3. Profetie. Onder profetie verstaan wij de mededeeling Gods van zijne gedachten aan den mensch. Dikwerf wordt hiervoor de naam van inspiratie gebezigd; en in zooverre ook juister, als het begrip van profetie ruimer is dan dat van inspiratie en ook de verkondiging van die gedachten aan anderen omvat. Maar inspiratie is op grond van 2 Tim. 3 : 16 vooral van de beschreven openbaring gebruikelijk. En het woord profetie werd vroeger meermalen in onzen zin gebezigd, Thomas, S. Theol. II 2 qu. 171 art. 1. Het sluit ook in het ontvangen der gedachten van God, omdat een profeet alleen is, wie Gods woord verkondigt. En het doet beter dan inspiratie de bedoeling Gods uitkomen, waarmede Hij zijne gedachten meedeelt, n.l. dat de mensch zelf een profeet zij, een verkondiger van zijne deugden. De gedachten Gods nu, welke in de profetie worden medegedeeld, kunnen betrekking hebben op het verleden, gelijk in de historische boeken der Schrift of op het heden of op de toekomst. Maar altijd stelt de profetie de gedachten Gods tegenover die der menschen, zijne waarheid tegenover hun leugen, zijne wijsheid tegenover hun dwaasheid. Deze mededeeling van Gods gedachten aan den mensch kan volgens de Schrift plaats hebben op verschillende wijze. Soms spreekt God zelf op hoorbare wijze, in menschelijke stem |252| en taal, Gen. 2 : 16, 3 : 8-19, 4 : 6-16, 6 : 13, 9 : 1, 8 v., 32 : 26 v.; Ex. 19 : 9 v.; Num. 7 : 89; Deut. 5 : 4; 1 Sam. 3 : 3 v.; Mt. 3 : 17, 17 : 5; Joh. 12 : 28, 29. Op vele plaatsen wordt God sprekende voorgesteld, zonder nadere omschrijving van de wijze, waarop dat spreken heeft plaats gehad, uit- of inwending, in droom of visioen, enz. Het vertrouwelijkst karakter draagt dit spreken Gods bij Mozes, die niet verschrikt noch nedervalt als God tot hem spreekt, maar met wien God sprak van mond tot mond, en omging als een vriend met zijn vriend, Num. 12 : 6-8; Ex. 33 : 11, 34 : 29; Deut. 5 : 5, 18 : 15, 18; 2 Cor. 3 : 7; Gal. 3 : 19; Hebr. 3 : 5. Cf. Thomas S. Theol. II 2 qu. 174 art. 4. Witsius, de proph. I 7. Episcopius, Instit. Theol. III 2. De Joden spraken later van eene Bath-Kôl, eene hemelsche stem, waardoor God zich openbaarde; maar deze stond lager dan de vroegere profetie, en was gekomen nadat de geest der profetie had opgehouden, Weber, System der altsyn. pal. Theol. 187, Herzog2 2, 130. Maar dikwerf sluit God in de mededeeling zijner gedachten zich bij die lagere vormen aan, onder welke ook bij de Heidenen de goden gedacht werden hun wil bekend te maken. Er is dan in den vorm eene bijna volkomene overeenstemming. Daartoe behooren vooral het lot, de Urim en Thummim, de droom en het visioen. Het lot werd bij vele gelegenheden gebruikt, op den grooten verzoendag Lev. 16 : 9, bij verdeeling van het land, Jos. 13 : 6, 14 : 2 enz., Neh. 11 : 1; van de Levietensteden, Jos. 21 : 4; van buit Joel 3 : 3; Nah. 3 : 10; Ob. 11; van kleederen, Mt. 27 : 35; Joh. 19 : 23; bij beslissing in moeilijke gevallen, Jos. 7; 1 Sam. 14 : 42; Spr. 16 : 33, 18 : 18; Jon. 1 : 7; bij verkiezing tot een ambt, 1 Sam. 10 : 19; Hd. 1 : 26; 1 Chron. 24 : 5; Luk. 1 : 9, enz.; ook het Godsoordeel, Num. 5 : 11-31 kan hierbij gerekend worden, Herzog2 8, 762. De Urim en Thummim, LXX djlwsiv kai ‡ljqeia, Vulg. doctrina et veritas, licht en recht, komen 7 maal voor Ex. 28 : 30; Lev. 8 : 8; Num. 27 : 21; Deut. 33 : 8; 1 Sam. 28 : 6; Ezra 2 : 63; Neh. 7 : 65. De U. en Th. zijn niet met de 12 edele steenen op den borstlap des hoogepriesters identisch, gelijk Josephus Ant. III, 8, 9 en velen na hem meenen, maar waren volgens Ex. 28 : 30 en Lev. 8 : 8 voorwerpen, die in den borstlap verborgen werden, Philo, Vita Mosis 3. Maar hoe ze Gods wil deden kennen, door glinstering van de steenen, |253| door eene stem, door inspiratie, enz., en ook waarin ze bestonden, in twee steenen met het tetragrammaton, of in beeldjes, of in eene van edele gesteenten gemaakte halsketen, of in steenen om te loten, is geheel onbekend. De laatste meening heeft in den nieuweren tijd steun gekregen in den door Thenius 1842 naar de LXX veranderden tekst van 1 Sam. 14 : 41. De U. en Th. zouden dan loten geweest zijn met ja en neen en ook gebruikt zijn Richt. 1 : 1, 20 : 18; 1 Sam. 22 : 10, 15, 23 : 6, 9-11, 30 : 7 v.; 2 Sam. 2 : 1, 5 : 19, 23. Maar daarbij zijn antwoorden, niet van ja en neen, maar van lange omschrijving en uitweiding Richt. 20 : 27; 1 Sam. 30 : 7 v., 2 Sam. 5 : 23, 21 : 1; Richt. 1 : 1, 20 : 18; 2 Sam. 2 : 1, vooral 1 Sam. 10 : 22b; 2 Sam. 5 : 23; 1 Chron. 14 : 14, niet goed te verklaren. De U. en Th. behoorden echter zeker wel tot eene zelfde categorie van openbaring als het lot; zij komen vooral voor in den tijd van Salomo en schijnen dan plaats te maken voor de eigenlijke profetie. Cf. art. U. en Th. in Herzog2. Winer, Realwört. Riehm, Wörterb. Keil, Archaeol. 35. De Wette-Räbiger, Archaeol. S. 281 f. Oehler, Altt. Th. S. 334 f. Schultz, Altt. Th. 257 f. Dosker, Presbyt. and Ref. Rev. Oct. 1892 p. 717 etc.

Vervolgens komen droomen in de H. Schrift als openbaringsmiddel voor. Daarvoor werden zij in de gansche oudheid gehouden, Homerus, Od. 19 : 560 v. Il. 1 : 63, 2 : 22, 56. Aristoteles, peri tjv kaq Ãpnon mantikjv. Cicero, de divinatione 1 : 29. Philo, de somniis, enz. Herzog2 15 : 733. En nog wordt door velen groote waarde aan droomen gehecht, Splittgerber, Schlaf und Tod, 2e Aufl. 1881 I 66-205. Nu wist men ten allen tijde, dat droomen ook zeer bedriegelijk waren. Homerus Od. 19 : 560 v. Arist. t. a. p., en ook de H. S. wijst telkens op het ijdele der droomen Ps. 73 : 20; Job 20 : 8; Jes. 29 : 7; Pred. 5 : 2, 6; Sirach 31 : 1 v., 34 : 1 v.; en schrijft ze dikwerf aan de valsche profeten toe Jer. 23 : 25, 29 : 8; Mich. 3 : 6; Zach. 10 : 2. Maar toch bedient God zich telkens van droomen om zijn wil bekend te maken, Num. 12 : 6; Deut. 13 : 1-6; 1 Sam. 28 : 6, 15; Joel 2 : 28 v.; zij komen bij Israelieten, maar ook meermalen bij niet-Israelieten voor Gen. 20, 31, 40, 41; Richt. 7; Dan. 2, 4 en behelzen of een woord, eene mededeeling Gods, Gen. 20 : 3, 31 : 9, 24; Matth. 1 : 20, 2 : 12, 19, 22, 27 : 19; of een voorstelling der phantasie, die dan meermalen |254| verklaring behoeft Gen. 28. 37 : 5, 40 : 5, 41 : 15; Richt. 7 : 13; Dan. 2, 4. Litter. bij Herzog2 15 : 734. G.E.W. de Wijs, De droomen in en buiten den Bijbel 1858. Witsius, de proph. I cap. 5.

Met den droom is het visioen verwant Gen. 15 : 1, 11; 20 : 7; Num. 12 : 6. Reeds de namen h'r, hzx, 'ybn en misschien ook hpc waarmede de profeet genoemd wordt, Kuenen, De Profeten I 49, 51 v. 97. Id. Godsd. v. Isr. I 212. Id. Hist. Cr. Ond. II2 5 v. König, Der Offenbarungsbegriff I 71 f. Delitzsch, Genesis3 634. Schultz, Altt. Th. 239. Smend, Lehrb. 79 f., en de namen h'rm en ¤zx voor het profetisch gezicht duiden waarschijnlijk aan, dat het visioen een niet ongewoon middel der openbaring was. Maar deze woorden hebben dikwerf hunne oorspronkelijke beteekenis verloren en worden ook gebruikt, als er geen eigenlijk gezicht meer plaats heeft, 1 Sam. 3 : 15; Jes. 1 : 1; Ob. 1; Nah. 1 : 1, enz. Visioenen worden in de Schrift telkens vermeld en beschreven, van Genesis af tot in de Apoc. toe. Gen. 15 : 1, 46 : 2; Num. 12 : 6, 22 : 3, 24 : 3; 1 Kon. 22 : 17-23; Jes. 6, 21 : 6; Jer. 1 : [?11-14] 24; Ezech. 1-3, 8-11, 40; Dan. 1 : 17, 2 : 19, 7, 8, 10; Amos 7-9; Zach. 1-6; Matth. 2 : 13, 19; Luk. 1 : 22, 24 : 23; Hd. 7 : 55, 9 : 3, 10 : 3, 10, 16 : 9, 22 : 17, 26 : 19; 1 Cor. 12-14; 2 Cor. 12 : 1; Apoc. 1 : 10, enz. Het visioen was menigmaal van eene zekere geestvervoering vergezeld. Muziek, dans en extase gaan saam; profetie en poezie zijn verwant, 1 Sam. 10 : 5 v., 19 : 20-24; 2 Kon. 3 : 15; 1 Chr. 25 : 1, 25; 2 Chr. 29 : 30. Als de hand des Heeren op de profeten valt, Jes. 8 : 11; Ezech. 3 : 14, 11 : 5 of de Geest over en komt, geraken zij menigmaal in een toestand van verrukking, Num. 24 : 3; 2 Kon. 9 : 11; Jer. 29 : 26; Hos. 9 : 5, en vallen ter aarde, Num. 24 : 3, 15, 16; 1 Sam. 19 : 24; Ezech.1 : 28, 3 : 23, 43 : 3; Dan. 10 : 8-10; Hd. 9 : 4; Apoc. 1 : 17, 11 : 16, 22 : 8. In dien toestand worden hun de gedachten Gods in symbolischen vorm te zien of te hooren gegeven. In beelden en gezichten wordt hun zijn raad geopenbaard Jer. 1 : 13 v., 24 : 1 v.; Am. 7-9; Zach. 1-6; Apoc., enz.; vooral aangaande de toekomst, Num. 23 v.; 1 Kon. 22 : 17; 2 Kon. 5 : 26, 8 : 11 v.; Jer. 4 : 23 v., 14 : 18; Ezech. 8; Am. 7, enz Ook hooren zij in dien toestand allerlei stemmen en geluiden, 1 Kon. 18 : 41; 2 Kon. 6 : 32; Jes. 6 : 3, 8; Jer. 21 : 10, 49 : 14; Ezech. 1 : 24, 28, 2 : 2, 3 : 12; Apoc. 7 : 4, 9 : 16, 14 : 2, |255| 19 : 1, 21 : 3, 22 : 8, enz. Zelfs worden zij in den geest opgenomen en verplaatst, Ezech. 3 : 12 v., 8 : 3, 43 : 1; Dan 8 : 2; Matth. 4 : 5, 8; Hd. 9 : 10, 10 : 11, 22 : 17, 23 : 11, 27 : 23; 2 Cor. 12 : 2; Apoc. 1 : 9, 12, 4 : 1, 12 : 18. Daniel was na het ontvangen van een visioen eenige dagen krank, 7 : 28, 8 : 27. Toch was de extase waarin de ontvangers der openbaring menigmaal verkeerden, geen toestand, waarbij het bewustzijn geheel of gedeeltelijk was onderdrukt. Zoodanig was wel de toestand, waarin de grieksche manteiv hunne godspraken gaven, Tholuck, Die Propheten u. s. w. 64 f. En Philo, Quis rer. div. heres, Just. Martyr, Dial. c. Tryph. c. 135. Coh. ad Graecos c. 37. Athenagoras, Leg. pro Christ. c. 8. Tertul. adv. Marc. 4, 22 en in den nieuweren tijd Hengstenberg in de eerste uitgave zijner Christol. des A.T. III. 2. 158 f. hebben de extase der profeten alzoo opgevat. Maar dezen ontvangen visioenen niet in slapenden maar in wakenden toestand, niet alleen in de eenzaamheid, maar ook in anderer bijzijn, Ezech. 8 : 1. Onder het visioen blijven zij zichzelf bewust, zien, hooren, denken, spreken, vragen en antwoorden Ex. 4-6, 32 : 7 v.; Jes. 6; Jer. 1; Ezech. 4-6 enz. en later herinneren zij zich alles en deelen het nauwkeurig mede, König, Der Offenbarungsbegripff, I 160 f. II 83 f. Kuenen, De profeten 96 v. Oehler, Altt. Theol. 207 f. Orelli in Herzog2 16 : 724. Daarom werd de psychische gesteldheid der profeten onder het visioen door de meeste theologen gehouden voor eene zelfbewuste, geestelijke aanschouwing, voor eene alienatio mentis a sensibus corporis, en niet voor eene alienatio a mente; zoo o.a. door Orig. de princ. III, 3, 4, August. ad. Simplic. II qu. 1 Thomas, S. Theol. II 2 qu. 175. Witsius, de proph. I c. 4. Buddeus, Inst. theol. dogm. I, 2, 5, en in den nieuweren tijd door Hävernick en Keil in hunne inleiding op het O.T. Oehler, Altt. Theol. 210. Tholuck, Die Propheten S. 64 f. Kueper, Das Profetenthum des Alten Bundes S. 51 f. Orelli bij Herzog2 16, 724. König, Offenb. II 132 f. Alleen heeft König, ten einde de objectiviteit te handhaven, daaraan de eigenaardige meening toegevoegd, dat alle visioenen uitwendig, lichamelijk en zinnelijk waarneembaar waren. Inderdaad zijn vele verschijningen als Gen. 18, 32, Ex. 3, 19, enz. naar de bedoeling der schrijvers voor objectief te houden. Er is onderscheid tusschen theophanie en visioen. Maar toch zijn de bovengemelde |256| visioenen, 1 Kon. 22 : 17 v.; Jes. 6; Jer. 1; Ezech. 1-3; Dan.; Amos 7-9; Zach. 1-6, enz. zeker inwendig en geestelijk. Vele zijn van dien aard, dat ze niet zinnelijk voorstelbaar en waarneembaar zijn. König gaat te ver, als hij van het uitwendige der openbaring hare objectiviteit en waarheid laat afhangen, en geen inwerking van Gods Geest in den geest des menschen denken kan, dan door de uitwendige zintuigen heen. Hij vergeet dat er ook wel hallucinaties zijn van gezicht en gehoor, dat het uitwendige als zoodanig zelfbedrog nog niet buitensluit en dus de zekerheid der openbaring door haar uitwendig karakter alleen niet voldoende bewezen wordt, Orelli bij Herzog2 16 : 724 f. Kuenen H. C. O. II2 13. Van Leeuwen, Bijb. Godg. 62 v. Borchert, Die Visionen der Propheten, Stud. u. Krit. 1895, 2tes Heft.

Als laatste vorm der openbaring moet nog genoemd worden de inwendige verlichting. Hengstenberg, Christol. des A.T. III2 2 S. 158 cf. ook Kueper, Das Proph. 53 f. meende, dat de extase de gewone toestand was, waarin de profeet bij het ontvangen der openbaring verkeerde. Maar dit gevoelen is door velen, o.a. door Riehm, Mess. Weissagung2 S. 15 f. König, Der Off. begriff II 48 f. 83 f. 132 f. bestreden en thans algemeen verworpen. De extase is niet de regel, maar de uitzondering, Kuenen, Prof. I 98. H. C. O.2 II 11. De meeste openbaringen aan de profeten ook in ’t O.T. hadden plaats zonder eenig visioen, bijv. bij Jesaja, Hagg. Mal., Ob., Nah., Hab., Jerem., Ezech. Wel wordt dan voor de Godspraak nog dikwerf het woord „gezicht” gebezigd, maar dit geschiedt ook daar waar er niets wordt gezien Jes. 1 : 1, 2 : 1; Amos 1 : 1; Hab. 1 : 1, 2 : 1; 1 Sam. 3 : 15; Ob. 1; Nah. 1 : 1 enz. De openbaring geschiedt dan inwendig door den Geest, als Geest der openbaring. Wel heeft König, Der Off. I 104 f. 141 f. 155 f. beweerd, dat de Geest niet is principe der openbaring maar alleen principe der illuminatie, d. i. dat Jahveh openbaart maar de Geest slechts voor die openbaring subjectief ontvankelijk maakt; König kwam hiertoe, wijl hij ook daardoor de objectiviteit en uitwendigheid der openbaring handhaven wilde en den subjectieven Geest wilde binden aan ’t objectieve woord van Jahveh. Maar Num. 11 : 25-29; Deut. 34 : 9; 1 Sam. 10 : 6, 19 : 20 v.; 2 Sam. 23 : 2; 1 Kon. 22: 24; 1 Chron. 12 : 18, 28 : 12; 2 Chron. 15 : 1, 20 : 14 v., 24 : 20; Neh. 9 : 30; Jes. 11 : 1, 30 : 1, 42 : 1, 48 : 16, 59 : 21, 61 : 1, 63 : 10 v., Ezech. 2 : 2, |257| 3 : 24, 8 : 3, 11 : 5, 24; Micha 3 : 8; Hos. 9 : 7; Joël 2 : 28; Zach. 7 : 12 laten zich niet uitsluitend van eene formeele, subjectieve bekwaammaking des Geestes verstaan; zij leeren duidelijk, dat de profeten niet alleen door maar uit den Geest spraken, dat de profetie voortkwam uit den Geest in hen. Er was ook wel eene den profeet subjectief bekwaam makende werkzaamheid des Geestes, maar deze is niet de eenige; zij is niet van de andere openbarende werkzaamheid zoo streng te scheiden als König doet, zij is op Königs standpunt, waar de openbaring geheel uitwendig is, ook onnoodig, Kuenen H. C. O.2 14. En de leugengeest 1 Kon. 22 : 22 leert duidelijk, dat de Geest bron van ’t woord is, Herz.2 16 : 721. De Joodsche theologie zag in den Geest niet alleen de bron der verlichting, maar ook van de openbaring en profetie. Weber, System der altsyn. pal. Theol. 184-187. Het N. Test. verklaart even duidelijk, dat de O.T. profeten spraken uit en door den Geest Gods, Hd. 28 : 25; 1 Petr. 1 : 11; 2 Petr. 1 : 21. Wel echter is er onderscheid in de wijze, waarop de H. Geest in O. en N. T. de openbaring innerlijk meedeelt. Onder het O.T. daalt de H. Geest van boven en momentaan op iemand neer. Hij komt over de profeten, Num. 24 : 2; 1 Sam. 19 : 20, 23; 2 Chr. 15 : 1, 20 : 14; wordt vaardig over hen, Richt. 14 : 19, 15 : 14; 1 Sam. 10 : 6; valt op hen, Ez. 11 : 5; trekt hen aan als een kleed, Richt. 6 : 34; 1 Chr. 12 : 18; de hand, d.i. de kracht des Heeren grijpt hen aan, Jes. 8 : 11; Ez. 1 : 3, 3 : 22, 8 : 1, 37 : 1, 40 : 1. Tegenover deze werking des Geestes zijn de profeten dan ook meest passief; zij zwijgen, vallen ter aarde, ontzetten zich, en verkeeren voor een tijd in een abnormen, extatischen toestand. De Geest der profetie is nog niet het blijvend bezit van de profeten; er is nog scheiding en afstand tusschen beiden; en de stand der profeten staat nog afgezonderd tegenover het volk. Heel de profetie is nog onvolkomen. Zij ziet daarom ook vooruit en verwacht een profeet, op wien de Geest des Heeren rusten zal Deut. 18 : 18; Jes. 11 : 2, 61 : 1; ja zij voorspelt de vervulling van Mozes’ wensch, dat al het volk des Heeren profeten mochten zijn Num. 11 : 29; en getuigt van eene toekomstige woning van Gods Geest in alle kinderen des Heeren, Jes. 32 : 15, 44 : 3, 59 : 21; Joël 2 : 28; Ez. 11 : 19, 36 : 27, 39 : 29. In het N. T. verschijnt de hoogste, de eenige, de waarachtige profeet. Hij is als Logos de volle en voltooide openbaring Gods, |258| Joh. 1 : 1, 18, 14 : 9, 17 : 6; Col. 2 : 9. Hij ontvangt geen openbaring van boven of buiten, maar is zelf de bron der profetie. De H. Geest komt niet over Hem en valt niet op Hem neer. Hij woont in Hem zonder mate Joh. 3 : 34. Uit dien Geest is Hij ontvangen, door dien Geest spreekt, handelt, leeft en sterft Hij, Mt. 3 : 16, 12 : 28; Luk. 1 : 17, 2 : 27, 4 : 1, 14, 18; Rom. 1 : 4; Hebr. 9 : 14. En dien Geest schenkt Hij aan zijne discipelen, niet alleen als Geest der wedergeboorte en heiliging maar ook als Geest der openbaring en verlichting, Mk. 13 : 11; Luk. 12 : 12; Joh. 14 : 17, 15 : 26, 16 : 13, 20 : 22; Hd. 2 : 4, 6 : 10, 8 : 29, 10 : 19, 11 : 12, 13 : 2, 18 : 5, 21 : 4; 1 Cor. 2 : 12 v.; 12 : 7-11. Door dien Geest worden nog wel bijzondere personen bekwaamd tot het ambt van profeet, Rom. 12 : 7; 1 Cor. 14 : 3; Ef. 2 : 20, 3 : 5 enz. Ook de eigenlijke voorspelling ontbreekt in ’t N. T. niet, Mt. 24; Hd. 20 : 23, 21 : 8; 1 Cor. 15; 2 Thess. 2. Apoc. Maar alle geloovigen zijn toch de zalving des Geestes deelachtig, 1 Joh. 2 : 20; en zijn van den Heere geleerd, Mt. 11 : 25-27; Joh. 6 : 45. Allen zijn profeten, die de deugden des Heeren verkondigen, Hd. 2 : 17 v.; 1 Petr. 2 : 9. De profetie als eene bijzondere gave zal te niet gedaan worden, 1 Cor. 13 : 8. In het nieuwe Jeruzalem zal de naam Gods op aller voorhoofden zijn. De leugen is er volkomen buitengesloten, Apoc. 21 : 27, 22 : 4, 15. Litteratuur over de profeten en de profetie bij Schultz, Altt. Theol. 4e Aufl. 213 f.; en verder König, Der Offenbarungsbegriff des A. T. Leipzig, Hinrichs 1882. Kuenen, Hist. crit. Onderzoek, 2e uitg. 1889 II bl. 1 v. Smend, Lehrbuch der altt. Religionsgesch. 1893 S. 79 f. Kuyper, Encycl. II 362 v. 429 v. C.H. Cornill, Der israel. Prophetismus, Strassburg 1894.






deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001