2. Theophanie (Angelophanie, Christophanie). Meermalen is er in de H. Schrift sprake van eene verschijning Gods; soms zonder eenige nadere omschrijving, Gen. 12 : 7, 17 : 1, 22, 26 : 2, 24, 35 : 9; Ex. 6 : 2. cf. ook Gen. 11 : 5; Ex. 4 : 24, 12 : 12, 23, 17 : 6; Num. 23 : 4, 16; 1 Sam. 3 : 21; 2 Sam. 5 : 24; maar elders in den droom, Gen. 20 : 3, 28 : 12 v. 31 : 24; 1 Kon. 3 : 5, 9 : 2; of ook in het profetisch visioen, 1 Kon. 22 : 19 v. Jes. 6. Ezech. 1 : 4 v., 3 : 12 v., 8 : 4 v., 10 : 1 v., 43 : 2 v., 44 : 4; Am. 7 : 7, 9 : 1; Dan. 7 : 9 v. Luk. 2 : 9; 2 Petr. 1 : 17; en menigvuldiger nog in wolken van rook |249| en vuur als teekenen van zijne tegenwoordigheid; zoo aan Abraham, Gen. 15 : 17 v., aan Mozes, Ex. 3 : 2, 33 : 18 v., op Sinaï, Ex. 19 : 9, 16 v., 24 : 16, cf. vs. 9-11, Deut. 5 : 23, 9 : 15; Hebr. 12 : 28, over het volk, Ex. 13 : 21 v., 14 : 19-24, 40 : 38; Num. 9 : 21, 14 : 14; Deut. 1 : 33; Neh. 9 : 12, 19; Ps. 78 : 14, boven den tabernakel, Ex. 33 : 9, 40 : 34 v. Lev. 9 : 23; Num. 9 : 15-23, 11 : 17, 25, 12 : 5, 17 : 7, 20 : 6; Deut. 31 : 15; Ps. 99 : 7; Jes. 4 : 5, en in het heilige der heiligen Ex. 25 : 8, 22, 29 : 45, 46; Lev. 16 : 2, 26 : 11, 12; Num. 7 : 89, cf. ook nog aan Elia 1 Kon. 19 : 11 v. Deze verschijningen onderstellen geene lichamelijkheid Gods, Ex. 20 : 4, 33 : 20; Deut. 4 : 12, 15, maar zijn zinnelijk waarneembare teekenen, waardoor zijne tegenwoordigheid kenbaar wordt, gelijk ook de H. Geest op den Pinksterdag zich kenbaar maakt door wind en vuur. Er is daarbij ook niet te denken aan eene emanatie van deze wolk uit het goddelijk Wezen, maar aan eene in creatuurlijke vormen zich openbarende tegenwoordigheid Gods. In die teekenen wordt de goddelijke heerlijkheid, dbk, doxa openbaar, Ex. 16 : 10, 24 : 17; Lev. 9 : 6, 23, 24; Num. 14 : 10, 16 : 19, 20 : 6; en daarom wordt die heerlijkheid ook beschreven als een verterend vuur Ex. 24 : 17; Lev. 9 : 23, 24 en als eene wolk 1 Kon. 8 : 10, 11; Jes. 6 : 4. Maar God verschijnt niet alleen in onpersoonlijke teekenen; ook in persoonlijke wezens bezoekt Hij zijn volk. Omgeven en gediend door vele duizenden Engelen Jes. 6 : 2, 6, zendt Hij dezen in menschelijke gedaante naar deze aarde heen, om zijn woord en wil bekend te maken. Zij komen reeds voor in Gen. 18, 19, 28 : 12, 32 : 1, 2; Deut. 33 : 2; Job 33 : 23; 1 Kon. 13 : 18 en hebben volgens Hd. 7 : 53; Gal. 3 : 19 ook bij de wetgeving gediend, maar zijn middelaars der openbaring vooral na de Ballingschap, Dan. 8 : 13, 9 : 21, 10 : 5; Zach. 1 : 7 - 6 : 5. Nog vaker treden ze op in het N. Test.; ze zijn tegenwoordig bij de geboorte van Jezus, Mt. 1 : 20, 2 : 13, 19; Luk. 1 : 11, 2 : 9, telkens in zijn leven, Joh. 1 : 52; Mt. 4 : 6, bij zijn lijden, Mt. 26 : 53; Luk. 22 : 43, bij zijne opstanding en hemelvaart, Mt. 28 : 2, 5; Luk. 24 : 23; Joh. 20 : 12; Hd. 1 : 10. In de geschiedenis der apostelen komen ze meermalen voor Hd. 5 : 19, 8 : 26, 10 : 3, 11 : 13, 12 : 7, 23 : 9, 27 : 23; Apoc. 22 : 6, 16. En bij zijne wederkomst wordt Christus door de Engelen vergezeld Mt. 16 : 27, 25 : 31; Mk. 8 : 38; Luk. 9 : 26; 1 Thess. 3 : 13 enz. |250| Onder al deze gezanten Gods neemt de hwhy ª'lm eene bijzondere plaats in. Hij verschijnt aan Hagar, Gen. 16 : 6-13, 21 : 17-20; aan Abraham, Gen. 18, 19, 22, 24 : 7, 40; aan Jakob, Gen. 28 : 13-17, 31 : 11-13, 32 : 24-30 cf. Hos. 12 : 4; Gen. 48 : 15, 16; aan en ten tijde van Mozes, Ex. 3 : 2 v., 13 : 21, 14 : 19, 23 : 20-23, 32 : 34, 33 : 2 v. cf. Num. 20 : 16; Jes. 63 : 8, 9, en voorts nog Jos. 5 : 13, 14; Richt. 6 : 11-24, 13 : 2-23. Deze Malak Jhvh is geen onzelfstandig symbool, noch ook een geschapen engel, maar eene persoonlijke adaequate openbaring en verschijning Gods, van Hem onderscheiden, Ex. 23 : 20-23, 33 : 14 v.; Jes. 63 : 8, 9, en toch met Hem één in naam Gen. 16 : 13, 31 : 13, 32 : 28, 30, 48 : 15, 16; Ex. 3 : 2 v., 23 : 21; Richt. 13 : 1, 2; in macht Gen. 16 : 10, 11, 21 : 18, 18 : 14, 18; Ex. 14 : 21; Richt. 6 : 21; in verlossing en zegening, Gen. 48 : 16; Ex. 3 : 8, 23 : 20; Jes. 63 : 8, 9; in aanbidding en eere, Gen. 18 : 3, 22 : 12; Ex. 23 : 21. Na de verlossing uit Egypte treedt de Malak Jhvh terug. God woont onder zijn volk in den tempel 1 Kon. 8 : 10 v.; 2 Chron. 7 : 1 v.; Ps. 68 : 17, 74 : 2, 132 : 13 v., 135 : 21. Daarheen gaat het zielsverlangen van Israels vromen uit, Ps. 27 : 4, 42, 43, 48, 50, 63 : 3, 65, 84, 122, 137. Maar deze theophanie is onvolkomen. God woont niet in een huis met handen gemaakt 1 Kon. 8 : 27; Jer. 7 : 4; Mich. 3 : 11; Hd. 7 : 48, 17 : 24. In het heilige der heiligen mocht slechts de hoogepriester eenmaal ’s jaars ingaan. De theophanie bereikt in het O. T. nog niet haar eind en haar doel. Daarom wordt er nog eene andere en heerlijker komst van God tot zijn volk verwacht, zoowel tot verlossing als tot gericht, Ps. 50 : 3, 96 : 13; Jes. 2 : 21, 30 : 27, 40 v. passim. Mich. 1 : 3, 4 : 7; Zeph. 3 : 8; Joel 3 : 17; Zach. 2 : 10 v.; 14 : 9. De Engel des verbonds treedt wederom op in de profetie Zach. 1 : 8-12, 3; en zal komen tot zijnen tempel Mal. 3 : 1. De theophanie bereikt haar hoogtepunt in Christus, die de ‡ggelov, doxa, e¸kwn, logov, u³ov tou qeou is, in wien God ten volle is geopenbaard en ten volle geschonken, Mt. 11 : 27; Joh. 1 : 14; 14 : 9; Col. 1 : 15, 2 : 19, enz. Door Hem en den Geest, dien Hij uitzendt, wordt het wonen Gods onder en in zijn volk reeds nu waarachtige, geestelijke realiteit Joh. 14 : 23; Rom. 8 : 9, 11; 2 Cor. 6 : 16. De gemeente is het huis Gods, de tempel des H. Geestes, Mt. 18 : 20; 1 Cor. 3 : 16, 6 : 19; |251| Ef. 2 : 21. Maar ook deze inwonning Gods in de gemeente van Christus is nog niet het laatste en het hoogste. Zij bereikt haar volle verwezenlijking eerst in het nieuwe Jeruzalem. Dan is de tabernakel Gods bij de menschen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volk zijn en God zelf zal bij hen en hun God zijn. Zij zullen zijn aangezicht zien en zijn naam zal op hunne voorhoofden wezen, Mt. 5 : 8; 1 Cor. 15 :28; 1 Joh. 3 : 2; Openb. 21 : 3; 22 : 4. Cf. art. Theophanie en Schechina in Herzog2. Art. Wolken- u. Feuersäule in Winer, Bibl. Realwört. Trip, Die Theophanieen in den Geschichtsbüchern des A. T. Leiden 1858 en de daar aangehaalde litt. Schultz, Altt. Theol. 4e Aufl. 1889 S. 507 f. Oehler, Altt. Theol. 2te Aufl. 1882 S. 195 f. Smend, Lehrb. der altt. Religionsgeschichte 1893 S. 42 f. Weber, System der altsynag. palästin. Theologie, Leipzig 1880 S. 179 f. Cremer, Wörterb. s.v. doxa. Delitzsch, Bibl. Psychol. 2e Aufl. 1861 S. 49 f. Keerl, Die Lehre des N. T. von der Herrlichkeit Gottes, Basel 1863. Van Leeuwen, Bijb. Godg. 72 v.






deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001