 : 35 v., 22 : 11; Jes. 7 : 3, 8 : 1, 20 : 2 v., 21 : 6, 30 : 8; Jer. 13, 16, 18, 19, 25 : 15, 27, 28 : 10 v., 32 : 6, 43 : 8; Ezech. 4, 5, 6 : 11, 7 : 23, 12 : 3, 17 : 1; Hos. 1-3; Hd. 21 : 10 v., Schultz, Altt. Theol. 250 f. Smend, Lehrb. der altt. Rel. Gesch. 88. König, Der Offenbarungsbegriff II 111 f. Maar toch worden ook van hen nog wonderen verhaald en hebben ze de overtuiging, wonderen te kunnen doen, Jes. 7 : 11, 16 : 14, 21 : 16, 38 : 7 cf. 2 Kon. 20; Jer. 22 : 12, 30, 28 : 16, 29 : 22, 36 : 30, 37 : 7 v.; Dan. 1-6. Maar al die wonderen in het O. T. hebben niet bewerkt eene verheffing, eene vernieuwing der natuur. Zij hebben hunne werking gehad. Zij hebben de menschheid beurtelings gestraft en gezegend, en in ieder geval voor den ondergang bewaard. Ze hebben in Israel een eigen volk gecreëerd, uit de dienstbaarheid van Egypte verlost, voor de samenvloeiing met de Heidenen bewaard, en als volk Gods beschermd tegenover de neerdrukkende macht der natuur. Maar zij waren momentaan, gingen voorbij, verminderden in werking en weren vergeten. Het leven nam zijn gewoon verloop. De natuur scheen te zegepralen. Toen verhief de profetie hare stem en zij sprak, dat Israel niet onder kon gaan en vervloeien in ’t natuurleven der Heidenen. God zal op nieuw en in grootere heerlijkheid tot zijn volk komen. God zal zijn verbond niet vergeten, het is een eeuwig verbond, Ps. 89 : 1-5; Jes. 54 : 10. Met dat komen Gods gaat de oude tijd over in den nieuwen. Dat is het keerpunt in de wereldgeschiedenis. Het is de hwhy £y, de Dag des Heeren, waarop Hij zijn heerlijkheid openbaren en zijne wondermacht ten toon spreiden zal. God geeft dan wonderteekenen aan den hemel, Am. 8 : 8 v.; Joel 2 : 30. Heel de natuur, hemel en aarde, zullen bewogen |262| worden, Am. 9 : 5; Jes. 13 : 10, 13, 24 : 18-20, 34 : 1-5; Joel 2 : 2, 10, 3 : 15; Mich. 1 : 3 v.; Hab. 3 : 3 v.; Nah. 1 : 4 v.; Ezech. 31 : 15 v., 32 : 7 v., 38 : 19 v. Het gericht zal gaan over de goddeloozen, Jes. 24 : 16 v. enz. maar het zal ook louteren en bevrijden. God zal zijn volk redden door zijne wonderen, Jes. 9 : 3, 10 : 24 v., 11 : 15 v., 43 : 16-21, 52 : 10, 62 : 8. Hij doet wat nieuws op de aarde, Jes. 43 : 19, brengt Israel weer uit den dood, Ezech. 37 : 12-14, en doet het deelen in eene volheid van geestelijke en stoffelijke zegeningen. Vergeving der zonden, heiligheid, een nieuw verbond, Jes. 44 : 21-23, 43 : 25; Ezech. 36 : 25-28; Jer. 31 : 31 v.; Zach. 14 : 20, 21, maar ook vrede, veiligheid, welvaart zal zijn deel zijn. Zelfs de natuur zal veranderen in een paradijs, Hos. 2 : 17 v.; Joel 3 : 18; Jer. 31 : 6, 12-14; Jes. 11 : 6-8, 65 : 25; Ezech. 34 : 29, 36 : 29 v.; Zach. 8 : 12. Er komt een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden, Jes. 65 : 17, 66 : 22. Deze Jom Jhvh, deze 'bh £lv, a¸wn mellwn, in tegenstelling met den hzh £lv, a¸wn oÃtov, is naar de voorstelling der Schrift met het N. Test. aangebroken. De komst van Christus is het keerpunt der tijden. Een nieuwe wondercyclus groepeert zich om zijn persoon. Hij is zelf het absolute wonder, van boven neergedaald en toch de waarachtige, volkomene mensch. In Hem is in beginsel de schepping weer hersteld, uit haar val wederom opgeheven tot haar vroegere heerlijkheid. Zijne wonderen zijn sjmeia van de tegenwoordigheid Gods, bewijs van den Messiaanschen tijd, Mt. 11 : 3-5, 12 : 28; Luk. 13 : 16, een deel van zijn Messiaanschen arbeid. In Christus treedt eene goddelijke dunamiv op, die sterker is dan alle verdervende en verwoestende macht der zonde. Deze macht valt Hij aan, niet alleen in de peripherie, door ziekten en kwalen te genezen en allerlei wonderen te doen; maar Hij dringt tot in haar centrum door, breekt en overwint ze. Zijne menschwording en voldoening, zijne opstanding en hemelvaart zijn de groote verlossingsdaden Gods. Zij zijn de principieele herstelling van het rijk der heerlijkheid. Deze heilsfeiten zijn geen middelen alleen, om iets te openbaren, maar zij zijn de openbaring Gods zelve. Het wonder wordt hier tot historie, en de historie is zelve een wonder. De persoon en het werk van Christus is de centrale openbaring Gods; alle andere openbaring groepeert zich daar |263| omheen. Maar ook na Jezus’ heengaan zet zijne wondermacht in de discipelen zich voort, Mt. 10; Mk. 16 : 18; Luk. 8. En niet alleen in de Handelingen worden vele wonderen verhaald, 2 : 43, 3 : 5, 5 : 12-16, 6 : 8, 8 : 6, 7, 13, 9 : 34, 40, 13 : 11, 14 : 3, 16 : 18, 19 : 11, 20 : 10, 28 : 5, 8; maar ook Paulus legt getuigenis af van deze wondermacht der apostelen, Rom. 15 : 18, 19; 1 Cor. 12 : 9, 10; 2 Cor. 12 : 12; Gal. 3 : 5, cf. Hebr. 2 : 4. Een tijd lang zet deze wondermacht zich nog voort in de gemeente. Maar ze is opgehouden, als het Christendom gevestigd is en de kerk het voorwerp is, waarin God de wonderen zijner genade verheerlijkt, Aug. de civ. 22 : 8, de util. cred. 16, de vera relig. 25. De geestelijke wonderen zijn het, in welke God thans zijne macht en zijne heerlijkheid openbaart, Luther bij Köstlin, Luthers Theol. II 249 v. 341 v. Scholten, L.H.K. I 143. Toch wijst de Schrift heen naar eene toekomst, waarin het wonder op nieuw zijne werking zal doen. De a¸wn mellwn voleindt zich eerst in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont. Dan is het wonder geworden tot natuur. Ethos en physis zijn verzoend. Het koninkrijk Gods en het koninkrijk der wereld is een, Op. 21-22. Cf. Oehler, Theol. des A.T. 1882, S. 210 f. Schultz, Altt. Theol. 270 f. 534 f. 577 f. Smend, Lehrb. der Altt. Rel. Gesch. 88 f. W. Bender, Der Wunderbegriff des N. T. Frankfurt a/M. 1871. Ph. Schaff, Jezus Christus, het wonder der geschiedenis 1867. Neander, Gesch. der Pflanzung u. Leitung der Chr. K. 5e Aufl. 1862 S. 49 f. 154 f. 336 f. Tholuck, Vermischte Schriften, Hamb. 1839 I 28 f.






deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001