10. Bijzondere Openbaring.


A. Middelen der bijzondere openbaring.

1. De historie leert, dat geen enkele religie aan de algemeene openbaring genoeg heeft. Ook de christelijke religie beroept zich op eene bijzondere openbaring. De Schrift is het boek der revelatio specialis. De woorden, waarmede zij het begrip der openbaring uitdrukt, zijn voornamelijk deze: hlg ontdekken, ni. ontdekt worden, zich vertoonen, verschijnen, geopenbaard worden, Gen. 35 : 7; 1 Sam. 2 : 27, 3 : 21; Jes. 53 : 1, 56 : 1; Hos. 7 : 1, enz. h'r zien, ni. gezien worden, zich vertoonen, schijnen, Gen. 12 : 7, 17 : 1, 18 : 1, enz; vdy kennen, ni. pi. hi. hithp. bekend maken, onderwijzen, Num. 12 : 6; pifainein verschijnen Luk. 1 : 79; Tit. 2 : 11; subst. pifania, verschijning, vooral van Christus in zijne wederkomst 2 Thess. 2 : 8; 1 Tim. 6 : 14; 2 Tim. 4 : 1; Tit. 2 : 13; 2 Tim. 1 : 10 van Christus’ eerste komst; mfanizein openbaar, zichtbaar maken, pass. zich vertoonen, verschijnen Mt. 27 : 53; Joh. 14 : 21, 22; gnwrizein bekend maken Luk. 2 : 15; Rom. 9 : 22; Ef. 3 : 3, 5, 10; djloun bekend maken 1 Petr. 1 : 11; 2 Petr. 1 : 14; deiknunai toonen Joh. 5 : 20; lalein spreken Hebr. 1 : 1, 2 : 2, 5 : 5; vooral ook ‡pokaluptein en faneroun. Beide woorden zijn niet te onderscheiden als subjectieve, inwendige verlichting en objectieve, uitwendige vertooning of openbaarmaking, gelijk Scholten, L. H. K. 4e dr. I 165 v. 299. Dogm. Christ. Initia I 26 sq. meende; want ‡pokaluptein wordt meermalen van objectieve openbaring gebezigd Luk. 17 : 30; Rom. 1 : 17, 18, 8 : 18; Ef. 3 : 5; 2 Thess. 2 : 3, 6, 8; 1 Petr. 1 : 5, 5 : 1. Ook ligt het onderscheid niet daarin, dat faneroun de algemeene openbaring Gods in de natuur, en ‡pokaluptein de bijzondere openbaring der genade aanduidt, Neander, Gesch. der Pflanzung und Leitung der christl. Kirche |245| durch die Apostel, 5te Aufl. Gotha, Perthes 1862 S. 131 f. want faneroun wordt menigmaal van de bijzondere openbaring gebezigd Joh. 17 : 6; Rom. 16 : 26; Col. 1 : 26; 1 Tim. 3 : 16; 2 Tim. 1 : 10, enz.; en ‡pokaluptein komt Rom. 1 : 18 ook van de algemeene openbaring voor. Een constant verschil in het gebruik van beide woorden laat zich in het N.T. moeilijk aanwijzen. Maar etymologisch geeft ‡pokaluptein te kennen het wegnemen van het bedeksel, waardoor een voorwerp verborgen was, en faneroun het openbaar maken van eene zaak, die verborgen of onbekend was. Bij het eerste valt daarom de nadruk op het uit den weg ruimen van de verhindering, die het kennen van het verborgene belette; op het mysterieus karakter van datgene, hetwelk tot dusver niet ingezien werd; en op de goddelijke daad, die dat deksel wegnam en het mysterie deed verstaan. Het tweede woord wijst in het algemeen aan, dat iets, hetwelk verborgen en onbekend was, nu openbaar is geworden en in het licht is getreden. HApokaluyiv neemt de oorzaak weg, waardoor iets verborgen was; fanerwsiv maakt de zaak zelve openbaar. Daarmede hangt saam, dat fanerwsiv altijd van objectieve, ‡pokaluyiv beide van objectieve en subjectieve openbaring wordt gebezigd; dat fanerwsiv meermalen èn de algemeene èn de bijzondere openbaring aanduidt, maar ‡pokaluyiv meest altijd de bijzondere en slechts eene enkele maal de algemeene. En beide woorden zijn dan van gnwrizein en djloun wederom zoo onderscheiden, dat de beide eerste de dingen in ’t licht doen treden, onder de waarneming brengen, en de beide laatste ze ten gevolge daarvan nu ook maken tot inhoud van ons denkend bewustzijn. Cf. Dr. F.G.B. van Bell, Disput. theol. de patefactionis christianae indole ex vocabulis fan. et ‡pok. in libris N.T. efficienda 1849. Niermeyer, Gids 1850 I 109-149. Rauwenhoff, De zelfstandigheid van den Christen 1857. Cramer, Jaarb. v. wet. Theol. 1870 bl. 1-70. Cremer, Wörterbuch s.v. Herzog2 12, 654. Voigt, Fundamentaldogm. 201 f. Van Leeuwen, Prol. van Bijb. Godg. 41 v.

De christelijke religie komt dus daarin met alle historische godsdiensten overeen, dat zij zich beroept op openbaring. Maar de overeenkomst strekt zich nog verder uit, tot in de vormen en wijzen toe, waarop de openbaring geschiedt. Alle openbaringsmiddelen kunnen tot een drietal worden herleid. In de eerste plaats verlangt het religieus geloof een God van nabij en niet van verre |246| Hd. 17 : 27; het was daarom ten allen tijde overtuigd van verschijning der goden in eene of andere gedaante, onder een of ander teeken, op eene of andere plaats. Heilige plaatsen, heilige tijden, heilige beelden zijn er bijna in iederen godsdienst. De goden zijn niet aan de menschen gelijk en leven niet met hen op gelijken voet; het profane gebied is van het gewijde afgezonderd; maar de goden wonen toch bij en onder de menschen op bepaalde plaatsen, in bijzondere voorwerpen, en deelen hun zegen op bepaalde tijden mede. De idololatrie, opgevat in den ruimsten zin, is geboren uit de behoefte aan een God van nabij, Ch. de la Saussaye, Lehrb. der Rel. gesch. I 54 f. 114 f. In de tweede plaats is aan alle religies het geloof eigen, dat de goden op een of andere wijze hunne gedachte en hun wil openbaren, hetzij door menschen als hun organen, zooals waarzeggers, orakels, droomers, doodenvragers, geestenzieners, enz. hetzij kunstmatig en uitwendig door de sterren, de vlucht der vogels, de ingewanden der offerdieren, het spelen der vlam, de lijnen der hand, het toevallig opslaan en openvallen van een boek, enz., mantikj, divinatio. Nemo vir magnus sine afflatu divino unquam fuit, Cic. de nat. deor. 2, 66, cf. Cicero de divinatione, Plutarchus, de defectu oraculorum, A. Bouché-Leclercq, Histoire de la divination dans l’antiquité, 4 vol. 1879-82. Saussaye t.a.p. 93 f. En eindelijk is in alle godsdiensten het geloof aanwezig aan bijzondere tusschenkomst en hulp der goden in tijden van nood; algemeen verbreid is de magie, d. i. die kunst, waardoor menschen met mysterieuse middelen, heilige woorden, formulen, amuletten, dranken, enz. de goddelijke kracht aan zich dienstbaar maken en wonderbare werkingen te voorschijn brengen, Ennemoser, Gesch. der Magie, 2e Aufl. Leipzig 1844. Alfr. Maury, La magie et l’astrologie dans l’antiquité et au moyen-âge 1860. Lenormant, Les sciences occultes en Asie, 2 vol. 1874-’75. Saussaye ib. Theophanie, mantiek en magie zijn de wegen, waarlangs alle openbaring tot den mensch komt. Dit algemeen religieus geloof aan verschijning, voorspelling en wonder is zeker niet, in elk geval niet uitsluitend, uit bedrog of daemonische werking, noch ook uit onbekendheid met de natuurorde te verklaren, maar is een noodzakelijk element in alle religie. De religieuse behoefte zoekt bevrediging; en waar ze deze niet vindt in eene haar tegenkomende, reëele openbaring Gods, zoekt |247| ze haar in den weg der qeloqrjskeia. Zij neemt die geheimzinnige krachten in den mensch zelf of buiten hem in de natuur in dienst, welke hem in rapport kunnen brengen met eene bovennatuurlijke wereld. De superstitie is de bastaardvorm der echte religie. Het bijgeloof is de caricatuur van de pistiv. De hedendaagsche verschijnselen van spiritisme, theosophie, telepathie, magnetisme, hypnotisme, enz. strekken hiervan ten bewijze, en toonen misschien ook aan, dat er in de zoogenaamde nachtzijde van de menschelijke natuur krachten verscholen liggen, welke een meer onmiddellijk rapport bewerken kunnen met eene bovenzinlijke wereld en in elk geval het geloof aan zoodanig rapport, zonder de hypothese van opzettelijk bedrog enz. genoegzaam kunnen verklaren. There are more things in heaven and earth, than are dreamt of in your philosophy (Shakespeare). art. Modern Bijgeloof in Tijdspiegel Jan. 1895. De H. Schrift schijnt aan dergelijke verschijnselen niet alle realiteit te ontzeggen, Gen. 41 : 8; Ex. 7 : 8; Deut. 13 : 1, 2; Mt. 7 : 22, 24 : 24; 2 Thess. 2 : 9; 2 Tim. 3 : 8; Apoc. 13 : 13-15. Maar de religie in O. en N. T. wil beslist met alle deze godsdienstige verschijnselen niets gemeen hebben. Zij staat er principieel tegenover. Zij erkent noch duldt ze, zij verbiedt ze ten stelligste Lev. 19 : 26, 31, 20 : 27; Num. 23 : 23; Deut. 18 : 10, 11; Hd. 8 : 9, 13 : 6, 16 : 16, 19 : 13 v.; Gal. 5 : 20; Apoc. 21 : 8, 22 : 15. Profeten en apostelen komen er ten sterkste tegen op, om op gelijke lijn geplaatst te worden met de heidensche waarzeggers en toovenaars. Er moge soms, b.v. in de verschijningen aan de aartsvaders, overeenstemming van vorm zijn, maar er is verschil in wezen. Theophanie, mantiek, magie zijn evenals offerande, tempel, priesterschap, cultus, enz. essentieele elementen in de religie. Ze komen daarom in alle godsdiensten, ook in dien van Israel, en in het Christendom voor. Ook de christelijke religie heeft haar offerande Ef. 5 : 2, haar priester Hebr. 7, haar tempel 1 Cor. 3 : 16, enz. Het onderscheid tusschen het Christendom en de andere godsdiensten ligt niet daarin, dat al deze noodzakelijke elementen der religie daar ontbreken, maar is hierin gelegen, dat alwat in ’t Heidendom voorkomt in caricatuur, in Israel tot schaduw en beeld, en hier tot waarachtige, geestelijke realiteit is geworden. Daardoor laat zich verklaren, dat Israels godsdienst eenerzijds in vorm, besnijdenis, offer, tabernakel, priesterschap, |248| enz. zooveel overeenkomst vertoont met de heidensche godsdiensten en andererzijds principieel ervan onderscheiden is, zoodat alleen uit Israel de Messias is voortgekomen. Dit principieel onderscheid ligt hierin, dat in de H. S. het initiatief in de religie niet genomen wordt door den mensch, maar door God. In de heidensche godsdiensten is het de mensch, die God zoekt, Hd. 17 : 27; hij tracht op allerlei wijze God tot zich te doen neerdalen, en trekt Hem neer in het stof Rom. 1 : 23; hij poogt door allerlei middelen macht over God te verkrijgen. Maar in de Schrift is het altijd God, die den mensch zoekt. Hij schept hem naar zijn beeld. Hij roept hem na den val. Hij behoudt Noach. Hij verkiest Abraham. Hij geeft aan Israel zijne wetten. Hij roept en bekwaamt de profeten. Hij zendt zijn Zoon. Hij zondert de apostelen af. Hij oordeelt eens levenden en dooden. Het Ethnicisme leert ons den mensch kennen, in zijne rusteloosheid, in zijn ellende, in zijn onvrede, en ook in zijne edele aspiratiën, in zijne eeuwige behoeften; den mensch beide in zijne armoede en zijn rijkdom, in zijne zwakheid en in zijne kracht; het Ethnicisme kweekt zijn edelste vrucht in het humanisme. Maar de H. Schrift leert ons God kennen in zijn komen tot en zoeken van den mensch, in zijne ontferming en genade, in zijn recht en zijne liefde. Maar theophanie, profetie en wonder zijn ook hier de middelen, waardoor God zich openbaart en geeft aan den mensch, Oehler, Ueber das Verhältniss der altt. Prophetie zur heidn. Mantik 1861. Id. Altt. Theologie 1882 S. 29 f. 753 f. Tholuck, Die Propheten u. ihre Weissagungen 1860 1. Staudenmaier, Encycl. 231 f. 271 f. Schultz, Altt. Theologie, 4e Aufl. Göttingen 1889 S. 226 f.






deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001