2. Het woord dogma, van dokein, dunken, duidt datgene aan, wat bepaald, besloten is en daarom vaststaat, to dedogmenon, statutum, decretum, placitum. In de Schrift wordt het gebezigd van bevelen der overheid, LXX, Esth. 3 : 9, Dan. 2 : 13, 6 : 8, Luk. 2 : 1, Hd. 17 : 7, van de inzettingen des O. Verbonds, Ef. 2 : 15, Col. 2 : 14, en van de besluiten der vergadering te Jeruzalem, Hd. 15 : 28, 16 : 14. Bij de klassieken heeft het de beteekenis van besluit of bevel en in de philosophie die van door zichzelf of door bewijzen vaststaande waarheden, Plato, de Rep. VII. c. 16. p. 538 C.; Arist., Phys. ausc. 4, 2; Cic., de fin. 2, 32; Acad. prior 2, 9. § 27; Seneca, Epist. 94, 95. In deze beteekenissen wordt het woord ook in de theologie overgenomen. Josephus, c. Ap. I, 8 zegt, dat de Joden de boeken des Ouden Verbonds van kindsbeen af houden voor qeou dogmata. In dezelfde beteekenis spreken de kerkvaders van de christelijke religie of leer als to qeion dogma, van de menschwording van Christus als dogma tjv qeologiav, van de waarheden des geloofs, die in en voor de kerk gelden, als ta tjv kkljsiav dogmata, en evenzoo van de leeringen der ketters als dogmata twn ›terodoxwn enz. Cf. Suicerus, Thesaurus Eccles. s.v.; Herzog2 s.v. Dogmatik; H. Cremer, Wörterbuch der neutest. Gräcität s.v. Dezen zelfden zin behoudt het woord bij de Latijnen, zooals Vincentius in zijn Commonitorium c. 29, en bij de Protest. theologen zooals |4| Sohnius, Opera 1609 I 32; Ursinus, Tract. Theol. 1584 p. 22; Hyperius, Methodus Theol. 1574 p. 34; Polanus, Synt. Theol. 1625 p. 133.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000