Gereformeerde Dogmatiek

door Dr. H. Bavinck

Eerste deel. Inleiding — Principia

Kampen (J.H. Bos) 1895

a



VOORBERICHT.

Met een kort woord moge het standpunt dezer dogmatiek in het licht worden gesteld. Niet alleen de geloovige, ook de dogmaticus heeft belijdenis te doen van de gemeenschap der Heiligen. Alleen met alle heiligen kan hij begrijpen, welke de breedte en lengte en diepte en hoogte zij en bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat. Eerst in en door hunne gemeenschap leert hij het dogma verstaan, waarin het christelijk geloof zich uitspreekt. Bovendien ligt er in deze gemeenschap der heiligen eene sterkende kracht en een uitnemende troost. Dogmatiek is thans niet in eere; het christelijk dogma deelt niet in de gunst van den tijd. Vandaar, naar het woord van Groen van Prinsterer, Ongeloof en Revolutie 1868, bl. 17, somwijlen een gevoel van verlatenheid, van isolement. Maar des te meer stemt het dan tot dank, een beroep te kunnen doen op het bondgenootschap der voorgeslachten. Om deze redenen is er aan de patristische en scholastische theologie meer aandacht gewijd, dan anders wel bij protestantsche dogmatici het geval is. Mannen als Irenaeus, Augustinus, Thomas, behooren niet uitsluitend aan Rome. Zij zijn patres en doctores, aan wie de gansche christelijke kerk verplichtingen heeft. Voorts is ook de Roomsche theologie na de Hervorming niet vergeten. Er is onder de Protestanten menigmaal te weinig bekendheid zoowel met hetgeen hun met Rome gemeen is als wat van Rome hen scheidt. De herleving der Roomsche theologie onder de auspiciën van |iv| Thomas, maakt het voor den protestantschen Christen dubbel noodzakelijk, zich van zijne verhouding tot Rome welbewuste en heldere rekenschap te geven.

Het nauwst echter sluit deze dogmatiek zich aan bij dat type, hetwelk de christelijke religie en theologie in de zestiende eeuw door de Reformatie, bepaaldelijk in Zwitserland, ontving. Niet omdat dit de eenig-ware, maar wijl het naar de overtuiging van den schrijver de relatief-zuiverste uitdrukking der waarheid is. In geen confessie is het christelijke in zijn religieus, ethisch en theologisch karakter zoo tot zijn recht gekomen; nergens is het zoo diep en breed, zoo ruim en vrij, zoo waarlijk katholiek opgevat als in die van de Gereformeerde kerken. Daarom is het te meer te betreuren, dat deze reformatie van religie en theologie, evenals die van kerk en wetenschap, zoo spoedig is gestuit. Er is in weerwil van veel goeds, dat ook de latere ontwikkeling niet alleen hier te lande, maar evenzeer in Engeland, Schotland, Amerika te aanschouwen geeft, toch weldra stilstand ingetreden en deformatie gevolgd. Bij voorkeur zich beroepende op de oudere generatie, die in frischheid en oorspronkelijkheid de latere verre overtreft, acht schrijver dezes het het recht van den dogmaticus, om in de geschiedenis der Gereformeerde theologie tusschen koren en kaf onderscheid te maken. Het oude te loven alleen omdat het oud is, is noch gereformeerd noch christelijk. En dogmatiek beschrijft niet wat gegolden heeft, maar wat gelden moet. Zij wortelt in het verleden, maar arbeidt voor de toekomst.

Daarom eindelijk wenscht deze dogmatiek ook het stempel te dragen van haar tijd. Het ware een onbegonnen werk, zich los te maken van het heden; maar het zou ook niet goed zijn voor God, die in deze eeuw niet minder luide en ernstig tot ons spreekt dan in vorige geslachten. Er is acht geslagen op de velerlei richtingen, die op theologisch gebied elkaar kruisen. Er is te midden van die alle eene plaats gezocht en positie gekozen. Waar afwijking plicht was, is er rekenschap van gegeven. Maar ook dan is er naar gestreefd, om het goede te waardeeren, waar |v| het te vinden was. Dikwerf deed voortgezette studie verwantschap ontdekken, die aanvankelijk heel niet scheen te bestaan.

Op dezen grondslag opgetrokken, tracht deze dogmatiek een handboek te zijn voor wie aan hare beoefening zich wijdt. Ook waar zij geen instemming verwerven kan, moge zij tot studie opwekken. Met het oog hierop zijn de vraagstukken en de verschillende oplossingen, die beproefd zijn, zoo objectief mogelijk voorgesteld. Litteratuur werd in die mate opgegeven, dat men spoedig zelf zich oriënteeren en aan de oplossing mede arbeiden kan.

Dit eerste deel bespreekt de inleiding en de principia. Het tweede deel zal het dogma behandelen. Waarschijnlijk zal dit in twee gedeelten het licht zien, die in geen geval grooter van omvang zullen zijn dan dit eerste deel, en zoo spoedig mogelijk zullen volgen. Een uitvoerige index zal het werk besluiten. a


Kampen, April 1895.




Inhoud.

b

INLEIDING

§ 1. Naam en begrip der Dogmatiek.

1. Namen der dogmatiek.

2. Het woord dogma.

3. Gezag van het dogma.

4. Materieele inhoud

5. van het dogma.


§ 2. Encyclopaedische plaats der Dogmatiek.

1. In de systematische theologie.

2. Onderscheid der Dogmatiek van de Symboliek, Catechetiek

3. en ethiek.


§ 3. Methode der Dogmatiek.

1. Schrift, kerk en persoonlijke overtuiging

2. als factoren, waarmede de Dogmatiek

3. te rekenen heeft.

4. Kritische richting, die de kennis put uit het subject.

5. Kerkelijke, die de traditie onfeilbaar acht.

6. Bijbelsch, die de Schrift raadpleegt buiten de historie om.

7. Beteekenis der kerk en van hare belijdenis voor de Dogmatiek.

8. Van de Schrift (en de openbaring Gods in de natuur, theol. naturalis).

9. Van de persoonlijke overtuiging.


§ 4. Indeeling der Dogmatiek.

1. Bij Clemens, Origenes, Theodoretus, Damascenus, Augustinus,

2. Lombardus, Bonaventura, Thomas,

3. latere Roomsche theologen.

4. Bij Melanchton, Calvijn

5. en latere Gereformeerde en Luthersche theologen.

6. Reactie tegen de synthetische methode bij Calixtus, Coccejus,

7. en nog sterker bij het Rationalisme,

8. en in de nieuwe theologie.

9. Indeeling in algemeen en bijzonder deel,

10. en van dit laatste naar de synthetische orde.


§ 5. Geschiedenis en Litteratuur der Dogmatiek

A. Opkomst der dogmatiek, 2e-4e eeuw

1. Wetenschappelijke theologie, die bij de Apostolische Vaders nog niet voorkomt,

2. wordt na de bestrijding van het geloof door Lucianus, Celsus, Porphyrius, Julianus, de Gnostieken ter zelfverdediging bij de Apologeten noodzakelijk,

3. en gaat dan in de richting der Noord-Afrikaansche, Klein-Aziatische, of Alexandrijnsche School uiteen,

4. en krijgt in den twist tegen het monarchianisme in de 3e eeuw een vasten grondslag.

B. De Dogmatiek in de Oostersche Kerk

5. Vaststelling en verdediging van het trinitarisch en christologisch dogma in het Oosten in de 4e tot de 8e eeuw.

6. De dogmatische ontwikkeling loopt in het Oosten uit op Johannes Damascenus,

7. en zet zich dan wel voort maar is voor een groot deel nog onbekend.

C. De Dogmatiek in de Latijnsche, Roomsche Kerk

8. De dogmatiek in het Westen draagt van den aanvang af, reeds bij Tertullianus, Cyprianus, Irenaeus, een eigen karakter, al is zij ook van het Oosten afhankelijk,

9. en krijgt haar uitnemendsten tolk in Augustinus.

10. Gregorius leidde kerk en theologie over naar de nieuwe volken, die eerst beide eenvoudig overnamen (Isidorus, Alcuinus)

11. maar dan zelfstandig werden en in de scholastiek een eigen theologie voortbrachten.

12. De scholastiek verliep in drie perioden,

13. en had de mystiek naast zich.

14. In het laatst der Middeleeuwen kwam zij in verval en stond aan veel critiek bloot, maar zij herstelde zich na de Hervorming weer,

15. en kwam vooral in Spanje tot bloei.

16. In de 18e eeuw kwam de Roomsche theologie onder invloed van het Rationalisme,

17. en bleef daar ook nog ten deele onder in de 19e eeuw (Hermes, Günther); maar zij wist zich toch weer vrij te maken en trad als traditionalisme, romantisme, bemiddelingstheologie en vooral als Thomisme weer zelfstandig op.

D. De Dogmatiek in de Luthersche Kerk

18. De Luthersche Reformatie kreeg haar eersten dogmaticus in Melanchton en haar consensus in de Formula Concordiae,

19. werd in de 17e eeuw scholastiek ontwikkeld,

20. maar in de 18e eeuw verzwakt door Pietisme, Herrnhuttisme,

21. Rationalisme,

22. en sloot zich in deze eeuw vooral bij de verschillende stelsels van wijsbegeerte aan, bij Kant,

23. Jacobi,

24. Schleiermacher,

25. Hegel,

26. Schelling,

27. of trad op als confessionalisme, Bijbelsche theologie,

28. of neokantianisme.

E. De Dogmatiek in de Gereformeerde Kerk

29. De Zwitsersche Reformatie, die principieel van de Duitsche verschilt,

30. ontving haar dogmatisch systeem van Calvijn en vond ingang in Frankrijk, Nederland, Engeland, Schotland, Duitschland.

31. Tegen het einde der 16e eeuw kwam in de Gereformeerde theologie de scholastische methode op, die haar in verschillende landen tot grooten bloei bracht,

32. maar door Anabaptisme, Arminianisme, Cartesianisme, Coccejanisme,

33. Amyraldisme, Independentisme, Baptisme, Kwakerisme, Deisme tot verval kwam.

34. Tolerantie, neologie, supranaturalisme, neonomisme kwamen nu aan het woord.

35. Maar tegenover de negatieve richtingen in ons vaderland van supranaturalisme, Groninger en moderne theologie kwam er eene herleving van de positieve theologie door Afscheiding en Reveil, Utrechtsche en ethisch-irenische richting en door het ontwakend Calvinisme, eene herleving, die ook elders voorkomt, maar gewoonlijk een minder beslist Gereformeerd karakter draagt, Duitschland,

36. Zwitserland en Frankrijk,

37. Engeland en Schotland,

38. Amerika

39. Amerika


I. Principia in het algemeen

§ 6. Beteekenis der principia.

1. De naam ‡rcj, principium.

2. Principium essendi

3. Principium cognoscendi, externum en internum.

4. Eenheid en onderscheid dezer drie principia.


§ 7. Principia in de wetenschap

A. Het Rationalisme

1. Het Rationalisme, dat door heel de geschiedenis der philosophie heenloopt,

2. leidt alle kennis af uit het subject,

3. maar miskent het principium cognoscendi externum en vervalt tot idealisme en illusionisme.

B. Het Empirisme

4. Het Empirisme zoekt de bron der kennis in de zinlijke waarneming,

5. maar miskent het principium cognoscendi internum en leidt tot materialisme.

C. Het Realisme

6. Daarentegen gaat het Realisme uit van de algemeene, natuurlijke zekerheid aangaande de objectiviteit en waarheid der kennis,

7. erkent zoowel het principium cognoscendi internum als externum,

8. laat alle kennis aanvangen met de zinlijke waarneming,

9. maar schrijft aan het verstand het vermogen toe, om uit de phaenomena tot de noumena door te dringen,

10. omdat de rede in ons en de rede buiten ons saam haar oorsprong hebben in den Logos.


§ 8. Principia in de religie

A. Wezen der religie

1. Het wezen der religie, wier naam van onzekere afleiding is

2. is volgens de Heilige Schrift als religio objectiva identisch met Gods openbaring en als religio subjectiva met de gezindheid, om in zijne wegen te wandelen.

3. Deze onderscheiding is ter bepaling van het wezen der religie onmisbaar. Als religio objectiva bevatten alle godsdiensten de elementen van traditie, dogma, ethos, cultus.

4. En als religio subjectiva zijn zij pietas, die cultus tot vrucht heeft.

5. Deze religio subjectiva, die een habitus is, werd door de zonde bedorven, wordt door wedergeboorte vernieuwd, en bestaat volgens de Heilige Schrift in geloof,

6. dat in een cultus naar Gods wil zich openbaart.

B. Zetel der religie

7. De zetel der religie is vooral onderzocht, sedert het wezen der religie,

8. ten onrechte, alleen in de religio subjectiva werd gesteld,

9. is niet uitsluitend het verstand,

10. want godsdienst en wetenschap zijn onderscheiden,

11. noch ook de wil,

12. want godsdienst en zedelijkheid zijn twee,

13. noch ook het gevoel,

14. want godsdienst is iets anders dan kunst,

15. maar de gansche mensch, die God geheel en altijd en overal dienen moet.

C. Oorsprong der religie

16. De oorsprong der religie is niet vrees, priesterbedrog, onkunde, animisme enz.,

17. noch ook de zucht, om zich tegenover de wereld te handhaven.

18. Historische en psychologische methode zijn tot verklaring van wezen en oorsprong der religie onvoldoende.

D. Resultaat

19. Godsdienst is alleen verklaarbaar, wanneer het bestaan van God en de waarachtigheid zijner openbaring aangenomen wordt.


II. Principium externum

§ 9. Algemeene Openbaring

A. Begrip der openbaring

1. Openbaring is een religieus begrip, dat alleen in het theisme te handhaven is,

2. en bestaat in het algemeen in eene daad Gods, waardoor Hij de mensch tot zichzelven in eene religieuse verhouding plaatst.

B. Algemeene en bijzondere openbaring

3. De onderscheiding in natuurlijke en bovennatuurlijke openbaring is reeds van de oudste kerkelijke schrijvers afkomstig, maar werd bij Rome tot eene rationeele tegenstelling,

4. die door de Reformatie wel gewijzigd werd, maar toch in het Socinianisme enz. bleef voortleven en heel het begrip der openbaring ondermijnde.

5. De Schrift maakt geen begripsmatig onderscheid tusschen natuurlijke en bovennatuurlijke openbaring, wijl alle openbaring het persoonlijk, boven de natuur verheven bestaan Gods erkent, en alleen verschilt in de middelen, waardoor zij tot ons komt.

6. Bovennatuurlijke openbaring is niet met onmiddellijke identisch, want alle openbaring geschiedt middellijk, maar verschilt van de natuurlijke in de wegen, waarlangs zij tot ons komt. Daarom verdient de onderscheiding van algemeene en bijzondere openbaring de voorkeur.

C. Ongenoegzaamheid der algemeene openbaring

7. De algemeene openbaring is onvoldoende, wijl zij niets bevat van Gods genade in Christus,

D. Waarde der algemeene openbaring

8. maar is toch

9. voor de heidenwereld,

10. en ook voor de gemeente van groote waarde.


§ 10. Bijzondere Openbaring

A. Middelen der bijzondere openbaring

1. Gelijk alle godsdiensten, beroept het Christendom zich op eene bijzondere openbaring, fanerwsiv, ‡pokaluyiv, die op drieërlei wijze geschiedt,

2. door theophanie

3. profetie (spreken Gods, lot, urim, droom, visioen, inwendige verlichting),

4. wonderen.

B. Begrip der bijzondere openbaring

5. De H. Schrift doet ons daarmede de bijzondere openbaring kennen, niet als loutere mededeeling van leer of als religieuse inspiratie of als instorting van nieuw leven of als bewustwording Gods in den menschelijken geest,

6. maar als een systeem van woorden en daden Gods, die zich concentreeren in den persoon van Christus en na zijne verschijning en na de voltooiing der Schrift gewijzigd, in de bedeeling des H. Geestes zich voortzetten en voltooien.

C. De bijzondere openbaring en het Supranaturalisme

7. In dezen rijken zin wordt zij echter miskend, zoowel door het abstrachte supranaturalisme van Rome

8. enz.,

D. De bijzondere openbaring en het Naturalisme

9. als door het rationalistisch naturalisme,

10. dat echter onvoldoende is ter verklaring van de openbaringsverschijnselen,

11. en in een pantheistisch of materialistisch monisme zijn grond heeft.

12. Maar dit monisme wordt door eene juist natuurbeschouwing zoowel als door de Schrift weersproken; in haar wereldbeschouwing neemt de bijzondere openbaring een passende, harmonische plaats in.


§ 11. De Heilige Schrift

A. Openbaring en Schrift

1. De bijzondere openbaring, die historie is en als zoodanig voorbijgaat, wordt tot de menschheid en wereld uitgebreid, doordat zij in den vorm der Schrift optreedt.

2. De Schrift is daarom niet al de openbaring noch ook slechts oorkonde der openbaring maar de laatste acte, de sluitsteen der openbaring.

3. Want de openbaring valt in haar geheel in twee bedeelingen uiteen; de eerste brengt de vleeschwording van den Logos en de Schriftwording van zijn woord tot stand, de tweede past de schatten van Christus en van zijn getuigenis in de gemeente toe, die daarom met die Schrift steeds in levend, organisch verband staat.

B. De leer der inspiratie

4. Van die Schrift is de Goddelijke ingeving steeds door de kerk beleden, van de oudste tijden af,

5. door de scholastiek,

6. door de Roomschen,

7. de Hervormers,

8. maar ook dikwerf van buitenaf bestreden en dan tot eene dualistische of dynamische inspiratie verzwakt of ook geheel ontkend.

C. De inspiratie naar de Schrift

9. De Schrift leert echter duidelijk hare eigene inspiratie, zoowel in het Oude Testament,

10. en in het N.T. aangaande het O.T.,

11. alsook in het N.T. aangaande zichzelf

12. en geeft zich daarom uit voor Woord Gods.

D. Begrip der inspiratie

13. Dit zelfgetuigenis der Schrift is onwraakbaar,

14. onderscheidt de inspiratie, waardoor de Schrift ontstond, van alle andere, geniale inspiratie, van Gods immanente werkzaamheid in de wereld, van revelatie en van wedergeboorte, al staat ze ook met al deze in verband.

15. Zij is een spreken Gods door middel van profeten en apostelen, echter niet in mechanischen maar in organischen zin,

16. en niet tot bezieling der personen of tot ingeving van hoofdzaken te beperken.

E. Bezwaren tegen de inspiratie

17. De bezwaren, tegen deze inspiratie ingebracht, staan zonder twijfel voor een deel in verband met de vijandschap van het menschelijk hart,

18. en worden anderdeels verminderd door eene organische opvatting,

19. en door eene duidelijke omschrijving van het doel, waartoe de Schrift gegeven is.


§ 12. Eigenschappen der Schrift

A. De eigenschappen der Schrift in het algemeen

1. De leer der eigenschappen van de Schrift ontwikkelde zich in den strijd tegen Rome,

2. dat de verhouding van Schrift en kerk gansch anders dan de Hervorming bepaalt.

B. Het gezag der Schrift

3. Het gezag der Schrift rust bij Rome op de kerk,

4. en volgens de Reformatie, zonder miskenning van de paedagogische beteekenis der kerk, op de Schrift zelve.

5. Hoewel bij dat gezag de auctoritas historiae et normae te onderscheiden is,

6. is zijn Goddelijk karakter toch niet voor een menschelijk, historisch, zedelijk gezag in te ruilen.

7. Want in de religie is een Goddelijk gezag, dat echter heel iets anders is dan geweld, onmisbaar.

C. De noodzakelijkheid der Schrift

8. De noodzakelijkheid der Schrift wordt door Rome, door vele mystieke richtingen,

9. en ook door Schleiermacher ontkend,

10. maar staat toch vast, wijl de kerk altijd rustte op een ongeschreven of geschreven Woord Gods,

11. zonder zulk een woord tot dwaling en leugen vervalt,

12. en daaraan in deze bedeeling steeds behoefte blijft houden.

D. De duidelijkheid der Schrift

13. De duidelijkheid der Schrift wordt eveneens door Rome ten bate der kerk verworpen,

14. maar is, goed opgevat, op de Schrift zelve gegrond, door de oude kerk algemeen erkend,

15. en ter handhaving van de vrijheid des Christens,

16. en van de facultas S.Scr. se ipsam interpretandi van de grootste beteekenis.

E. De genoegzaamheid der Schrift

17. De genoegzaamheid der Schrift eindelijk, door Rome ten gunste der traditie bestreden,

18. die echter ten slotte geen ander kenmerk voor hare waarheid behoudt dan de pauselijke uitspraak,

19. en de Schrift aan de kerk, dat is aan den paus onderwerpt,

20. werd door de Hervorming wederom tegenover de traditie gehandhaafd,

21. wijl zij door de Schrift zelve geleerd wordt en met den aard der tegenwoordige bedeeling overeenkomt,

22. zonder dat daarmee het betrekkelijk recht der traditie wordt ontkend.


III. Principium internum

§ 13. Beteekenis van het principium internum

1. Aan het objectief principe moet een subjectief beantwoorden, dat bij ieder van kindsbeen af in overeenstemming met den godsdienst, waarin hij geboren is, een bepaalden vorm aanneemt,

2. en in zijn diepsten grond schier aan alle onderzoek zich onttrekt.

3. Daarom worden voor het geloof ook vele en verschillende gronden genoemd (historisch-apologetische, speculatieve, ethisch-practische), die echter de zelfstandigheid der religie en het werk des Geestes miskennen.


§ 14. De historisch-apologetische methode

1. De historisch-apologetische methode werd vooral door Rome,

2. en door verschillende supranaturalistische richtingen toegepast,

3. maar is, schoon eene geloovige apologetiek recht van bestaan heeft, theoretisch en practisch onhoudbaar.


§ 15. De speculatieve methode

1. De speculatieve methode, door Hegel,

2. door de Vermittelungstheologie,

3. en in gewijzigden vorm door Hofmann en Frank gevolgd,

4. bood wel belangrijke voordeelen boven de apologetische, maar verviel in de dwaling der oude gnostiek en offerde het zijn aan het denken, de historie aan de idee op.

5. Ook de poging van Frank, om de objectieve waarheid der dogmata uit de subjectieve zekerheid van den Christen af te leiden, is niet geslaagd,

6. en berust op eene onjuiste Erkenntnistheorie.


§ 16. De ethisch-psychologische methode

1. De ethisch-psychologische methode, schoon van ouds gebruikelijk, kwam in eere door Pascal en Vinet.

2. Zij is verwant aan het moreele bewijs van Kant,

3. en vindt in dezen vorm bij velen hier te lande,

4. en vooral ook bij Ritschl

5. en Lipsius c.s. steun.

6. Maar, ofschoon religie het element van den troost niet missen kan, ervaring des harten kan,

7. evenmin als religieuse waardeering, bewijs voor de waarheid der religie zijn,

8. en leidt bovendien tot een onhoudbaar dualisme tusschen gelooven en weten.


§ 17. Het geloof

1. Wijl het principium internum aan het principium externum beantwoorden moet, kan het niet liggen in den natuurlijken, maar alleen in den door Gods Geest verlichten mensch, zoodat de dogmaticus daarmede een subjectief standpunt inneemt.

2. De Schrift noemt als dit principium internum het geloof, dat een acte van het bewustzijn is, verwant aan het geloof op natuurlijk terrein,

3. maar daarvan toch wel te onderscheiden,

4. en ook niet met nudus assensus te vereenzelvigen.

5. Dat geloof brengt eene eigene zekerheid mede,

6. die naast de wetenschappelijke en moreele zekerheid recht van bestaan heeft.


§ 18. De grond des geloofs

1. Wijl dit geloof door geen bewijzen of redeneeringen, maar alleen door Gods genade gewerkt kan worden,

2. neemt Rome daarmede in beginsel hetzelfde subjectieve standpunt in als de Hervorming.

3. Het testimonium Spiritus Sanctiis de laatste grond des geloofs, gelijk de Hervorming, inzonderheid Calvijn, erkende maar het rationalisme ten onrechte bestreed.

4. Want het komt overeen met het getuigenis, dat onze geest in het algemeen aan de waarheid geeft,

5. beantwoordt aan de bijzondere openbaring in Christus en handhaaft hare autopistie.

6. Het sluit voorts het argumenteeren niet uit, is sterk als getuigenis der gansche Christenheid, onderstelt de wedergeboorte en koomt daaruit op spontaan en vrij.

7. Ook heeft het niet eenzijdig betrekking op de autoriteit der Heilige Schrift, maar staat met heel het geloofsleven in verband, verzekert subjectief van al de waarheid Gods en daarin ook van de divinitas der Heilige Schrift,

8. en wordt door de onderlinge verschillen der Christenen niet van zijn waarheid beroofd.


§ 19. Geloof en Theologie

1. Ofschoon in het geloof zeker van de waarheid, streefde de christelijke kerk toch altijd, nietttegenstaande alle bestrijding, naar eene wetenschappelijke theologie,

2. die dan ook, in weerwil van haar vele afdwalingen, recht van bestaan heeft en zonder welke de openbaring, de religie, de dogmenhistorie, de kerk gevaar loopen van miskenning.

3. Deze theologie is een vrucht van het denkend bewustzijn der gemeente en heeft de hulp der philosophie van noode.

4. Geloof is daarom van theologie onderscheiden, gelijk ook vroeger blijkens de leer van de fides implicita,

5. de onderscheiding van theologia infusa en acquisita en die tusschen fundamenteele en nietfundamenteele artikelen aangenomen werd.

6. Maar beider verwantschap is even groot als hun verschil.

7. En wijl de theologie niet in het geloof als zoodanig maar in het geloovig denken haar oorsprong heeft, is ter harer beoefening de ontwikkelde rede en dus de philosophie onmisbaar,

8. al is het ook, dat de kennis, welke de theologie verschaft, nooit een begrijpen wordt en in bewondering van het mysterie eindigt.




a. Vgl. deel 3, mededeling vooraf.

b. De tekst van de uitgebreide inhoudsopgave is afkomstig uit deel 4.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000