Deel I.

PRINCIPIA DER DOGMATIEK.

Hoofdstuk 1.

Principia in het algemeen.


§ 6. Beteekenis der principia.

1. Volgens Simplicius, den neoplatonischen commentator van Aristoteles, Phys. 32 en evenzoo volgens Hippolytus in zijne Refutatio omnium haeresium I 6, cf. H. Ritter et L. Preller, Historia philos. graecae 1886 p. 16, 17, was Anaximander de eerste, die den grond der dingen, waarvoor hij het ‡peiron hield, aanduidde met den naam van ‡rcj. Misschien gaf hij echter daarmede alleen nog te kennen, dat het ‡peiron de aanvang en het eerste van alle dingen was, Ed. Zeller, Die Philosophie der Griechen, 4e Aufl. I 203. Maar in de philosophie van Plato en Aristoteles kreeg dit woord de beteekenis van laatste oorzaak der dingen. Aristoteles verstaat onder ‡rcai in het algemeen de eerste dingen in eene reeks, en dan vooral de eerste oorzaken, die uit geen andere zijn af te leiden; hij geeft Metaph. V. 1. 1013, a, 17 deze definitie: paswn men on koinon twn ‡rcwn to prwton e¸nai éqen × stin × ginetai × gignwsketai, id unde aliquid est aut fit aut cognoscitur. Zulke oorzaken nam hij vooral op tweeërlei gebied aan, op dat van het zijn en van het bewustzijn, in de metaphysica en in de logika. Het zijn der dingen werd door hem uit vier ‡rcai afgeleid, nl. Ãlj, e¸dov, ‡rcj tjv kinjsewv en telov, Phys. II, 3, 194b, 16 enz. Maar evenzoo nam hij zulke laatste oorzaken in de logika aan. Aristoteles merkte nl. op, dat er lang niet van alles een bewijs kan gegeven worden; van vele zaken toch hebben we niet |141| een middellijk weten door bewijsvoering maar een onmiddellijk weten door de rede. De bewijzen zelve moeten, om niet een regressus in infinitum te vormen, uitgaan van zulke stellingen, die als onmiddellijk zeker voor geen bewijs vatbaar zijn en het ook niet behoeven. En deze stellingen noemde Aristoteles ‡rcai ‡podeixewv, ‡rcai sullogistikai, ‡rcai ‡mesoi, of ook wel als algemeene onderstelling van alle bewijsvoering ‡xiwmata, Anal. post. I 2, 72a, 7, enz. en hij zegt er daar zelf van: legw dH ‡rcav n ›kastû genei tautav, ƒv éti sti mj ndecetai deixai. In denzelfden zin werd het latijnsche principium gebezigd. Cicero spreekt b. v. van rerum principia Acad. IV 36, principia naturae Off. III 12, principia naturalis Fin. II 11, principium philosophiae Nat. D. I 1, principia juris Leg. I 6, enz. In overeenstemming met de boven aangehaalde definitie van Aristoteles werd nu later in de logika drieërlei principium onderscheiden, principium essendi, existendi en cognoscendi, al naar gelang het zijn, de wording of de kennis van eenig ding uit iets anders moest worden afgeleid. Van principium was causa dan weder zoo onderscheiden, dat causa het principium aanduidde als influxu suo determinans aliquid sibi insufficiens ad existendum, en als tempore of ten minste natura prius dan de zaak die zij veroorzaakte. Causa is dus een bijzondere soort van principium; alle causa is principium, maar niet alle principium is causa, J.F. Buddeus, Elementa philosophiae instrumentalis, ed. 5a 1714, I p. 140 sq. 288 sq. Liberatore, Instit. philos. ed. 8a Romae 1855 I 217.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000