2. De H. Schrift geeft geene definitie en bezit ook geen algemeen begrip ter aanduiding van het verschijnsel der religie. Zij heeft afzonderlijke woorden voor hare objectieve en hare subjectieve zijde. De religio objectiva is identisch met de openbaring Gods, en bestaat in het verbond, tyrb, hetwelk God aan Israël gaf, en dat dus in vollen zin eene goddelijke stichting, diaqjkj, heeten mag, Exod. 20 : 1 v., 34 : 10 v., 27 v.; Jes. 54 : 10, enz. De ordeningen in dat verbond, welke Israël onderhouden moet, vormen saam den inhoud der hrwt, onderwijzing, leer, wet, wetboek des Heeren, en worden met zeer verschillende namen aangeduid. Ze heeten £yrbd woorden Num. 12 : 6; Ps. 33 : 4, enz., twwcm geboden, Gen. 26 : 5; Ex. 15 : 26, enz., £ydwqp bevelen, Ps. 119 : 4, 5, 15, enz.; £yqx inzettingen, besluiten, Ex. 15 : 26; Lev. 25 : 18; Ps. 89 : 32; Job 28 : 26, enz.; £yXpWm rechtszaak, rechtsuitspraak, Num. 36 : 13; Ps. 19 : 10, enz.; £ykrd, twxr' wegen, paden, Deut. 5 : 33; Job 21 : 14; Ps. 25 : 4; enz.; twrmWm wetten die te bewaren zijn, Gen. 26 : 5; Lev. 18 : 30, enz. De vele uitdrukkingen wijzen aan, hoe in Israëls religie het objectieve, de inzetting Gods op den voorgrond staat. Aan die religio objectiva beantwoordt nu subjectief de hwhy t'ry, de vreeze des Heeren. Deze drukt de innerlijke gezindheid van den vromen Israëliet uit tegenover de heilige wetten, die hem van Godswege ter onderhouding zijn voorgeschreven. Maar deze vreeze is toch wezenlijk onderscheiden van de angstige schuwheid, die oorspronkelijk in het lat. woord religio ligt opgesloten. Dat blijkt daaruit, dat deze vreeze des Heeren overgaat |173| in en verbonden is met allerlei andere godsdienstige stemmingen, zooals gelooven ¤ym'h Gen. 15 : 6; Jes. 7 : 9; Hab. 2 : 4; vertrouwen xXb Ps. 26 : 1, 37 : 3, 5; toevlucht nemen hsh Ps. 5 : 12, 37 : 40; steunen ªwms, zich vastklemmen qbd 2 Kon. 18 : 6; hopen hq, verwachten hkx, ja zelfs het liefhebben van God qHx Ex. 20 : 6; Deut. 6 : 5; Ps. 91 : 14. De rechten des Heeren blijven niet als een voorwerp van schrik en vreeze staan buiten en boven den Israëliet, maar worden een object van zijne liefde. Hij overpeinst ze met zijn verstand en betracht ze met zijn wil. Zij zijn zijne vermaking den ganschen dag. In het Nieuwe Testament treffen we in het wezen der zaak dezelfde opvatting aan. Maar nu geeft God zijn openbaring niet in eene reeks van wetten, maar in den persoon van Christus. Deze is de weg en de waarheid, Joh. 14 : 6. De édov tou kuriou Hand. 18 : 25, 19 : 9, 23, 22 : 4; de didacj of didaskalia Mt. 7 : 28, 22 : 33; Joh. 7 : 16, 17; Hd. 2 : 42; Rom. 6 : 17; 1 Tim. 1 : 10, 4 : 6, 16, 6 : 1, 3; 2 Tim. 4 : 2, 3; Tit. 1 : 9, 2 : 1, 7, 10; het eÇaggelion Mk. 1 : 1, 14, 15, enz.; de logov tou qeou Mt. 13 : 19; Mk. 2 : 2, 4 : 14 v.; 2 Cor. 5 : 19, enz. concentreeren zich alle om Christus en zijn niets dan explicatie van zijn persoon en werk. Dienovereenkomstig verandert dan ook de subjectieve gezindheid. De gewone Grieksche woorden waren niet geschikt, om deze in haar eigenlijk karakter weer te geven. Deisidaimonia wordt door Festus van den Joodschen Hd. 25 : 19, en het adjectief door Paulus van den Heidenschen godsdienst Hd. 17 : 22 gebezigd. Qeosebeia komt maar eenmaal voor 1 Tim. 2 : 10. EÇsebeia geeft te kennen heiligen eerbied voor God; het is in beteekenis verwant aan het lat. pietas, en drukt dus eene stemming uit, gelijk die ook in kinderen tegenover hunne ouders enz. aanwezig is; meermalen komt dit woord in het N. T. voor, vooral in de Pastoraalbrieven; wat de eÇsebeia eigenlijk is en behoort te wezen, is eerst in het Evangelie geopenbaard 1 Tim. 3 : 16. Ook de vreeze is in het N. T. niet geheel uit de religio subjectiva geweken Luk. 18 : 2; Hd. 9 : 31; 2 Cor. 5 : 11, 7 : 1; Rom. 3 : 18; Ef. 5 : 21; Phil. 2 : 12; 1 Petr. 1 : 17, 3 : 2, 3 : 15, maar ze komt toch veel zeldzamer voor als beschrijving van de religieuse gezindheid; zij heeft in de meeste plaatsen betrekking op bijzondere gebeurtenissen, bijv. Gods gericht, en is door de liefde vervangen Rom. 8 : 15, 1 Joh. 4 : 18. Het |174| gewone woord voor de religio subjectiva in het N. T. is pistiv. Aan de blijde boodschap der vergeving en der zaligheid in Christus beantwoord van ’s menschen zijde het geloof, hetwelk een kinderlijk vertrouwen op Gods genade is en daarom ook terstond de liefde in ons hart werkt. Pistiv en ‡gapj zijn de grondstemmingen van de christelijke vroomheid. De woorden latreia Rom. 9 : 4, 12 : 1; Heb. 9 : 1, 6 en qrjskeia Hd. 26 : 5; Col. 2 : 18; Jak. 1 : 27 duiden den cultus aan, die Gode uit het beginsel des geloofs wordt toegebracht. J. Köstlin, Die Religion im N. T. Stud. u. Kr. 1888 S. 7-102. Nitzsch t.a.p. 85.






deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000